Acquiescentia in se ipso

Tevredenheid met zichzelf of zelfvoldaanheid (zo vertaalt Henri Krop) definieert Spinoza als “de blijdschap die ontstaat, doordat de mens zichzelf en zijn vermogen tot handelen beziet”: Acquiescentia in se ipso est laetitia orta ex eo, quod homo se ipsum suamque agendi potentiam contemplatur [IIIdef aff. 25). Ook in het scholium van IIIP30s is sprake van acquiescentia in se ipso, tussen gloria, pudor & poenitentia.

Zoals in het deel erop, IVECaput 4, blijkt is het “hoogste goed” dat we “in dit leven” (uiteraard ons enige leven) kunnen bereiken: de gelukzaligheid (beatitudo), wat hetzelfde is als gemoedsrust (acquiescentia animi) die ontstaat uit de intuïtieve kennis van God. Kennis van God is het hoogste goed, niet omdat dit een goed middel is om ons bestaan te onderhouden, maar om zichzelfs wille (IVP28).

Bij acquiescentia in se ipso, gaat het om gerustheid op of in zichzelf, edelmoedigheid (KV), self-acceptance, self-esteem, satisfaction de soi-même – het is de hoogste vorm van blijdschap (laetitia) die ons kan overkomen: Acquiescentia in se ipso summum est, quod sperare possumus [IVP52s] Spinoza is niet bezig met en benadrukt niet de eigenliefde (amor sui), maar heeft het in plaats daarvan over acquiescentia in se ipso en dat is m.i. niet “de puurste vorm van de eigenliefde” zoals Gábor Boros, Herman de Dijn, Martin Moors (Eds.) in de inleiding van The concept of love in 17th and 18th century philosophy [Leuven University Press, 2007] beweren. Zelfvoldaanheid kan uit de rede ontstaan, en alleen de tevredenheid die uit de rede ontstaat, is de hoogst mogelijke: Acquiescentia in se ipso ex ratione oriri potest, et ea sola acquiescentia, quae ex ratione oritur, summa est quae potest dari. [IVP52] Uit de derde soort kennis ontstaat de grootst mogelijke gemoedsrust: Ex hoc tertio cognitionis genere summa, quae dari potest, mentis acquiescentia, oritur. [VP27]

                                                 * * *

Niet iedereen kan er goed mee uit de voeten. Zo heeft Steven Barbone het in een bespreking van het boek van Charlie Huenemann (ed.), Interpreting Spinoza: Critical Essays [Cambridge University Press, 2008] over “this near mystical state.” Jonathan Bennett heeft het er vast ook ongemakkelijk mee en vermijdt erover te spreken – op het één keer vermelden slechts van ‘self-esteem’ in het rijtje van de affecten. Lev Shestov haalt het weer wat omlaag door te spreken van "plaisir que donne la contemplation et qui porte le noble nom de acquiescentia in se ipso."

                                                 * * *

Waar komt de term vandaan?

Acquiescentia in se ipso was geen standaard-Latijn, maar een neo-Latijns neologisme. Het werd niet gemunt door Spinoza (wat sommigen wel gedacht hebben), maar is door hem ontleend aan de Latijnse vertaling van Descartes’ Les Passions de L’Âme, die in 1650 werd gepubliceerd en vervaardigd was door Henricus Maresius of (sive) Henri Desmarets (1629 – 1725). Door deze vertaler is deze Latijnse vorm gekozen voor satisfaction de soi-même, zoals Descartes het aanduidde.

VoorkantIk heb deze kennis uiteraard niet van mezelf, maar trof die aan in een eindnoot in het hoofdstuk van Han van Ruler: Calvinisme, cartesianisme, spinozisme. In: Gunther Coppens (Red.): Spinoza en het Nederlands cartesianisme. ACCO, 2004. Dit hoofdstuk is in z’n geheel te lezen bij books.google. Ik vond het een heel interessant en aan te bevelen hoofdstuk, waarin Van Ruler laat zien hoe Spinoza “een consciëntieuzere calvinist en een consequentere cartesiaan” was dan zijn tijdgenoten. Ik hoop degenen die dit boek nog niet kenden met deze prikkelende slotwoorden van dat hoofdstuk nieuwsgierig ernaar heb gemaakt.

Volgens zijn cv schreef Donald P. Rutherford het lemma Acquiescentia in se ipso in de Continuum Companion to Spinoza, maar dat heb ik nog niet in mijn boekenkast staan.