Berend Hakvoord (? ca. 1660 - 1730) smokkelde Spinoza 'De schole van Christus' binnen

Berend Hakvoord is grotendeels in de vergetelheid geraakt, maar mag door Spinozisten met een glimlach worden herinnerd: om de durf of de onnozelheid waarmee inzichten van Spinoza door hem in een protestantse catechismus werden verwerkt. Maar hij liep uiteindelijk tegen de lamp en werd aangeklaagd wegens vermeende onrechtzinnigheid, sterker: wegens 'klinkklare Spinozismus’.

Het provinciestadje Zwolle was eind 17e, begin 18e eeuw een brandhaard van Spinozisme. Zo vond de Kerkeraad van Zwolle Hendrik Smeek’s Krinke Kesmes (1708) maar “Spinosisterije.” Zwolle was vooral de bakermat van de Zwolse dominee Frederik van Leenhof (1647-1712) die in 1703 het sterk Spinozistisch gekleurde boekje met de titel Den hemel op aarden schreef. Zijn uitgever tevens boekverkoper aan de Grote Markt in Zwolle was Berend Hakvoord (ook Berent, Barend en ook Hakvoort). Maar dat betrof waarschijnlijk maar een bijbaan, want hij was voorzanger in de Grote Kerk en vooral was hij godsdienstonderwijzer (catechiseermeester) die de catechisanten moest inwijden in de christelijk gereformeerde leer. Daartoe had hij een handboekje over het christelijk geloof opgesteld, De Schole van Christus. Daarnaast schreef hij ook nog Den staat der kerke (1702) en eerder Gemeene Sendbrieven (1696) – een werkje met richtlijnen voor het schrijven van brieven en stukken dat een enorm succes werd en minstens wel twaalf drukken beleefde. Verder schreef hij de eerste kinderbijbel ooit: Beknopte Kinder-Bybel; Daar in Meest alle de Wegen Gods, den Staat der Kerke, en de Bybelsche geschiedenissen, op een Historische en leerzame wyze, kort en klaarlyk worden vertoond (1703).

               

De Schole van Christus werd een populair werkje, waarvan tenminste negen edities bekend zijn; de eerste – die niet bewaard is gebleven - stamt waarschijnlijk van 1685. De derde editie kwam uit bij A. Wolsgrein, in Amsterdam, in 1693. In deze editie kwamen de eerste Spinozistisch getinte passages in het boek terecht. Maar pas bij de zesde druk door B. Hakvoord te Zwolle en wed. G. de Groot te Amsterdam in 1706 uitgegeven en opgedragen aan de Zwolse burgemeesters en het stadsbestuur - het boek telde inmiddels 448 pagina´s en bestond uit zevenenzestig lessen - ontstond er beroering, daar blijkbaar iemand die Spinozistische trekken in de gaten had gekregen. Waarschijnlijk had de al eerder tegen Leenhof aangespannen zaak tot argwaan richting de uitgever geleid. Er kwam kerkelijk onderzoek.

Wie Spinozistische invloeden meent te kunnen aanwijzen, moet uiteraard wel iets van Spinoza's leer weten. Hoe de beoordelaars aan die kennis kwamen is niet duidelijk. Hoe dan ook, de classis Steenwijk vond dat ‘veele valsche en lasterlijcke stellingen zijn ontleend uyt de schriften van Spinosa’ en eiste een openbaar verbod. De classis Deventer beschuldigde Hakvoord van ‘klinkklare Spinozismus’. De Friese synode zag het boek “vol van heilloose en Spinozistische gevoelens, en spreeckwijsen” en eiste dat hij zou worden aangeklaagd en uit zijn functies gezet.

De classes van Steenwijk en Deventer zonden dossiers naar de Zwolse kerkenraad waar ze op 1 september 1707 werden voorgelezen. Hakvoord werd opgeroepen om voor de kerkenraad te verschijnen. Hakvoort betuigde daarop "dat zoo er in zijne boeken iets mogte zijn, dat van de leere der waarheid, die na de Godzaligheid is, afweek, dat hem sulx leet was en dat er dat met zijn toeleg niet was inqeraakt" en gaf verder de verzekering, dat hij niet anders wenschte te leeren nog te schrijven “…als het gene met de orthodoxie en de gronden der Geref. godsdienst in allen deele overeenkomt". Verklaarde zich bereid zoo er iets in was gevonden dat daarmede in strijd was, om het te veranderen en te verbeteren, "zoo dit op het gevoegelijkste kon verbeterd worden". Doch sprak er tevens zijn bevreemding over uit, dat het hem onbegrijpelijk voorkwam dat een boek, t.w. de Schole Christi, dat tweemaal wettig was gevisiteerd ende geapprobeert, "dat 18 jaren lang, ik zeg (zeide hij) 18 jaren lang door het geheele land, zonder eenige opspraak, in groote menigte is verkogt, dat (zoo hij berigt was) van buitenlandsche kerken overgenomen en inde Hoogduitsche tale vertaald is, en dat met groot genoegen en stigtinge zoo langen tijd van predikanten en anderen was gebruikt, dat zulk een boek op die wijze kon worden beschuldigd en veroordeeld."

Ook was het volgens hem voldoende, dat een gewoon lidmaat die een boek schrijft, daarmede kon volstaan "als hij volgens kerkenorderning dat boek liet visiteren en approberen" en ..dat het dan toch wel een weinig raar aan deed, dat men toen geen opmerkingen had gemaakt, maar dat men hem integendeel had aangemoedigd en gezegd dat hij met het drukken zoude voortvaren en hem met zijn boek had geluk gewenscht."

Hij was op hoge toon begonnen erop te wijzen dat de door de classis van Zwolle in 1685 en en die van Kampen in 1689 aangestelde kerkvisitatoren het handboek hadden onderzocht en goedgekeurd. Maar dat verweer zette geen zoden aan de dijk, daar die Spinozistische passages pas in de editie van 1693 voor het eerst waren opgedoken. Bij z’n tweede ondervraging vroeg hij de gewraakte passages aan te wijzen, die moesten bewijzen dat hij een Spinozist was.

“Na eenige deliberatie kreeg hij copie van de bezwaren die tegen hem waren ingebracht waarop hij dan verder schriftelijk zou kunnen antwoorden. In dit schriftelijk antwoord zegt hij, dat het hem, hoewel hij met aandacht het bezwaarschrift had nagegaan, niet duidelijk is, waarin hij zou hebben misdaan; nog minder waarin hij in de door de Chr. Sijnode van Overijssel uit zijne boeken aangehaalde bewijsplaatsen, van de leere der Waarheid was afgeweken, of de H. Schrift zou hebben verdraaid.

 

Als voorbeeld een  passage uit De schole van Christus (vijfde druk) die door een contemporaine lezer is gemarkeerd. De passage is ontleend aan Spinoza's Ethica, deel 1, definitie 7 (Collectie Steven de Joode)

 

En al werd er al in gesproken dat hij den klinklaren Spinosismus voorstond, dan verklaarde hij daartegenover dat hem dat onbegrijpelijk voorkwam "vermits de dirigen van Spinoza in het Latijn zijn, dat een tale is, die hij niet terdege verstaat en derhalve ook niet hebben gecopieert." Dit verweerschrift kwam in behandeling in de vergadering van 3 Januari 1708. In welke vergadering werd besloten, dat uit den kerkeraad een commissie zou worden benoemd ten einde deze aangelegenheid nader te bestudeeren.” De kerkenraad ontzegde hem het Avondmaal en verzocht de magistraat hem zijn onderwijzerschap en kerkelijke functies te ontnemen, hetgeen geschiedde.

Daarna werd Hakvoord die beroofd was van zijn inkomsten wat meewerkender, gaf toe uitdrukkingen van Spinoza te hebben overgenomen, maar beweerde dat hij niet had doorgehad dat die boosaardig en atheïstisch waren. Nu hij beter wist zwoer hij die ‘goddeloze inzichten’ van Spinoza af en toonde zich bereid de gewraakte passages uit zijn boek te verwijderen. In mei 1708 beoordeelde de kerkenraad zijn verklaring, maar meende de sancties pas na goedkeuring door de voltallige Overijsselse synode te kunnen opheffen.

Intussen was er grote onenigheid en zelfs een impasse tussen Synode en Staten van Overijssel ontstaan over de grotere affaire met Leenhof die al veel eerder dan die van Hakvoord begonnen was. Mede daardoor duurde het behoorlijk lang voor er uitsluitsel kon worden gegeven over het verdere lot van de boetvaardige Hakvoord. Intussen had de magistraat Hakvoord in 1711 weer in zijn functies gesteld. Maar het duurde nog tot maart 1714 voor het conflict met de Synode was opgelost, hij zijn verklaring kon publiceren en kon werken aan een herziene en van Spinozistische elementen gezuiverde versie van zijn ‘De schole van Christus’ die in 1722 verscheen. Intussen echter lag zijn reputatie geheel in duigen en bleef hij als aanhanger van Van Leenhof en Spinoza gezien worden tot aan zijn dood.

_________________

Bronnen

J. Geesink, “Berend Hakvoort, voorlezer en catechiseermeester te Zwolle,” in: Verslagen en Mededeelingen van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG). Tweede reeks 40e stuk – 1923, pp. 163 - 183. [Hier als PDF te downloaden]. In het bovenstaande werd hieruit ruim geciteerd.

M. R. Wielema, The March of the Libertines: Spinozists and the Dutch Reformed Church (1660-1750). Uitgeverij Verloren, 2004, p. 90-94

Jonathan Israel, Radicale verlichting. Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden, Van Wijnen, Franeker, 2005 (oorspr. 2001).  Hier vooral gebruik gemaakt van p. 459-60

Steven de Joode, “‘Duister en met reden verdagt’. Berend Hakvoord (ca. 1660-1730) en De schole van Christus,” in: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman. Jaargang 33. Stichting Jacob Campo Weyerman, 's Hertogenbosch 2010,  Deel 2, p. 137-145.
De Joode ging de bibliografische gegevens van de verschillende edities in de Nederlandse bibliotheken na. Het artikel is dit jaar gedigitaliseerd bij DBNL. Bovenstaande 2e en 3e afbeelding zijn hieruit overgenomen.

J. C. Streng, Stemme in staat: de bestuurlijke elite in de stadsrepubliek Zwolle 1579-1795. Uitgeverij Verloren, 1997 [books.google]

Willem van der Meiden, 'Zoo heerlijk eenvoudig': geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland. Uitgeverij Verloren, 2009 [books.google]

Reacties

Goed gedaan, Stan! Lezenswaardige blog.