Albert O. Hirschman (1915 – 2012) Spinoza toepassen in de economie

Nu Robert Dijkgraaf directeur van het Princeton Institute for Advanced Study is geworden, schrijft hij voor de NRC een column met nieuws uit Princeton. Dit weekend over Albert O. Hirschman naar aanleiding van wiens overlijden in december onlangs een herdenkings-bijeenkomst werd gehouden en in mei bij Princeton Press een biografie zal verschijnen van Jeremy Adelman, Worldly Philosopher. The Odyssey of Albert O. Hirschman. Hirschman’s levensloop vat ik samen uit Dijkgraaf’s column.

Albert O. Hirschman werd geboren in een geassimileerd joods gezin in Berlijn. Zijn vader was neurochirurg, zijn moeder verpleegster. Zijn kinderjaren waren redelijk comfortabel tot in 1933 zijn vader overleed en Hitler aan de macht kwam. Net achttien jaar oud besloot Hirschman naar Parijs te vluchten, waar hij economie en financiën studeerde. Na een jaar aan de London School of Economics sloot hij zich aan bij de antifascistische troepen in de Spaanse burgeroorlog, waar hij in een van de bloedigste gevechten terecht kwam. Nadat hij zijn doctoraat in Italië had behaald, keerde hij in 1939 terug naar Frankrijk, trad toe tot het Franse leger om tegen de Duitsers te vechten. Toen dat leger in juni 1940 ineenstortte, vluchtte Hirschman naar Zuid-Frankrijk. Daar hielp hij samen met de Amerikaanse journalist Varian Fry meer dan 2.000 joodse en politieke vluchtelingen ontsnappen, onder wie prominenten als Marc Chagall, Marcel Duchamp, Max Ernst en Hannah Arendt. Snel leerde hij de praktische kant van de economie kennen: geld wisselen op de zwarte markt, documenten en paspoorten vervalsen, boodschappen in tandpastatubes smokkelen en persoonlijk ontsnappingsroutes over de Pyreneeën verkennen. Uiteindelijk kon hij in 1941 ook zelf naar de Verenigde Staten ontsnappen. Daar kon hij met een beurs van de Rockefeller Foundation zijn studie in Californië vervolgen. Deze relatieve rust werd verstoord door het bombardement op Pearl Harbor. Hirschman, pas 26 jaar oud, meldde zich voor de derde keer in vijf jaar, als vrijwilliger voor de oorlog, nu in het Amerikaanse leger. Omdat hij zes talen sprak en goede economische kennis had, speelde hij een belangrijke rol na de oorlog, eerst bij de Neurenberg-processen, vervolgens bij de reconstructie van Europa en het Marshallplan. Hij werd tot zijn eigen verbazing naar Colombia gestuurd — het begin van een levenslange relatie met Latijns-Amerika. In Columbia begon hij steeds dieper na te denken over wat wel en niet werkt in de ontwikkelingseconomie. Vervolgens kreeg hij de ene na de andere prestigieuze benoeming aangeboden: Yale, Columbia, Harvard en uiteindelijk werd hij hoogleraar aan het Institute for Advanced Study in Princeton.

Hirschman en Spinoza
Wim Klever liet mij n.a.v. Dijkgraafs column weten dat Albert Hirschman ook als een vermaarde autoriteit onder Spinoza-scholars gold. Ik citeer hem: “Reeds in de 70er jaren hoorde ik bv. Emilia Giancotti (Boscherini naar haar ex) met grote eerbied en bewondering spreken over diens boek The passions and the interests: political arguments for capitalism before its triump [Princeton University Press, 1997]. Vele studies (ook door economen) zijn daaraan gewijd en het boek heeft nog steeds grote invloed in studies over de politieke betekenis van Spinoza's leer van de reacties. Daarin worden ook vaak verbanden gelegd tussen Spinoza en Mandevile, Hume. Den Uyl, Lee Rice, Andrea Locatelli en vele anderen doen dat. Zelf ben ik er ook door geïnspireerd. Het werk ontwikkelt vooral het hoofdthema van de TP: de hefboom-werking van de passies t.b.v. het politieke welzijn.
Dijkgraaf raakt dit allemaal niet aan in zijn kort signalement van de kolossale biografie die nu over Hirschman gaat verschijnen. Mogelijk is dat in het Princeton symposium ook niet aan de orde geweest. Maar ik vond zijn levensschets wel een interessante achtergrond.”

Voor mij is dit uiteraard reden om nu dit blog over Albert O. Hirschman te brengen en even een kijkje te nemen in diens boek op books.google. Daaruit citeer ik enige passages (zonder referenties) die een indruk geven:

Man "as he really is"

[p. 13] Thus Hobbes, who based his theory of human nature on Galileo, devotes the first ten chapters of Leviathan to the nature of man before proceeding to that of the commonwealth. But it was Spinoza who reiterated, with particular sharpness and vehemence, Machiavelli's charges against the utopian thinkers of the past, this time in relation to individual human behavior. In the opening paragraph of the Tractatus politicus he attacks the philosophers who "conceive men not as they are but as they would like them to be." And this distinction between positive and normative [14] thinking appears again in the Ethics, where Spinoza opposes to those who "prefer to detest and scoff at human affects and actions" his own famous project to "consider human actions and appetites just as if I were considering lines, planes, or bodies." That man "as he really is" is the proper subject of what is today called political science continued to be asserted—sometimes almost routinely—in the eighteenth century. Vico, who had read Spinoza, followed him faithfully in this respect, if not in others. He writes in the Scienza nuova: Philosophy considers man as he ought to be and is therefore useful only to the very few who want to live in Plato's Republic and do not throw themselves into the dregs of Romulus. Legislation considers man as he is and attempts to put him to good uses in human society. Even Rousseau, whose view of human nature was far removed from those of Machiavelli and Hobbes, pays tribute to the idea by opening the Contrat social with the sentence: "Taking men as they are and the laws as they might be, I wish to investigate whether a legitimate and certain principle of government can be encountered." Nadat hij iets over Bacon’s kritiek op voorgaande filosofen had geschetst, maar ook dat die in z’n eigen tijd niet erg invloedrijk was, gaat hij verder met [23] Only modern scholarship has called attention to it in order to present Bacon in this respect as a forerunner of Spinoza and Hume, who gave the idea a far more central place in their systems. In elaborating his theory of the passions in the Ethics, Spinoza puts forth two propositions that are essential for the development of his argument:

An affect cannot be restrained nor removed unless by an opposed and stronger affect.
and
No affect can be restrained by the true knowledge of good and evil insofar as it is true, but only inso-far as it is considered as an affect.

At first sight it seems strange that Spinoza, with his metaphysical bent and his comparative lack of involvement in the life of action, should have espoused the same doctrine as Bacon. He did so in fact for quite different reasons. Nothing could have been farther from his mind than the thought that the passions could be usefully restrained and manipulated by setting one passion against the other. The passages just quoted served primarily to emphasize the strength and autonomy of the passions so that the real difficulties of attaining the final destination of Spinoza's journey in the Ethics would be fully realized. That destination is the triumph of reason and love of God over the passions, and the [24] idea of the countervailing passion functions as a mere way station leading to it. At the same time, the idea remains an integral part of the culmination of Spinoza's work, as is evident from its very last proposition: 

 . . . [we do not] delight in blessedness because we restrain our lusts; but, on the contrary, because we delight in it, therefore we are able to restrain them. The first great philosopher who gave pride of place to the idea that passions can be fought successfully only through other passions had therefore no intention whatever of translating this idea into the realm of practical moral or political engineering, even though he had a lively appreciation of such possibilities.*) Indeed, the thought does not recur in Spinoza's political works, which otherwise do not lack in practical suggestions on how to make the quirks of human nature work out to the advantage of society.  

Although Hume denounced Spinoza's philosophy as "hideous," his ideas on the passions and their relation to reason are remarkably close to Spinoza's. Hume was simply more radical in proclaiming the imperviousness of the passions to reason; "reason is, and ought only to be the slave of the passions" is one of his best known pronouncements. In view of this extreme position he was badly in need of the consoling thought that one passion can function as the counterpoise to another. [etc.]

*) As is shown, for example, by the following sentence: "By contrary affects, I understand in the following pages those which, although they may be of the same kind, draw a man in different directions; such as voluptuousness and avarice, which are both a species of love. . . ." Ethics, Part IV, Definitions.

                                              * * *

Stan Verdult

______

Albert O. Hirschman in en.wikipedia

Andrea Locatelli, The Passion and the Interest by Albert O. Hirschman [PDF]

Zie over de afbeelding van de Affectus Comprime op de cover van Hirschman's The passions and the interests dit blog

Van Youtube:
In the second annual PUP in Europe autumn lecture in honor of our European Advisory Board, Jeremy Adelman, the Walter Samuel Carpenter III Professor in Spanish Civilisation and Culture at Princeton University, gave an extremely engaging overview of his forthcoming biography of the renowned social scientist Albert Hirschman (May 2013). This event was held at St Hugh's College, University of Oxford, on Tuesday 9th October 2012.