Arnold Geulincx (1624 – 1669) een pre-Spinozist?

Voor ik verder ga met een blog over Cornelis Bontekoe, student van en bezorger van het werk van Arnold Geulincx, las ik eerst een blogje in over deze Geulincx.

Er is hier en daar verwantschap tussen de leer van Spinoza en Geulincx, maar de verschillen zijn groter, doordat Geulincx een gelovige was en de vrije wil, althans wat God betreft, aanhing. Later is er over gespeculeerd dat Geulincx van Spinoza of deze van Geulincx dingen zouden hebben ontleend. De Voetiaan Carolus Tuinman (1659-1728) publiceerde in 1715 een werkje A. Geulinx Medemaat van B. de Spinoza en der Vrygeesten. Maar dat was louter speculatief. Of Geulincx en Spinoza elkaar gekend hebben en of er van beïnvloeding van elkaar sprake is geweest, daarvoor is geen evidentie gevonden. De invloed op beide moet bij Descartes gezocht worden – en bij wat er in de 17e eeuw ‘in de lucht hing’, vooral wat betreft de oplossing voor de door Descartes gescheiden lichaam en geest. Zeker is dat Spinoza niets moest hebben van het occasionalisme, waarvan Geulincx als de eerste bedenker gezien wordt – vóór Malebranche - van het van alle tijden gelijk opgaan (als klokken) van de dingen in hun uitgebreidheid en in het denken.

De meest concrete relatie tussen Spinoza en Geulincx is wellicht te vinden in de 19e eeuw, toen prof. J.P.N. Land uit gelden die overgebleven waren uit de inzameling voor het in Den Haag opgerichte en in 1880 onthulde Spinozabeeld, een uitgave van de verzamelde werken van zowel Spinoza als Geulincx bezorgde. De laatste werd toch als een soort van voorloper van Spinoza gezien.

Arnold Geulincx was geboren in Antwerpen, waar z’n vader een soort stadspostbode was. Hij bezocht in 1642 de Leuvense Universiteit aan het College De Lelie. Hij was een goede leerling en behaalde in november 1643 zijn licentiaat in filosofie. Hij werd aan hetzelfde Lelie-College ook lector en in 1652 professor in de filosofie (de Aristotelische). Hij hield van het filosofische debat, zoals blijkt uit zijn publicatie in 1653 van de in humanistische stijl geschreven Quæstiones Quod-libeticæ waarin hij op een tamelijk speelse manier via een Pantomimus de filosofen en hun relatie tot het publiek liet figureren en liet zien hoe de filosofie vol antropomorfismen zit (twee jaar later in Leiden nóg eens, nu als Saturnalia uitgegeven). Waarom het was dat hij in 1658 uit Leuven weg moest of weg wilde is niet bekend; maar misschien had het iets van doen met zijn sympathie voor het jansenisme (net als waarom eerder Franciscus van den Enden uit Leuven vertrok). Hij ging naar Leiden waar hem het jaar erop werd toegestaan in besloten kring te doceren. Hij ging er over naar het calvinisme en werd aanhanger van het Cartesianisme. In 1662 werd hij op aanbeveling van de theoloog Heidanus benoemd tot lector en in 1665 tot buitengewoon professor in de filosofie. In dat jaar publiceerde hij zijn meest typerende werk dat hij twee jaar later zelf vertaalde en bewerkte tot Van de Hooft-Deuchden. De eerste Tuchtverhandeling. Dit is later nog eens door Land en in 1986 door Cornelis Verhoeven heruitgegeven. Han van Ruler, van wie ik in de vorige impressie gebruik maakte typeert het als “an extremely original work and a landmark in early modern western philosophy.” [Hier]
Volgens Land was niet duidelijk aan welke ziekte hij jong stierf, maar Hubbeling heeft ergens opgepikt dat het door de cholera was dat hij in 1669 op 45-jarige leeftijd stierf.

Cornelis Bontekoe gaf in 1675 alle zes traktaten van zijn leermeester, deels vanuit collegedictaten, uit als Ethica, onder het pseudoniem "Philaretus."

Zoals ik al vermeldde werden er diverse vergelijkingen tussen Geulincx en Spinoza gemaakt. Ik geef hiervan de titels die ik vond.

Ÿ Hubbeling, Hubertus Gezinus (1925 - 1986), Arnold Geulincx (1624-1669): denker tussen Descartes en Spinoza. In: Amersfoortse stemmen Jaarg. 56 (1975) p. 53 t/m 60

Ÿ Hubbeling, H.G., “Arnold Geulincx, origineel vertegenwoordiger van het cartesio-spinozisme.” Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte [ANTW] Jaarg. 75 (1983) Afl. 01 (januari) p. 70 t/m 80 [een iets verdere uitwerking van het vorige artikel.]

Hubbeling schrijft dat Geulincx die zijn metafysica opbouwde op de manier van Descartes (via het cogito), vond dat eigenlijk God het fundament van de wijsbegeerte behoort te zijn en dat wij alles vanuit God moeten afleiden en stelt dan: Had hij dat laatste gedaan, dan was hij Spinoza vóórgegaan!” Dat moge zo zijn, maar Geulincx was wel vertrokken van een heel andere God. Ook opvallend vind ik dat waar Hubbeling uitvoerig aandacht geeft aan Geulincx' schrijven over dat wij niet weten hoe we een arm optillen en daaruit zijn eerste maxime formuleerde [“Waarvan gij niet weet hoe het geschiedt, daarvan zijt gij ook de dader niet.”] daarbij geen vergelijking maakt met wat Spinoza zegt: dat wij niet weten wat het lichaam allemaal vermag.

Ÿ  Thijssen-Schoute, Caroline Louise (1904 - 1961), heeft in Nederlands Cartesianisme, Amsterdam, 1954, veel over Geulincx, b.v. een paragraaf als: Descartes, Geulincx en Bontekoe verzetten zich tegen de stoicijnse leer, dat men alle hartstochten moet trachten uit te roeien, p. 176-176; en zo vele andere paragrafen.

Ÿ Samtleben, J., Geulincx, ein Vorgänger Spinozas. Inaug.-Diss, Halle, 1885

Ÿ Bernard Rousset, Geulincx entre Descartes et Spinoza. Paris, 1999. Recensie van dit werk van Louis [Wiep] van Bunge in: Studia Spinozana Jaarg. 14 (1998) p. 308 t/m 309

Ÿ Verhoeven, C. Het axioma van Geulincx, Ambo, Bilthoven, 1973, ISBN 9026302223,

Ÿ Han van Ruler, Spinoza B. De - Kennen, lijden, handelen. De erfenis van Descartes bij Geulincx en Spinoza. Delft, Eburon, 2002. 32 pp. (Mededelingen Spinozahuis nr. 82)

Ÿ Steven Nadler (Ed.), Causation in Early Modern Philosophy: Cartesianism, Occasionalism, and Preestablished Harmony, Penn. State, 1993

Ÿ  J. P. N. Land, “Arnold Geulincx and his works.” In: Mind, a quarterly review of psychology and philosophy XVI (1891): 223-242 [hier te lezen]

Geulincx heeft bijdragen gegeven aan de (herontdekking van) de logica. Daarvan getuigt

Ÿ  Nuchelmans, G., Geulincx' Containment Theory of Logic.  KNAW, 1988 | 58 pagina's

Ÿ  Anthony Uhlmann, Martin Wilson, Han Ruler (Eds.), Arnold Geulincx Ethics (Brill's Studies in Itellectual History). BRILL Leiden, 2006.

Voor wie het Italiaans machtig is vermeld ik nog:

Ÿ  Veronica Nicusanti, “L’opera di Arnold Geulincx (1624-1669). Tra cartesianismo e occasionalismo.” Isonomia 2007.
Abstract: "The article introduces Arnold Geulincx’ works reconstructing their derivation from the cartesian nova philosophia and pointing out some theoretical aspects they share with Spinoza’s thought. First of all the text examines the most widely known result of Geulincx’ elaboration of cartesianism, that is his occasionalistic doctrine of the finite beings’ causality, outlining its original features and pointing out one of the possible sources it comes from. Then the article dwells upon the Geulincx’ system section propaedeutic to his occasionalistic theory, that is his peculiar confutation of the scholastic physics and metaphysics, first effect of his youthful assimilation of Descartes’ works. Through a detailed analysis of the most significant loci of Geulincx’ Metaphysica Peripatetica, the text introduces in particular his refutation of scholastic ontology, showing the confutation of the concepts of ens, of modus entis and of trascendentalia the author develops. The analysis points out the affinities between this refutation and the one that Spinoza works out in his Cogitata Metaphysica and, at least, it underlines the assonances between Spinoza’s and Geulincx’ original ontology, at the same time as their clean differences." [PDF]

Reacties

Interessante want informatieve blog! Heb mij ook wel eens in Geulinx verdiept, maar haakte af. After all is hij metafysicus in plaats van fysicus, vond ik. Geenszins kon (kan) ik hem zien als een 'landmark in early modern philosophy'; hij is daarin niet eens een factor van enige betekenis. Hij tracht zich van het scholastieke verleden los te maken, maar het lukt hem niet.

Geulincx is in 1669 in Leiden gestorven als één van de slachtoffers van een kwaadaardige epidemische ziekte, die lange tijd ten onrechte "pest" is genoemd. In de eigen tijd sprak De le Boë Sylvius al over koortsepidemieën. Op een totale Leidse bevolking van 63.000 werden tussen juni 1669 en juni 1670 circa 40.000 zieken en circa 6.000 doden geteld.
In tegenstelling tot meestal bij epidemieën vielen nu ook slachtoffers onder de elite. Zes Leidse professoren (een derde van het Leidse professoraat), waaronder o.a. Florentius Schuyl, Coccejus, Hornius, stierven.
Voor Wim Klever: in ieder geval in de doodsoorzaak is er een verband tussen Geulincx en de door hem geïdentificeerde homunculus (Schuyl) uit brief 15 van Spinoza aan Meijer!