Breviarium Spinozanum: Eén idee op twee manieren bezien

… n.l. als idee ontstaan in het attribuut denken en tevens als idee in het goddelijk Verstand...

Tot dit blog kom ik n.a.v. de reacties en discussie op een vorig blog. Ik heb nog eens nagedacht en - naast de reacties - Spinoza’s teksten nog eens op me laten inwerken en kom tot het volgende. Het is te groot voor een reactie en dus maak ik gebruik van het prerogatief van een blogger en open een nieuw blog.

Inleiding
Spinoza vond het zeer belangrijk om de mensen het denkbeeld uit hun hoofd te krijgen dat het zo was dat God de dingen en de mensen schiep door eerst te bedenken wat en hoe hij het wilde hebben en ze dan naar dat beeld te maken. Zo stelden ze de zaken volkomen verkeerd voor: alsof God als een mens was en als een menselijk maker, b.v. als een meubelmaker of architect, te werk ging.

In 1/17s had hij al betoogd dat het verstand niet tot het wezen van God behoorde. Maar hij vond het wel belangrijk om van het traditionele theologische begrip van Gods Verstand gebruik te maken, maar het dan op een heel andere plek in zijn systeem op te nemen en het een andere rol dan bij de mensen te geven.
in 1/31 konden we lezen dat het oneindige verstand (Idea Dei, of Gods Verstand) tot de genatuurde en niet tot de naturende natuur moest worden gerekend. Verstand is een modus van denken die door het attribuut Denken tot uitdrukking wordt gebracht en zonder dat attribuut niet kan bestaan, noch kan worden gedacht, lezen we in het bewijs 1/31d.

Op weg naar de menselijke geest
Als Spinoza in het tweede deel het ontstaan en de aard van de menselijke geest gaat uitleggen, herinnert hij er in 2/6c nog eens aan dat de dingen niet uit de goddelijke natuur volgen “omdat die de dingen tevoren kent,” nee, de dingen komen voort uit ‘hun eigen’ attribuut (ex suis attributis), zoals de ideeën uit het attribuut Denken. Daaraan vooraf had hij in 2/3s weer eens het foutieve idee bekritiseerd over hoe Gods ‘werkende wezen’ in elkaar steekt en werkt. "In God bestaat noodzakelijk een idee van zijn wezen, net zoals van alles wat uit dat wezen volgt" (2/3). Het is dus, nogmaals, omgekeerd dan wat de mensen vanouds dachten.

Verderop zal blijken hoe dit Idea Dei een zekere ‘voorrang’ heeft op alle andere ideeën, want daarvan de 'alomvatting' is: het idee van Gods wezen is de idee waarbinnen alle overige ideeën hun plaats vinden. Ze maken er deel van uit en vormen met z’n allen tezamen dat Idea Dei.

Dat daarop geen uitzondering kan bestaan, dat er buiten de Idea Dei niet nog een ander idee zou kunnen bestaan, bewijst hij in2/4: er is maar één zo’n idee, want er is maar één God. Hiermee – er zij en passant op gewezen -  fundeert Spinoza dat er maar één alomvattende wetenschap kan zijn.

Dat oneindige goddelijke Verstand omvat dus alle ideeën die uit Gods attribuut Denken voortvloeien. Logisch gaan de ideeën aan het gevolg (het Verstand) vooraf. Ook causaal: het formele zijn van de ideeën vindt zijn oorsprong in het attribuut Denken (2/2, 2/6) en daaruit volgt het Verstand.

De [causale én logische] orde en het verband tussen de ideeën is dezelfde als die tussen de dingen (2/7) – de bekende parallelliteits-these of eventueel de gelijkwaardigheidsthese.

De rol van het oneindig Verstand ofwel de Idea Dei
En nu komen we terecht bij het punt dat we in een aantal reacties op dat
blog onder de loep namen: over de rol van het oneindig Verstand ofwel de Idea Dei. Spinoza lijkt hier en daar een tussenstapje over te slaan en dat te bedenken aan zijn lezers over te laten; en dát maakt dus de aanleiding voor discussie en secundaire Spinoza-literatuur. Het gaat om 2/7c en 2/8c.

Op die plaatsen in zijn betoog slaat Spinoza a.h.w. via het Verstand de brug tussen de parallelle reeksen dingen en ideeën, die (ogenschijnlijk) los van elkaar tot stand lijken te komen, echter wel in hetzelfde systeem van orde en verband, maar niet op elkaar betrokken als waren het onafhankelijke reeksen (vandaar dat Leibniz met zijn parallelliteits-metafoor kon komen). Spinoza laat het Verstand die betrokkenheid tot stand brengen. Maar hoe doet hij dat? Het is het Verstand dat begrijpt dat dit ding uit het attribuut Uitgebreidheid een eenheid uitmaakt met het bijbehorende idee uit het attribuut Denken. Die eenheid bestond feitelijk (formaliter) al wel, maar bestaat nu BEGREPEN: objectief in het Verstand gevat. Er komt a.h.w. een begripssausje (concept) overheen. Maar het begrijpen (het Verstand) máákt niet het (formele) idee – dát was er al helemaal.

Doordat dit ding voorgeworpen wordt (object wordt) in het verstand, wordt het verband met dit idee dat er als bij elkaar horend al was, INGEZIEN. Dat is de rol van het Verstand: de attributieve barrière via BEGRIP te overstijgen, overbruggen.

Spinoza lijkt die ‘objectivering’, dat tot object maken van een ding van het verstand en aan dat idee in het verstand te koppelen, te formuleren alsof dan pas dat idee in en door het Verstand ontstaat. Maar dat is niet het geval. Ik zal het Spinozaïsch formuleren:

Een idee ontstaat niet doordat we iets begrijpen – we begrijpen iets, omdat we een idee hebben.

Het idee ís er en het Verstand pákt dat, concipieert dat, maakt er een concept (een samenvatting) van: een samenvatting van (formeel) idee en (objectief) ding. Het verstand is het actieve begrijpen en is niet een (passief) vermogen dat iets waarneemt. Nee, het verstand dóet iets: brengt de brug tot stand tussen de ogenschijnlijk losse, onafhankelijke attribuutresultaten (van denken en handelen).

Zo moeten we m.i. begrijpen wat Spinoza zegt in 3/7c

Dat alles wat uit de oneindige natuur formaliter volgt (= feitelijk in de realiteit ontstaat, d.w.z. dingen EN ideeën), objectief (= als verstandsobject) in dezelfde orde en verband volgt uit de Idea Dei.

Daar ontstaat dan niet een soort nieuw (n.l. 'objectief') idee – er heeft geen verdubbeling van ideeën plaats: de een formaliter en de andere objectief – nee, het ene idee krijgt door zijn positie in het Verstand (Idea Dei), waarin tegelijkertijd het ding als object in het Verstand wordt genomen z’n BEGREPEN SAMENZIJN. Dat is de rol van het verstand: het koppelen van die “twee” tot eenheid: het begrijpen dat die 'twee' - een ding en bijbehorend idee - in werkelijkheid 'een eenheid' uitmaken. Wat ze, het zij nogmaals benadrukt, al waren, alleen nu "in begrepen staat". Dat is gewonnen en kan Spinoza hierna gebruiken bij de ontwikkeling van z’n geesttheorie: geest als idee van een lichaam.

En zo moeten we m.i. ook begrijpen wat we in 2/8c lezen en wat op het eerste gezicht enigszins enigmatisch kan lijken:

Aangezien de individuele dingen alleen bestaan omdat ze in Gods attributen ingesloten zijn [Spinoza slaat hier over en neemt als al bekend aan dat het hier ook de ideeën betreft], volgt hieruit dat ze alleen een zijn als object van denken hebben, m.a.w. dat hun ideeën [*] alleen bestaan omdat de oneindige idee van God bestaat.

*] Hier legt Spinoza even het accent op het zijn van verstandsideeën, maar het zijn dezelfde ideeën die (formaliter) uit het attribuut denken gevormd zijn en, samen met alle ideeën, het Verstand vormen. Door dat weg te laten, en door het te formuleren zoals hij doet, kan het voor sommigen lijken alsof daar nieuwe ideeën (n.l. “objectieve ideeën”) geponeerd worden. Maar zo is het niet: van elk ding (in het attribuut Uitgebreidheid) is er maar één idee (in het attribuut Denken). En tegelijkertijd met dat dat idee geformeerd wordt, maakt het deel uit van het oneindige Verstand. En wat dat verstand vervolgens tot stand brengt heb ik hierboven beschreven. Wat het niet doet is: een nieuw idee maken. Het blijft gaan om één idee op twee manieren begrepen: als gevormd en als begrepen (n.l. als eenheid uitmakend met het ding).

 

P.S. hiermee laat ik mijn suggestie in een reactie op het eerdere blog dat we het onderscheid idea formaliter en idea objectivè genomen, zouden kunnen lezen als resp. het DAT- en het WAT-aspect terug. Het strookt ook niet met eerdere posities die ik innam: de inhoud van een idee behoort al geheel tot de kenmerken van het idee (als 'toekomstige' kennisinhoud van de Idea Dei) bij de vorming ervan.

Een vergissing die vaak wordt gemaakt (en die ik ook wel maakte) is dat het idea objectiva gezien wordt alsof het dan over het vaststellen van de inhoud gaat. Alsof de kennisinhoud van het idee pas zou ontstaan bij het opgenomen worden in het verstand. Wat betekent idee in dat geval nog helemaal. Men moet het concipiëren of de conceptus waarvan sprake is in 2/Def2 niet lezen als het máken van een idee maar op de manier zoals ik in dit blog toelicht: als begrijpen, vastpakken, vatten van en koppelen van idee aan gedacht ding.  

 

Reacties

Ik kan je alvast 100% volgen in je PS Stan: een res singularis, of het nu om een idee of een fysisch ding gaat, heeft altijd een "inhoud", eigenschappen.

Stan, je kunt niet accepteren dat Spinoza bij de ideeën van lichamen (de geest van dingen, zie vorig blog) onderscheid maakt tussen een formele kant, die hij toeschrijft aan het attribuut, en een inhoudelijke kant, de representatie van het lichaam, die hij toeschrijft aan de idee van God (hij zal wel moeten). Zo eenvoudig is het. Het heeft helemaal niets te maken met een idee die een oneindig verstand HEEFT, of met begrip of inzicht van een oneindig verstand.

Een terzijde. 'De idee van God' is de idee van Gods wezen en zijn attributen. Meer niet. Uit de idee van God volgen de ideeën van lichamen (de geest van de dingen) naar hun inhoudelijke kant. Deze vormen samen met de idee van God Gods oneindige verstand.

De tijd: ik werd er even wakker van en smeed het ijzer maar nu het heet is.

Stan, misschien kan het volgende beeld het makkelijker maken. Plaats naast elkaar het attribuut Uitgebreidheid, het attribuut Denken en de idee van God. Dat kan, ze zijn er alle drie 'vanaf het begin'. Een menselijk individu, evenals alle andere individuen, is, metafysisch gezien, het gezamenlijke product van deze drie. Het attribuut Uitgebreidheid is verantwoordelijk voor het lichaam, het attribuut Denken en de idee van God zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de idee van het lichaam, het attribuut Denken voor de formele kant van de idee en de idee van God voor de inhoudelijke kant (de representatie van het lichaam).

Henk, ik zou de problematiek even willen bekijken vanuit 5/40. Hoe kan je zeggen dat het oneindig verstand niets te maken heeft met begrip, als het deel van de menselijke geest dat kent (= kennis van de 2de soort, dus begrijpen), zijnde ons verstand (5/40c), een eeuwige modus van denken is, die deel uitmaakt van het oneindig verstand (5/40s)?

Henk,
ik zie dat m'n hele betoog (althans voor jou) voor niets is geweest (en voor jou had ik het voornamelijk opgezet; we hadden hier immers eerder al een e-maildiscussie over).
Je mag van mij blijven vastzitten aan je mening dat het idee in het goddelijk verstand (de idea objectiva) de representatie van het lichaam of ding is (die term komt niet van Spinoza), als je het maar niet brengt/verstaat als dat het verstand die INHOUD BEPAALT. Het verstand haalt die inhoud (die er al in zit) eruit - begrijpt dat het de ken-inhoud van dat ding is. Daar ging onze discussie over. Volgens mij wordt die inhoud uit het idee gehaald, volgens jou wordt die er dan ingestopt. Eenvoudiger kan ik ons meningsverschil niet benoemen.
Ik heb in mijn blog proberen uit te leggen waarom en hoe Spinoza (inderdaad, "hij zal wel moeten", want via de attributen heeft hij in z'n metafysica alles (de attributen) volkomen los van elkaar gezet: dat moet verbonden worden, daarvoor voert hij de Idea Dei voor in. De representatie (om jouw term over te nemen) die hij de geest van het lichaam laat zijn (dat hij kan stellen dát het de idee van het lichaam is), is om tevens en tegelijk te kunnen stellen dat ze een EENHEID vormen. Merkwaardig vind ik dat jij eraan voorbij kunt gaan dat en waarom Spinoza het intellect (dat betekent begrijpen) invoert. Daar ga jij aan voorbij. Je beweert zelfs dat het er helemaal geen rol in speelt. Hoe kun je dat beweren, waarom voert Spinoza het dan in? Het Idea Dei stelt hij gelijk aan het oneindig intellect en dat is er om te be-grijpen, om te verbinden, om die eenheid (die er in God al was) ook voor de dingen te laten zien.
Henk, ook nog even over je reactie @ 09:32. Zoals jij het brengt lijkt het een soort spelletje. Aan wat je daar zegt mankeert niets - behalve dan het begrip. Ik probeer die samenhang te begrijpen en uit te leggen. Ik merk (ook weer in deze reacties) dat jij de opzet in z'n betekenis nog niet te pakken hebt (wel de structuur, maar niet de samenhang), maar dat je naar het begrijpen ervan ook niet geïnteresseerd lijkt.

Ik eindig zoals jij begon. Henk, je kunt niet accepteren dat Spinoza het onderscheid tussen een formele kant van een idee, die hij toeschrijft aan het attribuut denken, en een "objectieve" kant ervan (de representatie van het lichaam), dat dat laatste niet de inhoud bepaalt, maar die inhoud begrijpt – aan het idea formaliter ontleent. Ga nog eens na waar je die vertaling van idea objectiva als inhoudsbepalend idee op baseert (op welke tekst van Spinoza) of vandaan hebt (van welke tekst van een scholar).

Stan, ik geef het op. Ik heb niet het minste greintje begrip voor jouw verhaal (ik kan het nauwelijks volgen) en jij niet voor dat van mij. We praten langs elkaar heen. Ik maak nog een paar losse opmerkingen en laten we verder aan onze eigen ideeën vasthouden.

1. De idea objectiva (de term is volgens mij niet van Spinoza) is de idee van het lichaam. Dat is toch kennis van het lichaam? In een of andere zin is die kennis een representatie van het lichaam.

2. Wat is dat voor onzin "het verstand haalt die inhoud eruit die er al in zit". Jij wilt maar niet begrijpen dat er in de idee van het lichaam voor zover die uit het attribuut volgt geen 'ken-inhoud" zit.
Of bedoel je dat er in modus van het attribuut Denken toch 'kennis van het lichaam" zit die er vervolgens door het verstand wordt uitgehaald? Neem me niet kwalijk, maar daar moet ik een beetje om lachen. Wat een tegenstrijdigheid in je verhaal. Het verstand/de geest haalt die inhoud er niet uit, het IS die inhoud.

3. Waarom heeft Spinoza het intellect dan ingevoerd? Dat dient toch om dingen te begrijpen? Inderdaad, als dat intellect er eenmaal is. Maar het gaat in de discussie om de totstandkoming van de menselijke geest c.q intellect. Die menselijke geest is er nog niet, er valt nog niks te begrijpen. De idee van God is er, dat is kennis van Gods wezen en zijn attributen. Die menselijke geest (of verstand) VOLGT uit de idee van God (2/7c) als 'idee van het lichaam' en maakt dan deel uit van het oneindige intellect. Pas als dat is gerealiseerd (en dan is ons verhaal al afgesloten) kan er sprake zijn van begrijpen.

4. Waar staat dat allemaal? Natuurlijk al in 2/7c, maar overduidelijk in 2/12: "Alles wat gebeurt in het object van de idee die de menselijke geest vormt, wordt waargenomen door de menselijke geest". Dat wil zeggen: daarvan is een idee in de menselijke geest. Dat is de menselijke geest voor zover hij wat jij noemt de idea objectiva is. Of denk je dat al die inhoudelijke kennis van het lichaam al besloten ligt in de modus van het attribuut Denken?

Henk, alleen nog een antwoord of reactie op jouw losse opmerkingen en dan houden we het voor gezien.
[1] klopt, die term gebruikten we in onze discussie om duidelijk te maken of we het over het idea formaliter gezien of het idea objectivè gezien, het onderscheid dat we bij Spinoza tegenkomen. Verder klopt, het is kennis van het lichaam, waarmee de geest het lichaam representeert. Daarmee benadrukt Spinoza de eenheid van lichaam en geest: het is 'één ding'.
[2] De geest/het verstand IS die inhoud - wat mij betreft te lezen als: het verstand is HET BEGRIP van die inhoud.
[3] Hieruit blijkt duidelijk dat we op verschillende nivo's zitten. Jij zit uitsluitend bij het ontstaan/zijn van de menselijke geest; ik zit vooral nog op het daaraan voorafgaande nivo. Net zoals de menselijke geest er eerst nog niet is en er nog niks te begrijpen valt, zo is het ook bij God. Pas als de idee van God er is, dat is kennis van Gods wezen en zijn attributen, valt er iets te begrijpen. Dat is de structuur van het verhaal: op beide niveaus hetzelfde. Ook bij de mens komt het idee eerst (formaliter), dan het begrijpen in het intellect. [Je verwijzing aldaar naar 2/7c moet natuurlijk 2/11c zijn?].
[4] Antwoord op je laatste vraag: "ja" (al die ideae formaliter van alle corpora simplicita, ja).

Slotconclusie: de modus van het attribuut Denken bevat informatie (kennis) van de modus van het attribuut Uitgebreidheid. Dag onafhankelijkheid van de attributen!

Ik hoop dat het besluit van deze discussie is dat "two gentlemen agree to disagree". Henk, mocht je nog eens zin en tijd hebben , antwoord je dan ook op mijn vraag over 5/40? Of vind je dat helemaal naast de kwestie?

Mark, dank voor je bijdrage. Wat mij betreft, ja: "two gentlemen agree to disagree."

Henk, toch nog even. Een 'idea' heeft altijd inhoud, verwijst naar 'kennis'. Wat is volgens jou dan een 'idea'?
Nog even over mijn antwoord op jouw laatste aandachtspunt. Voor waar ik mijn antwoord vandaan heb: zie 2/15d [Ik laat de verwijzingen weg]
"De idee die het formele zijn van de menselijke geest vormt, is de idee van het lichaam dat uit een groot aantal samengestelde individuen bestaat. Welnu, van ieder individu waaruit het lichaam is samengesteld, bestaat noodzakelijk een idee in God. De idee van het menselijk lichaam bestaat dus uit een groot aantal van zulke ideeën van de samenstellende delen." "Idee in God" is bij Spinoza altijd in het attribuut denken, niet in de Idea Dei.
Net zo kan ik wijzen op 2/9 , 2/19d, enzomeer.
Maar we hoeven dit debat niet door te zetten, want we komen elkaar waarschijnlijk niet nader.

Mark, ik probeer bij 5/40 te komen.
De discussie begon over 'de geest van het universum' van Miriam van Reijen en ging over op 'de geest van dingen' ofwel 'ideeën die verbonden zijn met lichamen'. Spinoza werkt deze gedachte uitvoerig uit voor de menselijke geest, die hij definieert als 'de idee van en verbonden met het menselijke lichaam' (2/13). Deze idee kent het menselijk lichaam, of is kennis van het menselijk lichaam (2/12).
Het lichaam is een modus van het attribuut Uitgebreidheid. Zij is verbonden met een modus van het attribuut Denken, een idee. Deze idee-modus bevat geen kennis van het lichaam, want er is geen enkele betrekking tussen de modi van de twee attributen. Spinoza noemt dit het formele zijn van de idee van het lichaam c.q. van de menselijke geest (2/5, 2/15). Waar komt dan de kennis van het lichaam vandaan in de menselijke geest c.q. de idee van het lichaam? Dat geeft Spinoza aan in 2/7c. Alles wat formeel volgt uit het attribuut Uitgebreidheid (daar beperk ik het even toe) volgt objectief uit de idee van God. Het een en hetzelfde ding volgt op twee manieren uit Gods natuur (= attributen). Het heeft een tweevoudig bestaan: een formeel bestaan als lichaam en een objectief bestaan als idee. Idee en lichaam zijn hetzelfde ding. Dat kan niet anders betekenen dan dat de idee kennis of representatie van het lichaam is. De menselijke geest heeft dus, in de constructie van Spinoza, een tweevoudig herkomst. Het woord 'intellect' is tot nu toe niet gevallen! En het gaat ook niet alleen om het intellect, en misschien gaat het helemaal niet om het intellect. Het gaat om de menselijke geest als idee, als kennis van het lichaam. Daar hoort zeker de imaginatio bij. Het zou best eens kunnen zijn dat het intellect daar niet bij behoort, dat het intellect zich voordoet bij een bepaalde perfectie van de idee van het lichaam, maar zelf niet een idee van het lichaam is. Dat zou je tenminste denken als je leest dat het intellect het eeuwige deel van de menselijke geest is (5/40c). Dus als het intellect een eeuwige modus van denken is, zoals 5/40c zegt, heeft het niet van doen met het ontstaan van de metafysische structuur van de menselijke geest en speelt het daarin geen rol. Dat is tenminste wat ik er bij kan bedenken. Laat even weten of dit een bevredigend antwoord is op je vraag.

Stan, hoe kom je erbij dat een 'idee in God' altijd in het attribuut is? Waar heb je dat vandaan? Een 'idee in God' is (volgt uit) naar de formele kant in het attribuut en naar de inhoudelijke kant in (volgt uit) de idea Dei. Ik ga nu Studio Sport kijken, hoewel Vitesse al geweest is.

Bedankt Henk, zeer interessante gedachtegang, vooral je suggestie dat het intellect mogelijk niet een (deel)idee van het lichaam is. Doet me wat denken aan een artikel van Eric Schliesser, waarin hij stelde dat we in Spinoza's constructie na de vernietiging van het lichaam, engelen worden, a.h.w. Geest zonder lichaam. Ik ga je redenering nog eens goed uitvlooien, en kom er mogelijk op terug.

[Het lichaam heeft een tweevoudig bestaan: een formeel bestaan als lichaam en een objectief bestaan als idee. Idee en lichaam zijn hetzelfde ding. Dat kan niet anders betekenen dan dat de idee kennis of representatie van het lichaam is.] Is dit laatste zo?

De idee (idee secunda) is geen representatie van het lichaam, het creëert het lichaam als idee los van het levende formele lichaam in de uitgebreidheid. De idee presenteert zelfstandig iets nieuw, zij representeert niet wat al ergens zou zijn in de uitgebreidheid. Als iets het lichaam echt representeert is het de affectiones die tenvolle lichamelijk zijn, en verward gekend in de imaginatio (of de idee prima).

[Het zou best eens kunnen zijn dat het intellect daar niet bij behoort, dat het intellect zich voordoet bij een bepaalde perfectie van de idee van het lichaam, maar zelf niet een idee van het lichaam is.] Is de perfectie van de idee van het lichaam dan de verschuiving van idee prima via idee secunda naar de idee tertia? (Ik gebruik deze laatste aanduidingen omdat ze al gebruikt zijn op het blog.)

Of is dit naast de kwestie?

Ed, iets nauwkeuriger: niet een lichaam maar een ding heeft een tweevoudig bestaan: formeel (een lichaam) en objectief (een idee). Als lichaam en idee hetzelfde ding zijn, hoe kan de idee dan niet een representatie van het lichaam zijn?

De idee secunda (term Stan, meen ik) is de idee van een idee en creëert geen 'lichaam als idee'.

Een zekere perfectie van de idee van het lichaam (gekoppeld aan de perfectie van het lichaam) maakt het intellect mogelijk. Heeft niets met secunda en tertia te maken. Het is wel zo dat het intellect moeilijk denkbaar is zonder bewustzijn. Daar zorgt, in Spinoza's theorie, de idee van de idee voor.

Dus, Mark, bij het ontstaan van de menselijke geest speelt het (eeuwige) intellect geen enkele rol. Metafysisch niet (behalve dat de geest voor een deel volgt uit de idee van God) en ook niet in de wereld van de singuliere dingen. Met de geboorte van een nieuwe menselijke geest heeft het intellect niets van doen

Met aandacht heb ik de recente blogdiscussie gevolgd.
Voor mij ging (gaat) die over de over de aard van de idee van God en de idee van de mens enerzijds en een idee als resultaat van het attribuut denken anderzijds.

Ik denk er zo over:

De mens heeft drie idee-aspecten in zich: de idee van de goddelijke essentie (Idea Dei), die zich doorzet als de conatus, en de idee van het lichaam (Idea). Deze twee heeft de mens gemeen met al alle enkelvoudige dingen en komen voort uit het attribuut denken. Het derde, en unieke menselijke aspect is het reflectieve denkvermogen (de geest) de idea ideae. Alleen in de mens is de idee van het lichaam ook de geest. Deze geest worstelt zich door onjuiste voorstellingen heen tot hij een bewust deel is geworden van de goddelijke geest. In dit reflectieve denkvermogen ligt zijn oneindige bewuste bestaan in God. Hoe adequater dit vermogen werkt, des te meer blijft er bewust bestaan na de dood.

Het onderscheid tussen de beide attributen uitgebreidheid en denken is er alleen analytisch: beide zijn in de substantie en de modi onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het ligt er maar aan waar je naar kijkt.
Met al wat bestaat heeft de mens daarom de Idea Dei en de idea gemeen: het attribuut denken, dat zich in die modi die niet beschikken over een idea ideae, manifesteert als het vermogen te reageren op hun omgeving. Zij zijn animata dankzij hun idea en goddelijke essentie. Dit vermogen is echter alleen vanuit het menselijke perspectief gezien, onbewust.

Adèle, dank voor je interessante reactie.
Ik heb slechts de behoefte om één kanttekening te plaatsen: de Idea Dei is niet een idee die wij kunnen hebben. Spinoza stelt aan het eind van het bewijs van 2/3 waarin hij de Idea Dei poneert, uitdrukkelijk: "Een dergelijk idee is noodzakelijk en is (volgens stelling 15 van dl. 1) uitsluitend in God." Wij zullen dat idee dus niet in ons aantreffen - daarvoor is het te groot, alle attributen omvattend. Maar, zoals je hier hebt kunnen volgen: de Idea Dei speelt een belangrijke rol, n.l. het maken dat elk idee dat formeel bij een ding hoort, het objectieve (inhoudelijke, representatieve) idee van dat ding is. Maar dat Idea Dei kunnen wij niet zelf hebben (alleen weten dat het er is volgens 2/3).
Verder vindt je reactie een interessante inhoudelijke bijdrage aan het begrijpen van de Ethica. Dank.

De voorstelling van God als de werkende natuur is een menselijke voorstelling. We geven dat een naam juist omdat we de werkende natuur in alles terugvinden, hoewel we niet weten hoe de natuur precies werkt. De kennis ontbreekt. Spinoza stelt een kennisleer op.
De dingen en de bijzondere dingen ervaren we zintuigelijk fenomenologisch onderscheiden werkend. In het dagelijks leven letten we vooral op onderscheid. We interpreteren dat gebeurlijke met onze hersenen psychologisch. We maken er een verband van.
De natuurkundige wetenschap doet dat met behulp van de wiskunde en geavanceerde instrumenten en experimenten. Ze kan zo het natuurlijk gedrag van de naturende Natuur, de werking of werkelijkheid van de Natuur beschrijven met natuurconstanten in natuurwetten. Wij ontlenen op die methodische wijze adequate kennis van de werkende natuur. We halen dat uit alle dingen ook uit onze eigen chemie en kenmerkende eigenschappen.
De concrete sensorische zintuigelijke input komt ook bij ons hoofdzakelijk door ons ingewikkeld ontwikkeld hersenwerk in onze motoriek tot uitdrukking. Ons denkwerk lijkt zich zonder inspanning onbewust te kunnen uiten. Ik ervaar dat als hoe ik de wereld en de dingen met mijn denken waarneem. De lichamelijk arbeid die daar voor nodig is om te leven heb ik dan even tussen haakje gezet; juist omdat dat vanzelfsprekend lijkt. De (neuro)psychologen laten zien dat elk 'levend' wezen dat doet, omdat we ons daarmee kunnen richten, concentreren, op de wijzigingen, het dynamische, in onze voorstelling van de wereld. We passen ons aan ofwel we doen zo kennis op van de wereld op zodat we ons makkelijk kunnen bewegen en door verkenning extern kennis opdoen.
Spinoza koppelt dat lichamelijke wat even tussen haakjes was gezet in zijn methode, in Ethica 5, bewust aan dat geestelijk voordelig gedrag en zegt dan dat we dan pas zullen ontdekken dat we met de wereld constant communicerend verbonden zijn. We ervaren de wereld dan in ons volle bewustzijn in de adequate verstandsverhoudingen. We zijn dan beter in staat om op een bewuste wijze samen te werken, positief en veel adequater dan voorheen. De hiërarchie vormt door deze denkwijziging geen belemmering meer, want alles werkt naar dat natuurlijk communicerend werkende principe . Onze onbewuste acties kunnen we dan beter in dat door hem gemoderniseerde verstandige bewustzijnsverband beter begrijpen en leren te besturen en toepassen. Daar vloeit pas inhoudelijk vooruitgang welzijn en welstand of wederzijds begrip uit voort. De hiërarchische of bovennatuurlijke God komt in zijn methodisch denken en zijn niet meer voor. God is opgelost in zijn wijsbegeerte. dat dit moeilijk te aanvaarden was voor theologen en metafysici lijkt me duidelijk. Het staat in Ethica 5 niet eenvoudig, dialectisch, deductief en begrijpelijk inductief, in Ethica 5 maar voor die tijd prachtig uitgelegd.

Stan,
In de mens bevindt zich, zoals in alles, een kern van goddelijke essentie. Dus ook de daarmee verbonden goddelijke idee. De Ene is niet minder aanwezig in een enkelvoudig ding dan in het totaal. Substantie, en haar essentie, zijn namelijk ondeelbaar.

Adèle,
Mag ik jouw in drie zinnen samengevatte opvatting dat ook in ons een idee van hoe mooi de Natuur werkt of zoals we het ook wel intuïtief uitdrukken goddelijk hieronder zo verwoorden? Want dan snap ik je.

Spinoza trekt de conclusie uit de beschouwing van het gedrag van de mensen in Ethica 3 en 4 dat we ons denken richten op wat ons voordeel verschaft in ons leven m.b.t. ons voortbestaan. Hij vraagt ons om dat niet ieder voor zich te doen maar meer adequaat in gezamenlijk overleg te doen en in die zin meer communicatief samen te werken. Hij heeft de overtuiging omdat we zelf natuurlijke wezens zijn - uit de naturende natuur zijn voortgekomen en uit haar chemie bestaan - dat we eigenlijk allemaal in essentie naar beter functionerende menselijke verbanden streven. Zijn kennisleer maakt, ondanks het in zijn tijd gebrek aan neurologische kennis, al duidelijk dat je dat met natuurwetmatige kennis en met psychologisch begrip, met verenigde kracht tot positieve resultaten kunt komen (Ethica 5). Hij wil de mensen bewust maken van deze verstandige natuurlijke gang van zaken, van zijn adequate idee ofwel objectieve voorstellingen van de werkelijkheid die we subjectief gewaarworden maar van nature gevoelsmatig voor waar nemen. Het leidt tot verstandige wetenschappelijke denkwijzen en ethisch gedrag. Bovennatuurlijke opvattingen zijn voor hem daarmee in strijd en moeten de gemeenschap niet besturen of leiden.