Christian Kortholt (1633-1694) zag Spinoza als 'impostor omnium maximum'

ofwel: de grootste bedrieger van allemaal…
In het verlengde van het vorige blog over The Atheist's Bible, even een apart blogje gewijd aan
Christian Kortholt.

Christian KortholtGeboren in 1633 in Bergen auf Femern, op het Duitse eiland van Sleeswijk Holstein in de Oostzee; studeerde theologie in Rostock, Jena, Leipzig en Wittenberg, werd in 1662 hoogleraar Grieks in Rostock en in 1665 hoogleraar in de theologie en prokanselier in Kiel, welke universiteit hij met een feestrede mede opende en waar hij als rector magnificus, een functie die hij vijfmaal bekleedde, in 1694 stierf. Kortholt was er een geliefde docent (wat blijkt uit de snelle daling van het aantal studenten na zijn dood) en behoorde tot de bekendste theologen van de 17e eeuw, maar is in de vergetelheid geraakt. Hij wordt beschouwd als de pionier van het piëtisme in Sleeswijk Holstein, een van de twee stromingen (naast die der Verlichting) die na het einde van de dertigjarige oorlog naast de evangelische orthodoxie ontstonden en die grote invloed op de protestantse kerk en de maatschappij kregen. Korthof stelde zich scherp op tegen de Verlichting, maar hoewel niet heel duidelijk is wat zijn eigen positie precies was, is wel duidelijk dat hij grote invloed uitoefende op de verbreiding van het piëtisme. Hij schreef vele, vooral kerkhistorische, werken, waaronder De persecutionibus ecclesiae primaevae [Kiel 1689], Paganus obtrectator etc, [Kiel, 1698].

gedigitaliseerd exemplaar Universiteit Gent 

Voor Spinozisten is hij vooral de auteur van De tribus magnis impostoribus liber [J. Reumannus, Kiel, 1680],

dat – hoe opmerkelijk weer – in de Duitse wiki niet eens wordt vermeld! 

Hierna de tweede uitgave, verzorgd door Sebastian Kortholt [Hamburg, 1701] 

                

Edoardus/Edouard Herbert (Herbert van Cherbury), Thomas Hobbes en Benedictus Spinosa wijst Kortholt aan als dé grote bedriegers, de aartsbedriegers van het christendom en van de maatschappij, waarbij Spinoza de andere twee veruit overschaduwde: hij was de “impostor omnium maximum” en kon beter Maledictus genoemd worden.

Wel mooi is hier te citeren wat K.O. Meinsma in Spinoza en zijn kring: historisch-kritische studiën over Hollandsche vrijgeesten (1896) schreef: “Hoe viel Spinoza's leven met die voorstelling te rijmen? Had hij niet gedronken, gevloekt, zijne vrienden bedrogen en bestolen, en dergelijke meer, zooals toch immers — naar men geloofde — de gewoonte is bij vrijgeesten? Was hij niet — zooals ook bij „atheïsten" gewoon is — gestorven in schrik en angst, misschien met hulp van maankopsap of vergif? Ziedaar vragen, waarop men vooreerst een antwoord zocht.

Toen dus in 1698 of '99 de Duitscher Sebastiaan Kortholt — een zoon van dien Christiaan Kortholt, die Spinoza, zonder eenige kennis van zijn leven, slechts op grond van zijn Theologisch-Politiek Vertoog, een der „drie grootste bedriegers der wereld" gescholden had — naar Holland kwam en eenigen tijd in den Haag vertoefde, waren dit de vragen, waarmede hij zich tot Van der Spyck, Spinoza's voormaligen huisheer, wendde. En de antwoorden van den Haagschen schilder bevielen hem slechts matig, wijl deze — zooals uit alles wat wij weten, duidelijk blijkt — een man was van beproefde trouw, die het aandenken aan zijn gestorven huisgenoot in hooge eere hield, en niets vertelde, dat hij niet geheel kon verantwoorden. Dus sprak hij slechts over de laatste levensjaren van den Joodschen denker, want over diens vroeger leven wist hij weinig. Kortholt zond zijne aanteekeningen in het licht in de inleiding bij den herdruk van zijn vader's boek „de tribus Impostoribus magnis”, in het jaar 1700 te Kiel verschenen. Daaronder zijn twee of drie mededeelingen, welke ons niet van meer betrouwbaren kant bevestigd worden, en welke toch, zoo zij geloofwaardig zijn, van belang te achten zijn.”[p. X-XI - archive.org]
[NB, die herdruk verscheen in 1701 en niet in Kiel, maar Hamburg]

Eerder dus dan Colerus was deze zoon van Christian Kortholt, Sebastiaan, al eens bij Spinoza's huisbaas van Van der Spyck langs geweest om informatie over het leven van Spinoza in te winnen. Freudenthal, en in navolging Carl Gebhardt en Manfred Walther namen dan ook de korte levensschets (mét zeer negatief commentaar) die Sebastiaan Kortholt bij de heruitgave van zijn vaders boek in 1701 had geschreven, in de Lebensbeschreibungen und Dokumente op

_______________

Afbeelding van Christian Kortholt van hier. Verder info van hier en hier.

De kwalificatie 'impostor omnium maximum' heeft Jonathan Israel blijkbaar in De tribus magnis impostoribus aangetroffen. Hij vermeldt het in Verlichting onder vuur op blz 211. Ik heb het er niet in kunnen vinden met google's zoekfunctie, wat niet wil zeggen dat het er niet in zou staan. 

Reacties

Ter info meld ik hier twee van Sebastiaan's mededelingen die mij wel altijd hebben getroffen: 1) "Politici nomen affectabat" (hij wilde politiek naam maken); 2) "Se tamen professus est Christianum" (hij bekende toch dat hij christen was).
Er zitten nog veel meer interessante en zeer intrigerende opmerkingen in het sympathieke en nogal verwaarloosde levensverhaal van Spinoza, zoals bv de vermelding van Bontekoe in Spinoza's omgeving!

Sebastian meldde slechts dat Bontekoe aanwezig was bij de verkoop van boeken uit Spinoza's nalatenschap.
Blijkbaar wordt Korthof niet echt serieus genomen.
In een van mijn besprekingen van "The Continuum Companion to Spinoza", heb ik opgemerkt het merkwaardig te vindenom in het hfst “Life”, samengesteld door Jeroen van de Ven, bij elk jaar van 1673 t/m 1676 als locatie te lezen “Stille Veerkade or Paviljoensgracht.” Dit geeft nog eens duidelijk een signaal af dat we nergens gedocumenteerd vinden wanneer precies Spinoza van de Stille Veerkade naar de Paviljoensgracht verhuisde.
Maar in Sebastian Kortholt's levensbericht is te lezen: "Als der Philosoph nämlich sein 44. Jahr überschritten und kaum sechs Jahre bei dem erwähnten Maler zugebracht hatte, began er, durch die nächtliche Arbeit entkräftet , zu kränkeln."

Als Spinoza half febr. 1671 van Voorburg naar Den Haag trok, moet hij slechts heel kort bij de weduwe aan de Stille Veerkade geweest zijn en de langste tijd bij Hendrik van der Spijck aan de Paviljoensgracht hebben gewoond. Welke reden kan er zijn om aan deze mededeling van Korthof te twijfelen?