De essentie der dingen [3] Spinoza’s Individuals – Christopher P. Martin’s dissertatie

De dissertatie van Christopher P. Martin, Spinoza's Individuals [Purdue University, ProQuest, 2007] kwam ik tegen en was ik via books.google aan het bekijken, waarna ik besloot er in een blog aandacht aan te geven, voor ik in de gaten had dat hij een van degenen was die zo onder vuur werden genomen in het recente stuk van Morgen Laerke, waarin hen een ‘platoniserend lezen’ van Spinoza werd verweten [cf. blog]

Het tweede hoofdstuk van Christopher P. Martin’s Spinoza’s Individuals, "The Definition of the Essence of a Thing," is op books.google geheel te lezen. Maar Martin heeft z’n proefschrift nog eens samengevat in een artikel en het is niet het proefschrift, maar dat artikel dat Laerke attaqueert:

Christopher P. Martin, "The Framework of Essences in Spinoza's Ethics" in: British Journal for the History of Philosophy 16 (3) 2008, 489-509 [PDF]

Ik maak in dit blog van het eerste deel van dat stuk weer een globale samenvatting. Ik zal daarna duidelijk maken, waarom alleen dat eerste deel.

Twee essentie-lezingen
Martin stelt, zoals hij het omschrijft, Spinoza's "modal essentialism" aan de orde en hij begint met twee posities te benoemen die hij in de secundaire literatuur waarneemt: de 'individualist' en 'specieist' essentie-interpretaties (ik blijf zijn termen gebruiken).

De eersten, de 'individualists', benadrukken/lezen (in 2/Def2 en in de conatuspropositie 3/7) dat bij Spinoza de essentie van elk individueel ding uniek is en dat het streven om zichzelf te handhaven de 'actuele essentie' van elk ding is (3/7); wat alleen maar kan als dat streven de essentie van precies dat ding is.

De 'specieist' hangen de interpretatie aan dat modi van dezelfde soort exempels van een enkele essentie zijn, door hem getypeerd als 'species-essentie'. Aanwijzingen daarvoor zijn te vinden in deel IV van de Ethica en in het deel over de eeuwigheid van de geest in deel V.

In 4/31d spreekt Spinoza over 'onze natuur' (nostra natura) als de natuur die mensen met elkaar delen. In 4/35d spreekt hij erover dat mensen die onder leiding van de rede leven, alleen die dingen doen die goed zijn voor de menselijke natuur en derhalve voor ieder mens. Waar het in deel V gaat over de eeuwigheid van de geest, spreekt Spinoza over eeuwige essenties van modi als zijnde onpersoonlijk. Alles wat een persoon uniek maakt (ervaringen, meningen, herinneringen) bestaat alleen maar zolang het lichaam bestaat (5/21); d.w.z. alles wat ons bijzonder maakt, tot individuen, verdwijnt bij onze dood en gaat niet mee in de eeuwigheid van onze geest. Gaat het bij de eeuwigheid van dat laatste misschien om de menselijkheid i.h.a. die in allemensen hetzelfde is? zo vraagt hij zich af.

Meer tekstuele steun wordt gevonden in 1/8s2 waarin gezegd wordt dat de definitie van een ding alleen de natuur ervan stelt, hetgeen erop wijst dat elk individueel ding die natuur bezit. Zo geeft de definitie van een driehoek alleen de enkele natuur van een driehoek, maar zegt niets over enig aantal driehoeken. En net zo bij mensen: er moet noodzakelijk een oorzaak zijn waardoor elk mens bestaat, maar die kan niet gevonden worden in de menselijke natuur, want de ware definitie van een mens zegt niets over een aantal. Uit de definitie van de menselijke natuur of essentie, die alléén zou kunnen worden vernietigd, besluiten de 'specieisten' dus dat die dezelfde is voor ieder mens.

Hij oppert en passant even de mogelijkheid dat Spinoza wellicht de Aristotelische benadering aanhangt dat individuele essenties uniek zijn, maar universeel begrepen? D.w.z. alleen begrepen wat betreft de eigenschappen die zij delen met andere individuen in hun soort? Dus benadrukt wat gemeenschappelijk is en voorbijziet aan wat bijzonder en uniek is? Echter Spinoza benadrukt in 1/8s2 dat de definitie van de essentie van een ding een 'ware' is en als zodanig dient hij, volgens 1/ax6, dus compleet te zijn en derhalve kunnen gemeenschappelijke definities geen unieke essenties definiëren. Maar de specieists bewandelen de weg van de andere kant en gaan ervan uit dat de definitie waar is zodat, als die hetzelfde is voor elk lid van de soort, dan moet dus elk lid dezelfde essentie uitdrukken.

Een sterke troef menen de specieists te vinden in 1/17s waarin de overeenstemming van essenties van individuen zodanig is dat "als een ophoudt te bestaan, daarmee nog niet een ander ophoudt te bestaan. Maar als de essentie van één zou kunnen worden vernietigd, de essentie van de anderen ook zou worden vernietigd." Alleen in het bestaan is een modus uniek, maar niet in essentie.

De auteur besluit dat beide richtingen een sterke zaak hebben en komt tot de conclusie dat Spinoza in feite beide interpretaties aanhangt. Wat – in mijn woorden – een dissonantie of tegenstrijdigheid oproept die uiteraard om een oplossing vraagt. De oplossing vindt hij ook: ze hebben beiden gelijk, want hebben het beide over een andere essentie: de individualists letten vooral op de actuele essentie en de specieists op de formele essentie.

In de volgende paragraaf bespreekt hij de actuele en de formele essentie, waarbij hij ervan uitgaat dat het om twee verschillende, gescheiden essenties gaat. De actuele essenties zijn durend en bijzonder voor elke modus, terwijl formele essenties eeuwig zijn en identiek voorkomen in een aantal modi.

Actuele essenties, door Spinoza geïntroduceerd in 3/7 zijn bijzonder/uniek voor elke modus, en hebben een duur, betreffen alleen het bestaan, waarvan het ’t streven vormt om dat te behouden. Elk individu bestaat (volgens de kleine fysica) uit een eigen ratio van beweging en rust die de ‘natuur’ of ‘vorm’ van dat individu uitmaakt. Het is deze vaste ratio of vorm die elk individu tracht te behouden. En het is dat waarnaar de essentie-definitie verwijst. En het is dát waar de 'individualists' alle aandacht aan geven.

De formele essenties zijn het waar de specieists aandacht aan geven, n.l. waar Spinoza volgens hen op het gemeenschappelijke en eeuwige van essenties doelt: in 2/45 en 5/22.

De formele essentie komt voor het eerst aan bod in 2/8 waar het wordt geïntroduceerd om de manier aan te geven waarop de ideeën los van het actuele bestaan van modi in God's oneindige idee, op dezelfde manier n.l. waarop de formele essenties van singuliere dingen of modi vervat zijn in de attributen. Hij probeert daar kaas van te maken via 2/7 en 2/7s

Hierna behandelt hij zijn lezing dat ‘formele essenties’ begrepen moeten worden als middellijke oneindige modi in de vorm van algemene natuurwetten die geïnstantieerd worden in singuliere modi ofwel dingen. Dit laat ik verder rusten (hoewel het een interessante tekst is om kennis van te nemen).

                                                    * * *

In een bescheiden aantal regels veegt Laerke deze benadering van tafel op twee gronden: 1) Martin verwijst zelf al naar Plato’s Phaedo; 2) zijn misbegrip van 1/17s.

Wat het eerste betreft, kun je constateren dat het dan wel ‘erudiet’ leek, maar het toch niet zo’n gelukkige verwijzing naar Plato was daar Martins interpretatie van formele essenties als natuurwetten niets weg had van of te vergelijken is met de verhouding tussen Plato’s ideeën of vormen en aardse kopieën ervan. Op die manier gaf hij wel een assist en kon Laerke acht jaar later makkelijk inkoppen.

Over misbegrip van 1/17s. hebben we het hier nu vaak genoeg gehad, maar die tekst was niet het enige en voornaamste argument voor de 'specieists', die hun uitleg baseerden op plaatsen waar Spinoza het heeft over de (kennelijk door hem als definieerbaar beschouwde) menselijke natuur. Het valt wel op dat Spinoza nergens in de Ethica een definitie van de mens (menselijke natuur of essentie) geeft, maar wel aanwijzingen lijktte geven dat die wel zou kunnen worden gegeven (de betreffende plaatsen zijn boven vermeld). Waarom ik hier zoveel aandacht aan geef is, dat het in mijn ogen opvallend is, dat Laerke in zijn stuk daaraan geen enkele aandacht wijdt.

_____________

Méér over Christopher P. Martin [zijn webpagina bij zijn universiteit]

Behalve de al genoemde publicaties nog deze

Christopher Martin, “Consciousness in Spinoza's Philosophy of Mind.” In: Southern Journal of Philosophy 45 (2):269-287 (2007)

Spinoza’s philosophy of mind is thought to lack a serious account of consciousness. In this essay I argue that Spinoza’s doctrine of ideas of ideas has been wrongly construed, and that once righted it provides the foundation for an account. I then draw out the finer details of Spinoza’s account of consciousness, doing my best to defend its plausibility along the way. My view is in response to a proposal byEdwin Curley and the serious objection leveled against it by Margaret Wilson and Jonathan Bennett [Abstract van philpapers; PDF]

Christopher Martin, “A New Challenge to the Necessitarian Reading of Spinoza.” In: Daniel Garber & Steven Nadler (eds.), Oxford Studies in Early Modern Philosophy Volume V. Oup Oxford (2010) – [PDF]

 

Reacties

Heel interessant en informatief blog Stan. Bedankt ook weer voor de internetlinks - ik ga er zeker enkele van lezen.

Citaat Stan: "In een bescheiden aantal regels veegt Laerke deze benadering van tafel op twee gronden: 1) ........ 2) zijn misbegrip van 1/17s."

Jawel, Maar Laerke doet dat op verkeerde gronden. Hij doet dat op grond van het feit dat "Spinoza’s development in EIP17S is essentially a reductio ad absurdum against the view that “will and intellect pertain to the eternal essence of God.”

Maar daar heeft Martins misvatting niet mee te maken. Uit de veronderstelling dat Gods verstand en wil tot zijn eeuwige wezen behoren, volgt niet dat de essentie van een mens 'een eeuwige waarheid is'. Dat volgt uit de onjuiste veronderstelling (een tweede reductio ad absurdum) dat een oorzaak alleen oorzaak is van het bestaan en niet van de essentie van het gevolg. (Zie mijn reactie op 'De essentie der dingen [2]')

In de meetkunde zouden we die tweede reductio een hulpstelling noemen.
En, Mark, Spinoza mag het dan wel niet zo strak opgeschreven hebben als in een meetkundeboek, inhoudelijk klopt het wel.