De "Korte Schetz" is géén tekst van Spinoza

De aanleiding voor dit blog is te zien als wat de Duitsers een Treppenweisheit noemen. Ik volg momenteel bij Epimedium in Maastricht een korte cursus van drie bijeenkomsten over enige minder vaak behandelde teksten van Spinoza. De eerste bijeenkomst behandelden we enige delen uit de Cogitata Metafysica, de tweede bijeenkomst delen uit de Politieke Verhandeling en a.s. maandag doen we iets uit de Korte Verhandeling. De docent is geen Spinozaspecialist, maar een vakfilosoof die zeker openstaat voor het ook bestuderen van Spinoza, en die met zijn filosofische geschooldheid heel scherp op de kern van een betooglijn en bedoeling ervan weet te attenderen.

Komende maandag doen we iets uit de Korte Verhandeling. Ik overhandigde hem de twee hertalingen die ik in bezit heb (van Jan Knol en Rinus Koops). Hij zei toen: “het gaat om een samenvatting van de Korte Verhandeling, hè?” Ik begreep hem niet en zei dat mij die typering van deze werken niet bekend was. Pas later (thuis “op de trap naar boven” a.h.w.) begreep ik dat hij iets vernomen moet hebben of ergens gelezen over de “Korte Schetz”, wat inderdaad als samenvatting van de KV bedoeld was. Maar dat is geen tekst van Spinoza!

Die Korte Schetz van de Korte Verhandeling had nooit als tekst van Spinoza gepresenteerd mogen worden. Het verhaal is, denk ik, wel bekend (ik had hierover op 13 november 2009 dit blog). In 1851 had de geleerde uit Halle, E. Boehmer, bij boekhandel Müller in Amsterdam een exemplaar aangeschaft van de Korte, dog waaragtige Levens-Beschrijving van Benedictus de Spinoza van Johannes Colerus. Daarin trof hij een Korte Schetz aan die hij in het Latijn vertaalde en in 1852 uitgaf als: Benedicti de Spinoza tractatus de deo et homine eiusque felicitate lineamenta atque adnotationes ad tractatum theologico politicum [edidit et illustravit Eduardus Boehmer. Halae ad Salam, J. r. Lippert, 1852. [Korte schets der Verhandeling van Benedictus de Spinoza: over God, den Mensch, en deszelvs Welstand, alsmede een kopie van Aantekeningen bij het Godgeleerd-Staatkundig Vertoog.]

Hij doneerde het handschrift later aan de Universiteitsbibliotheek van Halle, waar het zich nu bevindt.

Johannes van Vloten begon zijn Praefatio van de door hem uitgegeven Benedicti de Spinoza Opera quae supersunt omnia supplementum (1862) met de mededeling dat negen jaar eerder de vir doctissimus Halae Ed Boehmer een Tractatus Spinozani de Deo et Homini had uitgegeven; iets later noemt hij het een Spinozae Tractatus. Wat Boehmer had uitgegeven was echter geen werk van Spinoza maar een samenvatting, Korte Schetz genaamd van de Korte Verhandeling van God de Mensch en deszelvs Welstand – een samenvatting die – hetgeen pas in 1865 door Van de Linde ontdekt werd - door Johannes Monnikhoff was gemaakt.

In 1925 bracht Carl Gebhardt, voorafgaande aan de tekst van de Korte Verhandeling van GOD de MENSCH en deszelfs WELSTAND, deze KORTE SCHETZ DER VERHANDELING VAN BENEDICTUS DE SPINOZA, OVER GOD; DEN MENSCH, EN DESZELFS WELSTAND. BESTAANDE IN TWEE DEELEN, MET EEN ANHANGZEL AGTER’T ZELVE. [Zie hierna] Hetgeen toch de suggestie gaf, alsof het om een tekst van Spinoza zelf ging.

In het blog van drie dagen geleden over Johannes Monnikhoff, wees ik nog eens op de verdienste die deze arts had voor het Spinoza-onderzoek, maar ook en vooral dat hij van de denkbeelden van Spinoza niets moest hebben. Welnu, de weerstand die hij tegen Spinoza’s filosofie had, schijnt duidelijk door die samenvatting heen. Hij deed z’n best om een zo objectief mogelijke samenvatting van de KV te brengen, maar dat lukte hem niet.

Ik breng hierna die Korte Schetz, zoals Carl Gebhardt hem transcribeerde en opnam in zijn ‘kritische uitgave’ van de werken van Spinoza in 1925.

Die samenvatting van Monnikhoff staat vol afstand-nemende uitlatingen als: “vertoond den Schrijver, een denkbeeld in zig te hebben van God …” -  “waar uijt hij dan op maakt, dat …” -  “dewelke hij tragt te bewijzen dat…” -  “eene Zelfstandighijd (door hem met den naam van God benoemd)…” - beweerende aldaar, dat God…”  en dergelijke duidelijk afstand nemende typeringen, die nog tamelijk onschuldig lijken. Maar helemaal bont maakte Monnikhoff het in de volgende zin: “want, na zijn grond gesteld zijnde, dat het Heel-al (bij hem God genaamd) bijde na weezendhijd en weezendlijkhijd noodzaakelijk is, en dat daar toe alles behoord wat ’er is, zoo volgd uijt die valsche grond dit onvermijdelijk besluijt, dat daar in niets gebeurlijks opkomen kan.

Hiermee heeft Monnikhoff toch in deze tekst voldoende duidelijk gemaakt dat en hoe hij zich distantieerde van Spinoza’s denkbeelden? Waarom dan zoveel aandacht gegeven aan die Korte Schetz van hem? (Ja, ik doe dat nu ook, maar met heel duidelijk de bedoeling op te wekken er meer afstand van te nemen).

                                                    * * *

KORTE SCHETZ DER VERHANDELING VAN BENEDICTUS DE SPINOZA, OVER GOD; DEN MENSCH, EN DESZELFS WELSTAND. BESTAANDE IN TWEE DEELEN, MET EEN ANHANGZEL AGTER’T ZELVE.

Het eerste Deel deezer Verhandeling is in 10 Capittelen onderdeeld.

In het 1te Cap: vertoond den Schrijver, een denkbeeld in zig te hebben van God:

volgens het welke hij dezelve beschrijft, een weezen te zijn, die uijt oneijndige Eijgenschappen bestaat, van dewelke ijder in zijn geslagt oneijndelijk volmaakt is; waar uijt hij dan op maakt, dat de weezendlijkhijd tot zijn weezendhijd behoord, of dat God noodzaakelijk weezendlijk is.

Maar om wijder te ontdekken, wat al volmaaktheeden in ’ t bizonder in de Godlijke natuur en weezendhijd vervangen zijn, zoo treed hij in ’t 2de Cap: over tot inziening van de natuur der zelfstandighijd, dewelke hij tragt te bewijzen dat noodzaakelijk oneijndig is, en bij gevolg dat ’er geen meer dan een eenige kan weezendlijk zijn, noch den een van den ander worden voortgebragt, maar dat tot die eene Zelfstandighijd (door hem met den naam van God benoemd) alles behoord wat ’er is; en dat dus de Denkende en Uijtgestrekte natuure twee haarer oneijndige Eijgenschappen zijn, en een ijder van die ten opperste volmaakt, en oneijndig in hun geslagt; en dat dieshalven alle de bizondere eijndige en bepaalde dingen (gelijk hij hier na breeder verklaard) hoedanig zijn de Menschelijke Zielen en Lichamen, enz: als derzelver wijzen moeten worden bevat, waar door deeze Eijgenschappen, en door die de Zelfstandighijd, of God, op oneijndelijke manieren word uijtgedrukt. Het welke alles bij Zamenspraaken nader aangedrongen, en breeder beweerd zijnde, zoo Word in het 3de Cap: daar uijt afgelijd hoedanig een oorzaak God van de dingen is, namendlijk een inblijvende, enz:

Doch om te ontdekken welke na zijn gedagten Gods weezendlijke Eijgenschappen zijn, zoo treed hij over tot

Het 4de Cap: beweerende aldaar, dat God een noodzakelijke oorzaak aller dingen is; welkers natuur zoo min van de reeds gestelde heeft konnen verschijden zijn, of van God in een andere vorm of ordere veroorzaakt worden, als het moogelijk zij dat God een andere natuur of weezendhijd hebben zou, dan de geene die tot zijn dadelijk en oneijndig bestaan behoord. En deeze genaamde veroorzaaking, of gestelde noodzaakelijkhijd der dingen tot te zijn en te werken, voerd hier de naam van Gods eerste Eijgenschap.

Waar op in het 5de Cap: als een tweede Eijgenschap Gods zoodanige pooging aanmerkt word, door wien hij steld, dat de geheele natuur, en bij gevolg een ijgelijk ding in ’t bizonder, gestrekt is om haar stand en weezen te bewaaren. Welke pooging, voor zoo veel die over de geheele verzameling der dingen gaat, Gods algemeene voorzienighijd genaamd word: maar voor zoo veel die tot een ijder ondeelig, in zig, buijten aanmerking van de overige deelen der Natuur behoord, draagd ze de naam van Gods bizondere voorzienighijd.

En hier op komt in het 6de Cap: als Gods derde Eijgenschap voor de Predestinatie, of deszelfs voorbeschikking, die zig over de geheele natuur en een ijder ding in het bizonder uijtstrekt, en alle gebeurlijkhijd uijtsluijt. Steunende voornaamendlijk op het 4de Cap: want, na zijn grond gesteld zijnde, dat het Heel-al (bij hem God genaamd) bijde na weezendhijd en weezendlijkhijd noodzaakelijk is, en dat daar toe alles behoord wat ’er is, zoo volgd uijt die valsche grond dit onvermijdelijk besluijt, dat daar in niets gebeurlijks opkomen kan. Waar na, tot wegruijming van ingebragte swaarigheeden, zijn gedagten van de waare oorzaaken des kwaads, zonden, verwarring, enz: geopend te hebben, met Gods weezendlijke Eijgenschappen beslooten word, van dewelke hij overstapt tot

Het 7de Cap: alwaar zoodanige Eijgenschappen van God worden opgenoemd, die van hem alleen vor betrekkige, en geen eijgene, of ook wel als Afnoemingen zijner weezendlijke Eijgenschappen worden begroet. Bij welke geleegendhijd de gedagten die de Wandelwijsgeeren omtrent de natuur van de beschrijving Gods, en ’t bewijs zijner weezendlijkhijd hebben ontwurpen en ter baan gebragt, kortelijk worden onderzogt en afgeweerd.

Maar op dat het onderschijd, welk, na des Schrijvers meening tusschen de Natuurende natuur en de Genatuurde natuur zij duijdelijk worde bevat, zoo brijd hij zig daar over kortelijk uijt in het 8te en 9de Cap:

Waar na in het 10de Cap: op een gelijke voet als in het 6de Cap: aangetoond word, dat de menschen, na dat zij zeekere gemeene denkbeelden gevormd, en de zaaken daar toe herlijd, en met dezelve vergeleeken hebben, daar uijt de bevattingen van goed en kwaad vormen; noemende dezelve zaaken goed, in zoo verre zij met dit gemeen denkbeeld over een komen; maar kwaad, zoo ze daar mee verschillig, en van die overeenkomst met hed zelve ontblood zijn: invoegen dat goed en kwaad niet anders dan weezende der reeden of wijzen van denken zijn.

Hier meede word het eerste Deel deezer Verhandeling voltrokken.

In het 2de Deel opend den Schrijver zijne gedagten over het bestaan van den Mensch, namendlijk, hoe die de Hartstogten onderworpen en daar aan dienstbaar is; als meede waar toe het gebruijk zijner reeden zig uijtstrekt; en eijndelijk welke het middel is waar door dezelve tot zijn Hijl en volkomen Vrijhijd opgelijd word.

Hebbende dan in de Voorreeden van dit Deel kortelijk voor af gesprooken over de natuur van den Mensch, zoo word vorders gehandeld

In het 1te Cap: van de bizondere slag van kennisse of bevattinge, en hoe die in den Mensch op vierderlij wijze verwekt en gebooren worden, als

1. Door het gehoor, eenig verhaal, of ander teeken.
2. Door bloote ondervinding.
3. Door de goede en zuijvere reeden, of ’t waar Geloof.
4. Door innerlijke genieting en klaare inziening der zaaken zelf.

’t Geen alles door een voorbeeld, uijt den Regel van Drien genoomen opgehelderd en verklaard word.

Op dat nu de Gewrogten van deeze vierderlij slag van kennis klaar en duijdelijk worden begreepen, zoo word in het 2de Cap: voor af haare bepaalinge bij gebragt, en daar na een ijders uijtwerkingen in het bizonder opgenoemd; en als uijtwerkingen van de eerste en tweede slag van kennis de Lijdinge of Hartstogten aangemerkt, die strijdig met de goede reeden zijn; van de derde slag de goede begeerten; en vande vierde slag de oprechte liefden, met alle haare uijtspruijtzels.

Voor eerst dan word in het 3de Cap: gehandelt van de Hartstogten, die uijt de eerste en tweede slag van kennisse, dat is uijt de Waan, oorspronkelijk zijn, als namendlijk de Verwondering, Liefden, Haat, en Begeerten.

Waar na in het 4de Cap: word vertoond het gebruijk dat in de 3de slag van kennis voor den mensch begreepen is, in hem te ontdekken hoe hij na het waar belijd der reeden heeft te leeven, en dus ter omhelsing van het alleen beminnenswaardige op te wekken; als ook om de Hartstogten die uijt de Waan ontspruijten te schiften en te schijden, en daar van aan te wijzen in hoe verre hij die te volgen of te vlieden heeft.

En om dit gebruijk der reeden hier in wat bizonderder toe te passen, zoo handeld onze Schrijver

In het 5de Cap: van de Liefde.

In het 6de van de Haat en Afkeer.

In het 7de van de Begeerten, Blijdschap en Droefhijd.

In het 8de van de Achting; en Versmaading; van de Neederighijd en Edelmoedighijd; van de Verwaandhijd, en strafbaare Neederighijd.

In het 9de van de Hoop, en Vrees; van de Verzeekerdhijd, en Wanhoop: van de Wankelmoedighijd, Moed, Stouthijd en Volg-Jjver; van de Flaaumoedighijd, en Vervaardhijd; en eijndelijk van de Belgzugt.

In het 10de van de Knaging, en het Berouw.

In het 11de van de Bespotting, en Boerterije.

In het 12de van de Eere; Beschaamdhijd, en Onbeschaamdhijd.

In het 13de van de Gunst; Dankbaarhijd en Ondankbaarhijd.

En eijndelijk in het 14de Cap: van het Beklag.

Waar meede hij het geen na zijn oordeel van de Hartstogten te aanmerken was hebbende afgedaan, komt over te gaan tot

Het 15de Cap: alwaar de laatste uijtwerking van het waar Geloof, of de derde slag van kennis, word ingevoerd als het middel waar door het waare en valsche geschift, en aan ons kennelijk word.

Spinoza dan hebbende na zijn gedagten ontdekt wat Goed en Kwaad, Waarhijd en Valshijd is, als ook waar in de welstand van een volmaakt Mensch bestaat, acht dit onderzoek noodig, of wij tot zoo een welstand vrijwillig of genoodzaakt komen.

Hier op vertoond hij in het 16de Cap: wat de Wil zij, beweerende aldaar, dat dezelve geenzins vrij is, maar dat wij tot dit of dat te willen, te bevestigen of te ontkennen, in alle opzigten door uijtterlijke oorzaaken worden bepaald.

Maar op dat men de Wil met de Begeerten niet zou mogen vermengen, zoo wijsd hij in ’t 17de Cap: het onderschijd tusschen die bijde aan. En gelijk het Verstand en de Wil, zoo keurd hij ook de begeerten niet vrij, maar bevat alle en een ijder begeerte, eeven als deeze of die willing door uijtterlijke oorzaaken bepaald te zijn.

En om den Leezer tot omhelzing van al ’t voorgaande aan te spooren, zoo brijd hij zig in het 18de Cap: bizonderlijk uijt, om alle de nuttigheeden aan te toonen, welke daar in zijns oordeels leggen opgeslooten.

Doch of den Mensch nu door ’t genoemde Geloof, of de derde slag van kennis tot de genietinge van het opperste Goed en de hoogste Gelukzalighijd kan opgelijd, en van de Hartstogten, in zoo verre die kwaad zijn ontheeven worden, zoo onderzoekt onzen Schrijver in het 19de en 20de Cap: in zoo verre het laatste betreft, hoedanig de ziel met het Lichaam vereenigd is, en daar van onderschijden aandoeningen ontfangd, welke, van haar onder de vorm van goed of kwaad bevat, als de oorzaak van alle de verschijdene Hartstogten word aangemerkt. En aangezien zoodanige Waanen, waar door de voorzijde aandoeninge des Lichaams als goed of kwaad bevat, en dus de Hartstogten gebooren worden, volgens het 1te Cap: van dit Deel in de eerste slag van kennis, op hooren zeggen, of eenig ander uijtterlijk teeken; of, in de tweede slag van kennis, op eenige bevindinge onzes zelfs, gegrondvest zijn; zoo overreed hij zig in het 21te Cap: nademaal ’t geen wij in ons bevinden meer magt op ons heeft als ’t geen van buijten in komt, dat de reeden wel oorzaak kan zijn van de vernietiging dier Waanen dewelke wij alleen door de eerste slag van kennis bekomen, alzoo de reeden ons niet, gelijk die, van buijten is toe gebragt: maar geenzins van die dewelke wij door de tweede slag van kennis verkrijgen, nadien het geen wij in ons genieten niet kan overwonnen worden door iet magtiger, dat buijten ons is, en wij alleen door de reeden beschouwen.

Nademaal dan de reeden of derde slag van kennis geen magt heeft om ons tot onze welstant te brengen, of te Hartstogten te overwinnen die uijt de tweede slag van kennis ontspruijten, zoo treed Spinoza in het 22te Cap: over ter ontdekking wat hier toe het waar middel mag zijn. Nadien nu dat God het opperste goed is, dat van de Ziel gekend en bezeeten kan worden, zoo besluijt hij, dat indien wij in deszelfs vereeniging, of kennisse en liefden zoo diep eens komen in te dringen als in de geene welke wij in die met het Lichaam genieten, en daar door ontfangen, te weeten dusdanig een, dewelke niet uijt bereedeneerde besluijten, maar in een innerlijke genieting en onmiddelijke vereeniging van het weezen Gods bestaad, dat wij dan door de vierde slag van kennis ons opperste Hijl en Gelukzaalighijd zullen hebben berijkt: en dat dieshalven deeze laast genoemde slag van kennis hier toe niet alleen noodzaakelijk, maar ook het eenigste middel is. En om dat hier door in ons de voortreffelijkste uijtwerking en een onveranderlijke bestandighijd in de geene die dezelve genieten komt te ontstaan, zoo geeft hij het zelve de naam van Weedergeboorten.

Alzoo nu de menschelijke Ziel, volgens zijn gedagten, het denkbeeld is, dat in het denkend weezen van zeekere zaak zij, waar meede die door het denkbeeld vereenigd is, zoo lijd hij daar uijt in het 23te Cap: af, dat deszelfs bestandighijd of verandering moet geschat worden na de natuur dier zaak waar van zij het denkbeeld is: en gevolglijk dat indien de Ziel alleen in vereeniging bestaad met een zaak (hoedanig het Lichaam zij) die tijdelijk, en der verandering onderworpen is, dat ze met dezelve dan noodwendig zal moeten lijden en vergaan: daar ze in teegendeel van alle Lijding ontheeven, en der onsterffelijkhijd deelagtig zal zijn, zoo ze haar vereeniging onder gaat met een zaak wiens natuur eeuwig en onveranderlijk is.

Maar op dat niets deeze zaak aangaande zou over gelaaten worden, ’t geen eenige opmerking verdiend, zoo onderzoekt onzen Schrijver in het 24te Cap: of de Liefden des Menschen tot God weerkeerig is, dat is, of dezelve ook in-sluijt dat God den Mensch bemind of lief heeft: ’t welk verworpen zijnde, zoo verklaard hij, achtervolgens zijn voorige Leerwijze wat Godlijke en wat Menschelijke Wetten zijn: waar na ook de gedagten der geenen worden afgeweerd, die willen, dat God zig aan den Mensch zoude openbaaren en bekend maaken, door iets anders dan zijn eijgen weezen, als namendlijk, door een eijndige en bepaalde zaak, of onder eenig uijtterlijk teeken, ’t zij door woorden of Miraculen.

En vermits na zijn gevoelen de duuring van eenig ding afvloeijd van haar eijgen volmaakthijd, of van de vereeniging met wat anders van een volmaakter natuur, zoo ontkend hij dat ’t er een Duijvel is, alzoo hij oordeeld, dat zoodanig iets noch weezen noch bestaan kan hebben het welke alle volmaakthijd of vereeniging met dezelve ontbeerd, hoedanig hij den Duijvel beschrijft.

Onze Schrijver dan, met uijtzondering van den Duijvel, of die elders toe te vereijsschen, uijt de eenige beschouwing van de menschelijke natuur de Hartstogten hebbende afgelijd, en daar beneevens het middel aangeweezen, waar door dezelve ingetoomd, en het opperste Hijl des menschelijke geslagts te berijken is, merkt wijders in het 26te Cap: aan, waar in de waare Vrijhijd des Menschen, die uijt de vierde slag van kennis spruijt, geleegen is: waar toe hij voor af de navolgende Stellingen invoerd.

1. Dat hoe een zaak meer weezen heeft, hoe ze meer van de doening, en minder van de Lijding heeft.

2. Dat alle Lijding voort komt, niet door een innerlijke, maar door een uijtterlijke oorzaak.

3. Dat al het geen van een uijtterlijke oorzaak niet is voortgebragt ook met dezelve niets gemeen heeft.

4. Dat het gewrogt eener inblijvende oorzaak niet kan veranderen, noch vergaan, zoo lang de oorzaak duurd.

5. Dat de alder vrijste oorzaak, en die zijns oordeels God best past, de inblijvende is.

Uijt welke Stellingen hij weeder de volgende af lijd.

1. Dat het weezen Gods een oneijndige doening heeft, en een ontkenning van alle Lijding insluijt: en dat dieshalven al het geene daar meede is vereenigd hier door aan die doening deelagtig, en vrij van alle Lijding en verderving is.

2. Dat het waare verstand niet kan vergaan.

3. Dat alle gewrogten van het waare verstand, met het zelve vereenigd, de alder voortreffelijkste, en met haare oorzaak noodzaakelijk eeuwig zijn.

4. Dat alle uijtterlijke gewrogten van ons zoo veel te volmaakter bennen, als ze meer moogelijk zijn om met ons te konnen vereenigen.

Uijt alle dit gezegde besluijt hij dan, dat de menschelijke vrijhijd bestaad in een vaste weezendlijkhijd welke ons verstand door de onmiddelijke vereeniging met God bezit: invoegen zij noch haare gewrogten aan eenige uijtterlijke oorzaak kan onderwurpen, of daar door vernietigd of verwisseld worden; en dat ze gevolglijk in een eeuwige en bestandige duuring moet volharden.

En hier meede eijndigd Spinoza het Tweede en laatste Deel van dit zijn Werk. Waar achter hij echter noch een zoort van Aanhangzel, of Bijvoegzel heeft vast gemaakt: vervattende niet dan een kort ontwerp van zaaken die in het voorgaande begreepen zijn: en waar van het eerste gedeelte, over de natuur der Zelfstandighijd, op een Meetkundige wijze geschikt, zakelijk over een komt met het geene zijn gedrukte Zeedekunst, tot de 8te Voorstelling van deszelfs eerste Deel behelsd: en eijndelijk onderzoekt hij in het tweede gedeelte van dit Anhangzel, wat de menschelijke Ziel is, en waar in deszelfs vereeniging met het Lichaam bestaad.

Voorts heeft Spinoza dit geheele Werk op veele plaatsen met Aanteekeningen, tot uijtbrijding of nader Verklaaring van zaaken voorzien.

Reacties

Geachte heer Verdult,

Uw site inspireert, en wil ik u ervoor danken.

Groet, Harry Premselaar