De essentie der dingen [2] per definitie - een lemma

In dit blog neem ik het lemma ‘Essentia’ over dat Henri Krop schreef voor de Continuum Companion to Spinoza, waarbij ik tussen [ ] toelichtende opmerkingen plaats. Aan het eind geef ik mijn commentaar op een commentaar van Mogens Laerke op dat lemma.

Essentia

Spinoza's definition of essence in Ethics 2 is complicated, running over more than three lines. It says: 'to the essence of any thing belongs that which, being given, the thing is necessarily posited and which, being taken away, the thing is necessarily taken away; or that without which the thing can neither be nor be conceived, and which can neither be nor be conceived without the thing'. According to Gueroult (1974, pp. 27-8) its length and deviations from tradition and Descartes (cf. PPC 2ax2) are due to the fact that only in part two, dealing with finite things, did it become necessary to distinguish between cause and essence, which by the Cartesian phrase 'that without which the thing can neither be nor be conceived' are identified and coincide in God. Moreover, God, being the cause of both the existence and essence of all things, would pertain to their essence (E2p10s). Spinoza's definition also announces the crucial notion of an individual essence, which is made explicit in Ethics 2, proposition 37.

[Voor de duidelijkheid: in E2p10s legt Spinoza uit waarom hij deze wat omslachtige definitie gaf, om n.l. te bereiken dat – terwijl voor ieder duidelijk is dat individuele dingen veroorzaakt worden door God en zonder God niet kunnen zijn of gedacht worden - God toch niet gezien kan worden als tot hun wezen te behoren.]

[Hierna behandelt Krop iets van de – contemporaine – geschiedenis, de contextuele achtergrond van het essentie-begrip]

 

According to scholasticism 'essence' consisted of two basic notions: the ontological difference by which a thing is distinguished from all other things, and the identity or rather quiddity of a thing. 'An essence is all that makes a thing be and is what it is' (Chauvin), or 'an essence constitutes a thing with forbearence of all its accidents' (Goclenius). An essence, Chauvin observed in a Cartesian vein, is 'the attribute' of a thing, which `always and exclusively belongs to all things identical with it'. For, according to tradition, an essence is common to all individuals belonging to one and the same species. Moreover, as such an essence is not real and does not actually exist. So, we call nature 'the internal principle, which perfects the essence and makes it a complete thing' (Goclenius). Spinoza obviously adopted the notion that an essence constitutes a thing, but qualified the scholastic notions by completely identifying essence and nature. By depriving the species of its ontological nature he created the concept of an individual essence. The possibility of such an individual essence was acknowledged earlier by Duns Scotus who called it the haeceitas (thisness), but in doing so he was an exception in scholastic thought.

[Hét grote verschil tussen Spinoza en al zijn voorgangers - m.u.v. Duns Scotus - is, dat voor hem essentie geen op een soort slaand begrip is, maar uitsluitend op singuliere/individuele dingen]

Spinoza also introduced an epistemological feature in the definition of essence. According to Descartes 'being', 'substance', ‘duration' ‘truth' and 'essence' are primitive notions. Difficult to define, they belong to all we can perceive (letters to Elisabeth and Clerselier, AT III, 665, 691 and V, 355). In the Principia 1.53 Descartes stated that a substance's principal property, i.e. its attribute, constitutes its nature or essence. However, he gave these notions a logical twist by creating a conceptual order conceived analogously to the ontological order. 'Shape is unintelligible except in an extended thing ... and imagination sensation and will are intelligible only in a thinking thing'. Hence, as implied in the story of the wax, the object of clear and distinct knowledge is only the nature or essence of things (Meditations 2, see also PP 1.46).

[Vervolgens behandelt Krop kort het essentie-begrip zoals Spinoza het gebruikte in zijn verschillende werken]

In his early works Spinoza adopted these Cartesian hints and developed 'a logically organized system of essences forming knowledge' (Balz, 1918, p. 35 [cf. blog en blog]). In the Tractatus de intellectus emendatione he introduces the Cartesian distinction between a formal and an objective essence. The last essence is an idea, as far as it is clearly and distinctly conceived. Having such an essence in the mind we are certain and in the possession of truth (TIE 35). Perfect knowledge requires the perfect perception of the 'adequate essence of a thing' — in the case of God (TIE 92) — or their proximate cause, and in the perfect definition of a thing we account for its 'intimate essence'. The essences determine the intellect and their knowledge checks the imagination. If the imagination is checked error will be impossible (TIE 58). However, perfect knowledge of the finite things requires that we know the essences in relation to other essences. The better we know the particular essences of the individual things, the more perfect is our knowledge (TIE 98, cf. Hegel's notion of concrete versus abstract knowledge). These essences exist in a fixed and eternal sequence (TIE 100).

The formal essence is an essence in itself, but it exists independently of the things. It is untreated, although unlike God, it does not exist of itself (CM 1.2) and exists objectively — and eternally — in God's intellect (E1p17s). The sequence of formal essences corresponds with the eternal sequence of essences in God. Apparently, in the Ethics Spinoza returned to a more ontological conception of essence. A thing's active or actual essence is the same as its power. This applies to both God's essence (E2p3s) and man's (E3p7). God's nature produces all things (E1p17s) and man's essence is identified with his conatus. The essence of a thing is the cause of all its activity. The last meaning of essence confirms the dynamic nature of Spinoza's ontology.

[Gevolgd door een overzicht van teksten van Spinoza over essentia en een korte bibliografie.]

Henri Krop
in: W. van Bunge e.a. (Eds.), Continuum Companion to Spinoza,
New York: Continuum 2011, p. 211ff

                                              * * *  

Op die laatste alinea geeft geeft Mogens Laerke, in zijn “Spinoza on Formal Essence, Actual Essence, and Two Forms of Actuality,” [cf. blog] op blz. 12 in voetnoot 46 het volgende commentaar:

Contra Henri Krop who maintains that “The formal essence is an essence in itself, but it exists independently of the things. It is uncreated, although, unlike God, it does not exist in itself (CM 1.2) and exists objectively—and eternally—in God’s intellect (EIp17s). The sequence of formal essences corresponds with the eternal sequence of essences in God” (H. Krop, “Essentia,” in W. van Bunge et al. (eds.), Continuum Handbook to Spinoza, New York: Continuum 2011, 211). We note the reference to Spinoza’s polemical development in EIP17S, which, like in Martin, is taken in the affirmative rather than as part of a reductio. The faulty notion that formal essence are in the intellect of God stems from this misreading.”

[Mijn commentaar hierop:] In de referentie zit om te beginnen een foutje: Continuum Handbook to Spinoza moet zijn Continuum Companion to Spinoza [inmiddels Bloomsbury Companion to Spinoza], maar in de bewering zelf zit een grotere fout. Krop schrijft niet that formal essence[s] are in the intellect of God, maar schrijft uiteraard dat ze dat ‘objectief’ zijn. De betreffende laatste alinea is inderdaad wat enigmatisch, zeker ook door de verwijzing naar 1/17s. Maar het ‘objectieve’ zijn, gesteld t.o. het formele zijn, speelt zich altijd in een intellect af – ook bij Spinoza. Maar hét punt van Laerke is uiteraard dat de formele essenties en de bijbehorende ideeën “eerder” in de attributen (natura naturans) zijn dan in de intellectus infinitus (natura naturata) – “eerder” tussen aanhalingstekens want in de eeuwigheid is geen voor en na, maar zoals bedoeld in 1/1 “Substantia prior est natura suis affectionibus.”

En inderdaad, de passage uit 1/17s “Veritas et formalis rerum essentia ideo talis est, quia [talis] in Dei intellectu”, had onder de teksten niet als een eigen tekst van Spinoza gegeven mogen worden - hij bracht die in een contrafactische redenering.

Jammer dat books.google ons niet het gehele lemma laat zien, maar de laatste bladzijde waar we met deze link - books.google - op terecht komen laat links boven de gewraakte passage zien.

Reacties

Ter verontschuldiging van de foute interpretatie van Krop, Martin en ook mezelf bij een vroegere lezing: Spinoza maakt hier absoluut geen mooie reductio ad absurdum volgens het boekje.

Ik vind dit geen verontschuldiging voor professionals (auteur lemma plus redactie) die een "Continuum Companion to Spinoza" schrijven. Volgens mij is uit de literatuur genoegzaam bekend dat het hier een contrafactische redenering of een reductio ad absurdum betreft.

Ik ben (in het kader van deze essentie-reeks) bezig aan een blog over Christopher P. Martin, daar ik het een belangrijk onderwerp vind, en mij zeer erover verbaas dat over de ware merites van 1/17s door hem (en Krop) werd heengekeken. Ik heb al in een heel vroeg stadium van kennisnemen van de Ethica in de kantlijn genoteerd DAT SPINOZA VANAF HET MOMENT DAT HIJ MET Z'N HYPOTHETISCHE REDENERING RESP. GEDACHTE-EXPIRIMENT BEGINT NIET Z'N EIGEN MENING WEERGEEFT. Het ligt er m.i. toch wel duimendik bovenop.

Ik geef Mark wel toe dat het tussendeel, waar het over de essenties (en de "eeuwige waarheid" ervan) gaat, wat ingewikkelder ligt en dat Spinoza z'n lezers daar wat behulpzamer had kunnen zijn.

Als je het ziet, is het toch wel mooie reductio ad absurdum volgens het boekje - van Spinoza dan (Spinoza houdt zich uiteraard niet aan andermans boekjes).

Martin heeft zich laten misleiden door een andere contrafactische redenering van Spinoza (er zijn er twee in 1/17s), namelijk die waarin deze veronderstelt dat een oorzaak alleen oorzaak is van het bestaan en niet van de essentie van het veroorzaakte. De consequentie is dat als de essentie van het gevolg in het ongerede raakt (vernietigd wordt of onwaar wordt), dit ook zal gelden voor de essentie van de oorzaak. Dat is een onaanvaardbare consequentie.
Conclusie: een oorzaak is zowel oorzaak van het bestaan als van de essentie van het veroorzaakte.

Dan gaat Spinoza terug naar zijn eerste redenering.
Gods verstand, verondersteld tot zijn wezen te behoren, is dus, zoals zojuist aangetoond, oorzaak van zowel het bestaan als de essentie van het menselijk verstand. Volgens de wet dat het veroorzaakte van de oorzaak verschilt juist in datgene wat het van haar heeft, is de consequentie dat Gods verstand niet alleen qua bestaan maar ook qua essentie verschilt van het menselijk verstand, ofwel, dat Gods verstand en het menselijk verstand alleen de naam gemeen hebben. Dat is een onaanvaardbare consequentie, vindt Spinoza.
Conclusie: Gods verstand maakt geen deel uit van zijn wezen.

Overigens lijkt het me geen onberispelijke redenering van Spinoza. In het voorbeeld van de mens die oorzaak is van een andere mens is het verschil in essentie dat ze onafhankelijk van elkaar kunnen verdwijnen (net als het bestaan). In de toepassing van Gods verstand als oorzaak van het menselijk verstand is het verschil in essentie dat ze totaal verschillend van aard zijn.

Een late –en misschien wat overbodige -reactie op “Als je het ziet, is het toch wel mooie reductio ad absurdum volgens het boekje - van Spinoza dan (Spinoza houdt zich uiteraard niet aan andermans boekjes).”
Over mooi kun je uiteraard van mening verschillen. Mooi vind ik een “bewijs uit het ongerijmde” zoals dat in een meetkunde boek gepresenteerd wordt. We willen bewijzen dat stelling p niet kan waar zijn. We vertrekken dat van de assumptie dat p zou waar zijn en gaan daar in een logische afleiding ware axioma’s, stellingen… op toepassen om dan uiteindelijk uit te komen bij stelling q, die niet kan waar zijn want tegengesteld aan een waar axioma, stelling… In 1/17s is het helemaal niet duidelijk wat een waar axioma, stelling… is die in de redenering gebruikt wordt, en wat deel uitmaakt van de gevolgen van de assumptie dat p waar is. Daarom dat we veiligheidshalve moeten besluiten dat alles wat in het bewijs staat, mogelijk ongerijmd is.
Het boekje dat Spinoza hier hanteerde was duidelijk geen meetkundeboek.