De crisis van het godsdienstig gezag van 1670 - 1752

Als je het tweede deel van Jonathan Israels boek Verlichting onder vuur gelezen hebt, dan heb je met z’n 181 grote volbedrukte pagina’s een heel boek gelezen. Deze dikke turf omvat een klein bibliotheekje van zo’n vier à vijf boeken. Het deel is getiteld: “De crisis van het godsdienstig gezag” en het gaat over: Bayle en zijn bestrijders, anticlericanisme, socianisme, de behoorlijk verschillende tolerantietheorieën van Locke, Bayle en Spinoza, verschillend naar de mate van omvattendheid van de diverse christelijke denominaties of ook de joden, mohammedanen en zelfs atheïsten; de toestand aan de universiteiten in Duitsland en de Baltische staten, het newtonianisme en antinewtonianisme en dan vooral over de fysicotheologie.

Het is uiteraard niet mogelijk het vele materiaal samen te vatten.

Opvallend is hoe belangrijk toentertijd de gelovige/theologische wereldbeschouwing was. Aan de ene kant was men beducht voor de oude gewelddadigheden van de nog maar recent beëindigde godsdienstoorlogen, waarbij de vrede van Westphalen de al bestaande stelregel herbevestigde van de cuius regio, eius religio. Maar ook daarmee was men er niet. Men kon toch niet bezig blijven met het verplaatsen van andersgelovige minderheden en het werd almaar meer van belang om modi vivendi te vinden voor het gedogen van en omgaan met andersgelovenden. Vandaar het uiterst belangrijke debat over het tolerantiedenken.

Tegelijk was de vrees groot – en terecht – dat de grondslagen van de samenleving (geloof en vertrouwen) zouden wegvallen als iedereen maar werd toegestaan vrij te denken en zeggen wat men wilde. Dat zou het scepticisme en de twijfel aan alles maar vergroten. Vele theologen en opvoeders zagen voor zichzelf een belangrijke taak om het ‘verkeerde’ denken te ontmaskeren en aan de kaak te stellen. Dus vlogen de beschuldigingen over en weer en was het handig om als shortcut iemand van Spinozisme te verdenken. Iedereen ‘wist’ dan (zonder Spinoza overigens gelezen te hebben) hoe fout de betrokkene was. Atheïsme en Spinozisme werkten als kort-door-de-bochtse demoniseringen.

Bayle komt vaak langs. Door de vele en veelsoortige bestrijdingen komt de werkelijke/echte Bayle niet uit de verf. Of misschien is dat juist de echte Bayle van de onduidelijke/verstoppende meningen waarachter Bayle zelf zich niet direct liet kennen. De vraag of hij een (minimaal) gelovige (een fedeïst) was, blijft boven de markt hangen. Z’n scepticisme werd als ’t meest echt ervaren zodat zijn (door hemzelf volgehouden) fideïsme meer en meer als ongeloofwaardig werd gezien. Voor J. Israel is duidelijk: zijn fideïsme was schijn, een schuilmantel: hij was een sceptische radicale denker, een Spinozist.

Opvallend is de arrogantie waarmee de fysicotheologen meenden het geloof met de rede verzoend te hebben. De natuurwetenschap achterhaalde empirisch het fabrieksgeheim van de schepping en bewees zo alles inzake God & Co. Dat de God van hun godsopvatting niet in die empirische gegevens voorkwam, was voor hen geen punt: ze wisten als gelovigen dat het zo zat.

Zoals Israel in radicale Verlichting een samenvatting gaf van de Ethica, lijkt hij in dit deel een samenvatting te bieden van de TTP, maar dat is schijn. Hij geeft alleen de hoofdlijnen voor wat betreft Spinoza’s pleidooi voor vrijheid van denken en meningsuiting. Z’n fundamentele bijbelkritiek biedt hij hier niet, terwijl dit hoofdstuk over de crisis van het godsdienstig gezag daarvoor wel de plaats was geweest. Maar die bijbelkritiek komt in Deel IV, zag ik vooruitblikkend. Nu en hier gaat het ‘slechts’ over Spinoza’s bijdrage aan het denken over tolerantie. Op zich al bijzonder genoeg overigens.
Israel heeft daarbij wel iets te veel de neiging te spreken over Spinoza die ‘rechten’ kent. Zo schrijft hij dat volgens Spinoza "iedereen het recht behoudt op onafhankelijk denken en oordelen". Of hij "geeft individuen het recht om welke betekenis dan ook toe te kennen aan theologische dogma’s" etc. Dit klinkt tamelijk normatief. Nee, Spinoza constateert dat mensen dat van nature al doen en niet kunnen laten. Dat komt overigens weer goed als hij Spinoza niet parafraseert, maar letterlijk citeert: “(..); ja dat zij de werkelijke oproerkraaiers zijn die in een vrije republiek de vrijheid van oordeel, die niet kan worden onderdrukt, toch willen opheffen.”

Ik vind tenslotte van belang op te merken dat we heel veel informatie aangeboden krijgen, maar dat over het thema “komen maatschappelijke systeemveranderingen door ideeën of is het omgekeerd?” (zie dit blog)  in dit deel niets te vinden is dat Israels stellingname in dezen onderbouwt. Misschien komt dat nog.

Eerder blog van 18 juli 2010: Oefenen ideeën invloed uit op maatschappelijk zijn?