Carel Peeters in VN mild over Maarten van Buurens Spinozaboek

Carel Peeters drijft wat over de oppervlakte en gaat niet de diepte in bij zijn bespreking van Maarten van Buuren’s Spinoza. Vijf wegen naar de vrijheid [Ambo / Anthos, 2016]. Gisteren verscheen zijn bespreking op de website van Vrij Nederland onder de titel “Spinoza of: eigen meester, niemands knecht,” waarmee hij de omschrijving van Van Buuren van sui juris overneemt.

      Peeters mijmert wat over de Spinoza zoals hij hem al eerder heeft leren kennen en haalt daar wat uit Van Buurens boek bij. Hij lijkt zich een beetje te hebben laten imponeren door Van Buurens aankondiging dat hij “het semantisch veld” in kaart zal brengen van “de verschuivende betekenissen” die Spinoza aan tot aan de 17e eeuw gebruikelijke filosofische begrippen geeft. De misvormingen die Van Buuren zelf vervolgens weer aanbrengt, vallen de recensent niet op. Het is een bespreking voor een algemeen publiek die waarschijnlijk daarom wat oppervlakkig blijft. Z’n enige kritiek is dat hij zich afvraagt of Van Buurens ondertitel ‘Vijf wegen naar vrijheid’ de lading wel dekt. Kortom, Peeters is nogal mild.

Reacties

Uit het verslag van Carl Peeters over God:
“… de opmerkelijke rol van God. Goed beschouwd zijn we tijdens het lezen van deze passages in de Ethica aan het toneelspelen, onder één hoedje met Spinoza. Het is doen alsof. Die liefde voor God die hier betoond wordt laat zich moeilijk verenigen met de mathematische nuchterheid van de rest van de Ethica, (…). Het komt er op neer dat we zoiets abstracts als de universele natuurwetten moeten liefhebben, want daar staat Spinoza’s God voor.”

Het is doen alsof?
God is bij Spinoza naast de substantie nog meer de constructieve kracht van de ‘idee van de idee’ door de rede. De adequate idee - veroorzaakt in de act van het denken - verbindt eindigheid met oneindigheid en het ‘ik’ met het ‘ik-loze’.
E1,18: ‘God is de inwonende en niet de uitwendige oorzaak aller dingen’ en ‘Al wat is, is in God en moet uit God worden begrepen’ geeft dat elke adequate idee de uitdrukking van God is. Dit is helemaal geen toneelspelen!
E5,14: ‘De Geest kan bewerken, dat alle lichaamsaandoeningen, of beelden der dingen, op de idee van God betrekking hebben.’
E5,29: ‘… de Geest begrijpt doordat hij het wezen daarvan onder het gezichtspunt der eeuwigheid opvat.’
E5,30: ‘Voorzoover onze Geest zich zelf en het lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid kent, heeft hij noodzakelijk eene kennis Gods, en weet, dat hij in God is en door (uit) God begrepen wordt.’

Iets abstract liefhebben? De ‘idee van de idee’ liefhebben is de boodschap!
“Daarmee komen we bijna uit op iets niet bestaands als een ‘rationele God’” schrijft Peeters vergetend dat dit de immanente God is.

Ed, wat jij allemaal denkt bij "de constructieve kracht van de ‘idee van de idee’ door de rede" is mij onduidelijk.
Ik heb niet zo'n boodschap aan "de ‘idee van de idee’ liefhebben". Jij zet er een uitroepteken achter, maar ik kan daar helemaal niets mee.

Eerlijk? Is dat jou onduidelijk? Laat ik een poging doen te verduidelijken hoe ik het zie.
Denkend en handelend in het leven staan vanuit het tweede weten vraagt eerst de constructie van het adequate of de 'idee van de idee'.(E5,38) Dit denkend in elkaar steken (construeren) is toch de 'Methode' die Spinoza eerst uitlegt in zijn 'Verhandeling ter verbetering van het verstand'. De 'definitie' of het 'definiëren' via essentie en naaste oorzaken omschrijf ik als construeren of opbouw. Spinoza geeft de voorbeelden van dergelijke opbouw in de gedachte van de driehoek en de cirkel.
In de Ethica is de ‘Methode’ meer verbonden met wat Spinoza God noemt. E1,15: ‘Al wat is, is in God en niets is zonder God bestaanbaar noch denkbaar.’
Denkbaar! Dit verbindt de constructieve opbouwende kracht van het denken in de ‘idee van de idee’ met God.
Idee van de idee = constructieve kracht = God.

Stan, dit meningsverschil hebben we al gehad. Jullie (jij en Henk) begrepen de ‘idee van de idee’ alleen als ‘weten dat je weet’.
Ik volg Adrie Hoogendoorn waar die zegt dat de ‘idee van de idee’ het overdenken is van het eerste weten en overgaat naar het tweede weten. Je wikt en weegt, je beoordeelt die eerste spontane doxa gedachten die je van alle kanten worden ingegeven en komt zodoende tot een ‘adequate ideeën’. (Maar je hele leven zal wel blijven bestaan in die mix van eerste en tweede weten. Uitzonderlijk ga je over naar het intuïtieve.)

E1,25: ‘God is niet slechts de werkende oorzaak van het bestaan, maar ook van het wezen der dingen.’
Een adequaat idee heeft het wezen van wat het uitdrukt in zich en is zo verbonden met God.
E5,25: ‘Het hoogste streven en de hoogste deugd van de Geest is de dingen te begrijpen met de derde soort van kennis.’ Die zie ik niet als iets mystiek maar een doorgedreven en intuïtieve vaardigheid van het construeren van de ‘idee van de idee’. Een automatisme dat uitmondt in intuïtie.
E5, 26 – 27 – 28 – 29 – 30 en 31 lees ik op die manier.

En de liefde tot God lees ik als gevolg hieruit als de liefde naar adequaat denken en handelen.

Stan, kan je hier iets mee?

Stan, nog een kleine verduidelijking.

E2,29: “Een voorstelling van een voorstelling van welke inwerking op het menselijk lichaam sluit geen adequate kennis van de menselijke Geest in zich.” eindigt met “zo dikwijls hij innerlijk, d.i. daardoor dat hij meer dingen tegelijk en op één ogenblik beschouwt, er toe wordt gebracht het overeenkomstige, het verschillende en het tegengestelde erin te verstaan. Want zo vaak hij op deze en gene wijze innerlijk daartoe gebracht wordt, beschouwt hij de dingen helder en duidelijk, zoals ik verderop zal aantonen.”
E2,32: “Alle ideeën zijn waar, voor zover men ze tot God in betrekking brengt.”
Samen gelezen versta ik dat men het wikken en wegen van E2,29 voltrekt overeenkomstig de ‘Methode’ uitgelegd in &38 van de ‘Korte verhandeling ter verbetering ter verstand’. “En daaruit moge blijken dat de methode niets anders is dan reflexieve kennis, dat wil zeggen, een idee van een idee.”
Zoals de definitie de drie hoeken van een driehoek samen 180° geven een eeuwige en buiten mij om bestaande waarheid is brengt deze definitie haar in betrekking tot God.

Ed, ik heb je twee reacties nu enige malen gelezen en heb het gevoel dat bij jou door elkaar lijken te lopen a) een subjectief, actief element ["Je wikt en weegt, je beoordeelt die eerste spontane doxa gedachten die je van alle kanten worden ingegeven en komt zodoende tot een ‘adequate ideeën’] en b) een zeker automatisme [het overkomt je, je ziet het, het gebeurt in je]
Een voorbeeld:
Achtereenvolgens lees ik over "vaardigheid van het construeren van de ‘idee van de idee’." Dat 'construeren' líjkt de taal van een actieve daad, maar meteen erop volgt dat het is: "Een automatisme..."
Dat door elkaar lopen van 'doen' en 'ervaren/gedaan-worden', naast je makkelijk door de diverse werken en delen van de Ethica heen shoppen, maakt dat je verhaal niet simpel wordt en moeilijk te volgen is - voor mij dan.

Ja, ik leg het blijkbaar niet goed uit.
Dat 'automatisme' zie ik hetzelfde als het intuïtieve en is wanneer je zo handig bent in de constructie van de ‘idee van de idee’ dat dit gewoon ‘gebeurt’. Zoals een geoefend grootmeester schaken in één oogopslag een stellig kan ‘inschatten’. En hij kan dat alleen omdat hij reeds duizenden partijen bestudeerd en gespeeld heeft.
“Dat 'construeren' líjkt de taal van een actieve daad, maar meteen erop volgt dat het is: "Een automatisme..." moet je vergelijken met dat schaken.
Wat jij aangeeft met
'a) een subjectief...' zie ik als met de rede denken, verstandelijke reflexie in het tweede weten.
'b) een zeker automatisme...' kan je nog beter even weglaten.
De samenhang tussen de geciteerde stellingen vraagt idd meer uitleg.

(Toch vind ik het vreemd dat jij dat zo moeilijk begrijpt. Ik type bijna letterlijk blz 169/171 van ‘Adrie Hoogendoorn - Uitleg van de Ethica’ over, weliswaar in mijn woorden. Ook in onze vroegere wisselingen hierover typte ik letterlijk vanuit dat boek en niemand begreep me. Vreemd. Misschien nog iets voor een ander blog. Toch bedankt.)