Antoon Vloemans (1898 – 1982) schreef indrukwekkend boek over Spinoza [III beoordeling]

Degene die werk van Vloemans opnam in de Digitale Bibliografie Nederlandse Geschiedenis, gaf als typering van hem: filosoof ('spinozist') [cf.]. Het staat tussen haakjes én aanhalingstekens wat er op duidt dat het vooral als “bij wijze van spreken” of als “alsof” moet worden gelezen. Maar toch, dat staat daar niet zomaar. Er moet een aanleiding zijn zoiets te zeggen.

       

Mij viel bij lezing van zijn Spinoza, de mensch, het leven en het werk [s'-Gravenhage, Leopold, 1931] op hoe gedegen hij zich verdiept had in het werk van Spinoza. Hij is hier en daar wel kritisch en geeft commentaar op Spinoza, maar hij neemt hem zeer serieus en beschouwt hem als een groot en buitengewoon belangrijk en uiterst consequente filosoof.

Siebe Thissen geeft op zijn manier in het tweede hoofdstuk, HET GEHEIME GENOOTSCHAP VOORBIJ. 'NATUURLIJKE GODSDIENST' EN SPINOZISME, van zijn boek De Spinozisten (2000) Vloemans zijn plaatst:

“Opvallend is het feit dat Meijer, ondanks zijn wetenschappelijke staat van dienst, zelf geen nieuwe biografie van Spinoza publiceert. Die taak wordt overgelaten aan Antoon Vloemans (1898-1968), de popularisator van Spinoza in het tijdvak tussen de twee wereldoorlogen. Net zomin als Meijer en Meinsma echter speelt ook Vloemans een rol van betekenis in de gevestigde wijsbegeerte. Verhoeven wijt zijn afwezigheid in de Nederlandse canon aan het feit dat ook Vloemans' filosofie in laatste instantie een heilsleer is:

"Vooreerst wordt aan de filosofie zonder omhaal een wetenschappelijk karakter toegekend en vervolgens wordt voor haar toch als vanzelfsprekend een heel bijzondere plaats onder de wetenschappen ingeruimd zonder dat die paradoxale eis nader verklaard wordt. Die bijzondere plaats schijnt haar toe te komen vanwege haar totaal, religieus karakter waardoor zij als een echte heilsleer aanspraak maakt op wat in kringen van expressiedeskundigen 'de hele mens' genoemd wordt. Hiermee wordt een greep gedaan naar dimensies die zich allerminst voor nauwkeurige en wetenschappelijke afbakening lenen".

In zijn kloeke biografie, Spinoza, gaat Vloemans uitvoerig in op de occulte wortels van het spinozisme, al worden feit en fictie niet altijd even goed van elkaar onderscheiden. Met veel sympathie voor zijn onderwerp brengt hij Spinoza in relatie tot de leef- en denkwereld van de Rozenkruisers en de kabbalisten, maar moet hij uiteindelijk concluderen dat harde bewijzen voor een mogelijk occultisme bij Spinoza ontbreken. En trouwens, merkt Vloemans op, noemde Spinoza de kabbalisten geen 'beuzelaars die werkelijk weten vermengen met zelfbedrog'?
Ook besteedt Vloemans aandacht aan de erfgenamen van de Rozenkruisers, de vrijmetselaars, en stuit hij op de invloed van de Britse radicaal en cryptospinozist John Toland.”

Dit is een staaltje van wishful reading, want het is vooral Thissen zelf die op zoek is naar de wortels van het Spinozisme in vrijmetselarij e.d. Wel wijst hij op een bijzonderheid, die ik juist zeer sterk vind bij Vloemans. Hij behandelt wat er bekend is aan biografische feiten van Spinoza, maar behandelt die waar maar mogelijk in “de lijst van zijn tijd” (wat indertijd de geliefde zegswijze was); hij behandelt de leer van Spinoza maar bespreekt vooraf en tussendoor grote delen uit de filosofiegeschiedenis die volgens hem relevant zijn om Spinoza’s positie te kunnen begrijpen. Nergens beweert hij overigens dat Spinoza alleen maar de consequenties trok uit de leer van voorgangers: hij erkent volmondig op vele plaatsen dat Spinoza een heel eigen denken vormgeeft.

Siebe Thissen heeft nog een tekst waarin hij iets over Vloemans zegt. In zijn toespraak bij de presentatie van de vertaling van Margaret Gullan-Whur’s Spinoza. Een leven volgens de rede,

“De Spinoza-biografie van Johannes van Vloten uit 1862 is ten dele zeker ook een autobiografie van Van Vloten zelf. De spinozist Willem Meijer werd omstreeks de eeuwwisseling Meijer-Spinoza genoemd, als ware hij een neoromantisch medium waardoor Spinoza uit de dood kon worden opgewekt, om zodoende diens leven en werk suprapersoonlijk aan het publiek te presenteren. Ook in de biografieën van Antoon Vloemans en Theun de Vries zijn de hand en het karakter van de auteurs nadrukkelijk aanwezig, waardoor subject en object voortdurend met elkaar versmelten of zelfs met elkaar worden geïdentificeerd. Een hoogtepunt in dit genre is nog altijd het in 1995 verschenen Een nieuwe Spinoza, geschreven door auteur-acteur Wim Klever. Het boek lijkt op een avontuurlijke tandemtocht, waarbij soms Spinoza voorop zit en dan weer Klever het stuur overneemt indien de data hem in de steek laten.” [cf. Siebe Thissen net]

Ook hier heeft Thissen enig gelijk, maar overdrijft hij ook enigszins. Uiteraard zitten de hand van de auteur en zijn preoccupaties in zijn werk (dat geldt ook voor Thissen zelf). Nu ik Vloemans’ hoofdwerk over Spinoza gelezen heb, vind ik niet dat je kunt zeggen dat de auteur zijn hoofdpersonage voor de voeten loopt (in ieder geval niet zoals Margaret Gullan-Whur deed). Ik vind dat Vloemans heel integer z’n uiterste best heeft gedaan zijn lezers via een lezenswaardig boek de echte Spinoza voor te zetten. En vergeet niet, hij leverde pionierswerk – had alleen wat aan het werk van Freudenthal en Dunin-Borkowski.

De klassieke biografie van het vooroorlogse spinozisme
Henri Krop heeft in zijn Spinoza. Een paradoxale icoon van Nederland [2014], geen aparte paragraaf over Vloemans, maar geeft op twee plaatsen wel enige informatie over hem. Belangrijk voor mij was zijn typering van Vloemans boek als "de klassieke biografie van het vooroorlogse spinozisme." [p. 660] Dat had ik mij nog niet eerder gerealiseerd en het werd de aanleiding voor me om het boek op de kop te tikken en te lezen.

In het eerste blog citeerde ik al wat Krop meedeelde over Vloemans enigszins eigenzinnige bijdrage aan de Spinozaherdenking in 1932. Vervolgens behandelt hij Vloemans boek over Spinoza’s biografie en leer in vergelijking met het boek van Theun de Vries, die veel minder van de leer behandelde. Hij wijst erop dat beide auteurs Spinoza als volledig vervreemd van zijn joodse gemeenschap beschouwden en zonder enige binding met het jodendom (p 660).

Tenslotte neem ik de volgende passage over uit Krops Icoon-boek op p. 662:

“De vooroorlogse biograaf schreef over de amor intellectualis Dei: 'deze neo-platonistische opvatting leefde voort in de middeleeuwse verbinding van het vinculum rationis met het vinculum fidei et amoris'. In tegenstelling tot het christendom verbindt Spinoza deze elementen tot een 'organische eenheid'. 'Intellectualistisch is zijn liefde tot God gefundeerd, geestesaristocratisch is ook zijn religie' (p. 516). Hij weet `de stroom van (neoplatoons) religieus-wijsgeerig leven naar de bedding van den nieuwen tijd te leiden'. 'Rationalisme en mystiek, de twee uiterste, zijn (in zijn werk) met elkaar verzoend' (p. 525).”

Mijn beoordeling
Die laatste geeft precies weer waarom ik Vloemans boek zo boeiend vond: hij haalt er steeds flinke delen van de geschiedenis van de filosofie  bij om te laten zien wat Spinoza doet. Op veel plaatsen laat hij zien dat Spinoza erg geïnspireerd moet zijn geweest door het neo-platonisme (met uiteraard kritiek), en zich veel liet inspireren door de stoïci. Hij had kritiek op hun benadering, vond dat ze te ver gingen in het menen jezelf met je wil te kunnen sturen, maar dat mag niet uit het oog doen verliezen hoeveel hij met hen meeging.

 [Wordt in volgend blog voortgezet]

                                                                Stan Verdult