Catalogus scriptorum Anti-spinozanorum [2]

De reactie van dr. Winfried Schröder op het vorige blog over de Catalogus scriptorum Anti-spinozanorum, helderde veel op, maar leidt ook weer tot nieuwe vragen. Hij verwees o.a. naar zijn Spinoza in der deutschen Frühaufklärung [Würzburg, Königshausen & Neumann, 1987], maar dat heb ik niet bij de hand en het is op internet niet te vinden.

Wel wordt het boek waar volgens Schröder deze Catalogus een deel van zou zijn door books.google aangereikt: Gottlob Friedrich Jenichen, Historia Spinozismi Leenhofiani publica in Belgio auctoritate novissme damnati ex authenticis documentis collecta. Lipsiae, Klosius, Johannes Herebordus, 1707. Het exemplaar van de KB werd gedigitaliseerd.

Daarin komen echter de woorden Catalogus scriptorum Anti-spinozanorum niet voor. Wel ontdekte ik (eerlijk gezegd op weg geholpen door de Duitse Spinoza-bibliografie) dat van p. 52-73 een bibliografie van “Schriften gegen Spinoza” wordt gegeven. Dat deel wordt ingeleid door een

Scholium:
Quam exosae fuerint Spinozae Hypotheses, tum in Tractatu sui Theologico-Politico, tum in Operibus suis Posthumis ab ipso non sine dolo hinc inde jactae, Viris in Belgio, Anglia & Germania summis & veritatis amantibus, id ex numero tot scriptorum constat, quae Spinozae scriptis spinosissimis magno zelo conatuque fuere opposita.

[Vertaling*:] "Hoe weerzinwekkend, in de ogen van hoogstaande en waarheidslievende mannen uit Nederland, Engeland en Duitsland, en niet zonder arglist door de auteur zelf gepresenteerd de stellingen van Spinoza zijn, zowel in zijn Tractatus theologico-politicus als in zijn Opera posthuma, wordt wel bevestigd door het aantal van zovele geschriften, die zich met grote ijver en inzet tegen de meest spinozistische geschriften van Spinoza hebben gekeerd."

Het moet dan een ander zijn geweest die dit heeft samengevat in: Catalogus scriptorum Anti-spinozanorum. Dan betreft het dus eerder een typering door derden dan een eigen naam. Dan wordt ook begrijpelijk dat deze niet bij J. Israel is te vinden. Israel heeft uiteraard wel uitgebreide informatie over Jenichen. Hij vertelt ook dat diens werk in de Acta Eruditorum van 1707 meteen is besproken en er zo meer ruchtbaarheid aan werd gegeven. Hij schrijft: “De bespreking in de Acta beschrijft de opwinding in de Nederlanden en geeft een opsomming van een aantal gepubliceerde weerleggingen van Van Leenhof, waaronder die van D’Outrein, Sluiter, Burmannus, Bomble, Van den Honert en Creigton.” (Radicale Verlichting p. 467)

Is het dan misschien zo dat die typering als Catalogus scriptorum Anti-spinozanorum door iemand in de Acta werd gegeven? Of nog weer door iemand anders elders? Als het een wellicht treffend samenvattende typering is die van buitenaf aan een deel van het boek van Jenichen werd gegeven, kun je toch weer een beetje twijfelen over het “echt bestaan” van die Catalogus…

___________

*) Mijn aanvankelijke vertaalpoging is door Rob van der Hoeden op enige punten verbeterd; waarvoor ik hem dank.

Zie eerder blog van 20 dec 2013 "Gottlob Friedrich Jenichen (1680-1735) bezocht Colerus om over Spinoza te spreken" 

__________

             

Aanvulling n.a.v.de reactie van dr. Winfried Schröder.

Het blijkt dat de anonieme Unschuldige Nachrichten von alten und neuen theologischen Sachen [1710] gedigitaliseerd staat bij de Bayerische StaatsBibliothek [Cf.]

                   

En door de pagina-aanduidingen die de heer Schröder gaf, waren de bladzijden (p. 388-89 en de index op p. 967) snel gevonden. Die pagina's haal ik hier naar binnen, zodat we allen kunnen zien waar voor het eerst (jammer genoeg anoniem) de omschrijving Catalogus scriptorum Anti-spinozanorum gegeven werd.


         

 

Met dank aan de heer Winfried Schröder voor het wijzen door het doolhof in deze kwestie, die wat mij betreft hiermee volledig is opgelost. Wel is er weer een nieuw raadseltje ontstaan. Het is duidelijk te zien dat in dit werk, dat de oorsprong van de omschrijving van het werk van Jennichen zou zijn, heeft (en zo citeerde de heer Schröder het ook):

scriptorum Anti-spinozianorum. Dus óf er is nog een andere bron, óf iemand die dit van hieruit verder heeft gebracht, heeft het foutief geciteerd. En dát zou dan mogelijk de bron geweest zijn van zowel Beiser als jaren eerder Vloemans, die allebei en onafhankelijk van elkaar hebben: Catalogus scriptorum Anti-spinozanorum.

Het is inmiddels meer en meer een inutilis scientia Spinozana, maar toch...

 

Reacties

Leenhof’s bibliografie wordt „Catalogus Scriptorum Anti-Spinozianorum“ genoemd door de (vorige blog) gemelde anonieme auteur van de „Unschuldige Nachrichten von alten und neuen theologischen Sachen“ (1710) p.388f., die „den Catalogus Scriptorum Anti-Spinozianorum, welchen Herr M. [= Magister; W.S.] Jänichen in seinem Spinozismo Leenhofiano ... col|ligiret“ vermeldt („Catalogus Scriptorum Anti-Spinozianorum“ ook in het „Register“, p.967).

Winfried Schröder (momenteel ver van zijn boekenkast, waar Jenichen’s HISTORIA staat)

Nogmaals, heer Schröder, zeer bedankt voor uw precieze informatie. Ik heb er het blog mee uitgebreid. En moet aan het eind constateren, dat er weer een nieuw raadseltje is ontstaan.