De essentie der dingen [1]

Al eerder ging het in een reeks blogs (ik zal ze hieronder vermelden] over het essentie-begrip bij Spinoza. Al eerder ook had ik het plan om in een volgende reeks blogs nog eens dieper in te zoomen op de betekenis van (en ‘misvattingen’ over) dit begrip. Het kwam er niet van, maar nu ik een aantal interessante teksten op het spoor kwam, ga ik het toch proberen.

Nu kun je niet zeggen dat Spinoza een volledig uitgewerkte visie heeft over wat de essentie van een ding, van een mens is (ons interesseert - met Spinoza - uiteraard vooral de mens) – hij geeft hier en daar slechts hints. En dat uit het weinige dat hij erover zegt dan ook nog eens misverstanden ontstaan, is mede aan Spinoza’s soms te korte behandeling te wijten. Daarom zet ik ‘misvattingen’ hierboven tussen aanhalingstekens, want je kunt nooit zeggen dat jouw interpretatie de enig juiste is.

Wat we in de eerdere discussie (en juist dóór de tot nadenken uitlokkende reacties) ontdekten was dat, hoewel dat in de secundaire literatuur wel veel gebeurt, goed beschouwd (dus als je goed en nauwkeurig leest) datgene wat Spinoza zegt in 1/17s niet als zijn eigen zienswijze op de essentie van de mens kan worden beschouwd. En dat is zo daar hij in dat scholium een contrafactische redenering opzet over de denkfiguur (“stel”) dat het goddelijk verstand tot Gods wezen zou behoren (tot de natura naturans): dat zou uitlopen op een positie die niet de zijne is en zou maken dat het menselijk en goddelijk verstand niets met elkaar gemeen zouden hebben dan het woord dat zou dan net zoiets zijn als het gebruik van de term hond die we gebruiken voor het sterrenbeeld en de blaffende hond*). Maar méér dan dat het louter om een reductio ad absurdum zou gaan, ontdekten we dat in de redenering die Spinoza daar opzet, hij gebruik maakt niet van zijn eigen ideeën over de ‘essentie van individuele mensen’, maar van die van zijn opponenten die ‘essentie van de soort (species) mens’ aanhangen.

Wel aardig vond ik in de tekst van Mogens Laerke, “Spinoza on Formal Essence, Actual Essence, and Two Forms of Actuality,”die we bespraken, te lezen dat we ons met deze interpretatie in het kielzog bevonden van Alexandre Koyré, Martial Gueroult, Ferdinand Alquié en tal van anderen. Maar of die geleerden ook gezien hadden dat Spinoza behalve van de in zijn ogen tegenfeitelijke veronderstelling verder ook in de redenering zelf uitging van nog meer collateral tegenfeitelijkheden, wat hem betreft dan, uitging. Bij Mogens Laerke krijgen we dat niet te zien. Ik citeer een passage waarin hij ingaat tegen het – wat hij noemt -  platoniserend lezen van Spinoza door Christopher Martin die Spinoza van soort-essenties ziet uitgaan.

[A] crucial part of Martin’s textual evidence in favor of the idea that Spinoza endorses a notion of “species-essences,” i.e. formal essences common to several individuals, is drawn from a passage in EIP17S, according to which individuals that agree with regard to their essence are such that “if the essence of one could be destroyed, and become false, the other’s essence would also be destroyed, and become false.” The passage is taken as evidence that things have essences in common, thus that there are general “species-essences,” not unlike Platonic forms. Martin fails to realize a crucial point. As Alexandre Koyré clearly shows in a classic 1950 article*, followed by Martial Gueroult, Ferdinand Alquié and a host of other commentators, Spinoza’s development in EIP17S is essentially a reductio ad absurdum against the view that “will and intellect pertain to the eternal essence of God.” The passage Martin brings to the table as evidence is an important part of the, for Spinoza, unacceptable consequences that this mistaken conception of God’s essence will lead. The view regarding essences that he highlights in order to bolster his reading is not a view that Spinoza embraces, but exactly one of the consequences that Spinoza deems sufficiently absurd to justify rejection of the premises it relies on! [p. 5]

Kortom, we dienen goed vast te houden dat in het denkexperiment dat Spinoza in 1/17s ontwikkelt, hij niet zijn eigen ideeën weergeeft.

Dat dit niet altijd wordt ingezien is, zoals je vaker tegenkomt (bij Shestov o.a.), te merken aan de opvatting als zou Spinoza van mening zijn dat, zoals b.v. Theo Verbeek in een voetnoot op blz. 64 van de door hem vertaalde TIE schrijft: “Gods verstand is dan ook wezenlijk verschillend van het onze en ‘komt daarmee slechts in naam overeen’(1, prop 17, schol., II 62)” Dit is dus precies wat Spinoza zelf niet vindt! [Zie daarover ook dit blog]

                                           * * *  

*) Alexandre Koyré, "Le Chien, Constellation Céleste, et le Chien, Animal Aboyant," Revue de Métaphysiqûe et de Morale, 55 (1950):50-59.

____________________

Eerdere blogs

10 augustus 2014:“De eeuwigheid van de menselijke geest” [met41 reacties]

15 augustus 2014: “Het lezen en begrijpen van Ethica 2/8 e.v.” [met 51 reacties].

27 augustus 2014: “Ter afronding misschien Don Garrett” [met 5 reacties]

15 oktober 2014: “De eeuwige essentie van elk enkelding” [met 27 reacties]

5 november 2014: “Het wezen der dingen is eeuwig – "een eeuwige waarheid" [met 31 reacties]

18 november 2014: “Breviarium Spinozanum: nos aeternos esse (verwijst naar uniciteit)” [met 12 reacties]

28 november 2014: “Vanavond Robbert Dijkgraaf over 'het Oneindige' [met 12 reacties]

[Een hele tijd niets tot:}

21 februari 2015: Mogens Lærke’s diep gravende, maar m.i. nog onvoldragen tekst. N.a.v. Mogens Laerke, “Spinoza on Formal Essence, Actual Essence, and Two Forms of Actuality.”

_______________________ 

Foto: Mogens Laerke explaining Spinoza's account of essences 24-02-2015 in Nijmegen tijdens 't Dutch Seminar in Early Modern Philosophy II [herkomst kan ik niet meer terugvinden]
Correctie: toch teruggevonden op de facebook-pagina van Dutch Seminar in Early Modern Philosophy II

Reacties

Stan, ik ben het niet met je eens dat Spinoza slechts hier en daar hints geeft over het begrip essentie.
Hij zegt:
1) essenties van dingen zijn individueel
2) de individuele essentie van een ding is zijn conatus
Daarmee is toch 'alles' gezegd?

Henk, zo recht voor z'n raap als jij het formuleert (essenties van dingen zijn individueel) vind je het niet bij Spinoza. 2/Def2 leest flink wat omslachtiger; je moet er z'n uitleg in 2/10s én z'n toepassing in 2/37 en ook die in deel V bijhalen. En dan zie je dat volgens Spinoza elk singulier/individueel ding een eigen essentie heeft. Dat niet iedereen dat er zo direct en duidelijk uithaalt zal in volgende blogs blijken.
En ja, 3/7 zegt Conatus quo unaquaeque res in suo esse perseverare conatur, nihil est praeter ipsius rei actualem essentiam. Daar blijkt nog heel veel over te zeggen te zijn (gezien de secundaire literatuur), hoe kan daar dan 'alles' mee gezegd zijn...

Misschien haalt niet iedereen het er direct uit, maar in 2/Def2 ligt besloten dat essenties individueel zijn. Maar ik wacht je volgende blogs af.
Ik ben benieuwd wat er in de secundaire literatuur nog meer te zeggen valt behalve dat conatus de kracht tot en het streven naar zelfbehoud is van de dingen en dat dit de essentie van individuele dingen is.