De 'geometrische orde' was juist bedoeld voor beginners

Afgelopen zaterdag was de eerste bijeenkomst van de VHS-cursus over de PPC/CM, ofwel Spinoza’s René Descartes, De beginselen van de wijsbegeerte in meetkundige trant uiteengezet en de Metafysische gedachten.

Wat mij erg meeviel was dat de opkomst niet lager leek dan in eerdere jaren. Voor Spinoza PPC/CM blijkt dus geen geringere belangstelling te bestaan dan voor zijn andere werk. Uit het voorstelrondje in de gespreksgroep na de inleiding, waarin ik als gespreksleider fungeerde, kreeg ik de indruk dat een paar aanwezigen zich hadden ingeschreven uit vooral belangstelling voor Descartes.

Miriam van Reijen gaf de eerste inleiding, waarbij ze inging op het ontstaan van de PPC/CM, het voorwoord dat Lodewijk Meijer ervoor schreef, de briefwisseling met Willem van Blijenbergh die uitleg vroeg over dingen die hij in de door Pieter Balling gemaakte Nederlandse vertaling niet van Spinoza begreep, en tenslotte de twee gedichten die na het voorwoord aan die vertaling waren toegevoegd.

Miriam van Reijen voor het gehoor in de aula van het Spinoza Lyceum in Amsterdam (dat gehoor was groter: er zaten nog mensen links en rechts die de lens van mijn fototoestel niet meer pakte).

Ooit is Spinoza’s uitleg van Descartes’ Principia Philosopiae (1644) wel gezien als een goed hulpmiddel om Descartes beter te begrijpen. In die geest verscheen van Étienne Gilson in Chronicon Spinozanum Vol III (1923), "Spinoza interprète de Descartes." Anderen leggen vooral de nadruk op het tegenovergestelde en zien Spinoza vooral als criticus van Descartes.

De teksten die ik  in de voorbereiding naar deze cursus vond, geven mij aanleiding om in dit blog het accent te leggen op iets dat ik daarvan geleerd heb – iets dat nieuw voor me was.

De PPC/CM begon als een dictaat dat Spinoza aan de Leidse student Johannes Casearius, die hem om uitleg van Descartes had verzocht, gaf. Dat hij daarvoor juist de geometrische orde gebruikte had zeer waarschijnlijk te maken met het onderscheid dat Descartes maakte tussen de analytische en de synthetische orde. [Zie daarover de toelichting door Adrie Hoogendoorn in het vorige blog]

De analytische orde is goed geschikt om te laten zien hoe de filosoof-wetenschapper aan zijn waarheid kwam, hoe hij die ontdekte en hoe hij tot zekerheid over zijn onderwerp was gekomen. De analytische methode, die de orde van de ontdekking volgde, was volgens Descartes het meest geschikt voor deskundigen, mede-filosofen, die in staat waren die ontdekking mee te voltrekken en op z’n waarde te schatten.

De synthetische orde gaf de resultaten (de ontdekte waarheid) weer in een vorm waarin het accent lag op de bewijsvoering en nadere uitleg. Het was de orde van de best didactische opbouw, waarbij de geometrische opbouw, van definities en axioma’s via stellingen en scholia (toelichtingen) à la de Elementen van Euclides, als meest geschikt werd gezien. Die namelijk het voordeel had dat als de leerling onderweg verdwaalde of het niet meer zag, hij eenvoudig terug kon zien waar hij de route kwijtgeraakt was. De synthetische orde was dus vooral geschikt om ondeskundigen en onwetenden in te wijden: hen aan de hand te nemen en stapje voor stapje alles te laten zien.

Dis is dus precies het omgekeerde dan zoals we het tegenwoordig zien. Nu wordt de verhalende vorm van de Descartes’ Meditaties, die hijzelf als analytisch geschreven zag, als veel gemakkelijker te lezen en te begrijpen gezien, en lijkt de axiomatische vorm van de PPC/CM en de Ethica meer voor filosofisch onderlegden, voor deskundigen dus die dat wat ze achter de geometrische vorm vandaan halen, aan de leken kunnen uitleggen. De omgekeerde wereld… Voor mij een aardige eyeopener: de Ethica juist in de geometrische orde ten behoeve van de beginnelingen!