De menselijke geest volgens Spinoza [1]

Voor ik weer eens probeer Spinoza's filosofie van de menselijke geest toe te lichten (de aanleiding vind ik in een reactie op een recent blog) lijkt het me nuttig een inleidende omweg te maken over wat bedoeld kan zijn met 'kennis van de natuur'. Daartoe wijs ik eerst op hoe - vooral tegenwoordig - vele wetenschappers en ingenieurs bezig zijn om van zgn. 'ontwerpen' uit de natuur te leren - biomimicry of bio-imitatie wordt dit genoemd. Een bekend en aansprekend voorbeeld is hoe de neus van de Japanse hogesnelheidstrein in de ‘Shinkansen 500 series' optimaal aerodynamisch werd ontworpen naar de snavel van de ijsvogel. Hierover is op internet veel te vinden, ik volsta met dit plaatje.
[En deze link naar een fraaie foto van de ijsvogel van natuurfotograaf Joost van der Sluijs]


Een ander voorbeeld is de intrigerende manier waarop sommige vlinders, zoals de morpho-vlinder, de papilio-vlinder en bovenal de parides-vlinder, licht met een laagjespatroon in hun vleugels manipuleren - de parides-vlinder zelfs in een driedimensionale structuur. Er zit geen kleurstof in hun vleugels, maar het gaat om zgn. ‘structurele kleur’, die ontstaat door de bijzondere microscopische structuur in de vleugels. Onderzoekers proberen door die vlinders te bestuderen een 'fotonisch kristal' na te maken, over de spectaculaire toepassingen waarvan ze allerlei fantasieën hebben. [Zie de intrigerende video "Kleuren als een vlinder. Dat willen wij ook" op wetenschap24.nl]

Waarom ik met deze voorbeelden begin is doordat je in het spreken erover - beluister b.v. die video over 'Kleuren als een vlinder' - alsof die vlinders weet hebben van hun bijzondere vleugelstructuur, of dat de natuur er kennis van heeft. Hier is 'kennis van de natuur' dan gebruikt en te lezen in de vorm van 'genitivus subjectivus' (waarin, bij wijze van spreken, de natuur als kennend subject wordt gezien).

Het wordt echter pas - bewuste - kennis van de natuur (nu te lezen in 'genitivus objectivus', waarbij het gaat om kennis over de natuur) als de mens er de geheimen van weet te ontdekken. Maar het is toch net alsof er in de natuur een bijzonder soort 'kennis' aanwezig is die wij mensen moeten zien te ontdekken. Maar in letterlijke zin weten we dat - behalve in sprookjes of creationistische godsdiensten - er geen kennisinstantie in de natuur is, geen subject van kennis, geen 'ontwerper' die eerst de ijsvogel bedenkt en vervolgens maakt. Ook de ijsvogelsoort heeft geen weet van aerodynamica en heeft zelf niet direct bijgedragen aan het ontwerp van zijn snavel. Dat gebeurde door de evolutionaire omstandigheden van natuurlijke selectie uit toevallige mutaties. Maar hij kan er nu wel goed gebruik van maken in zijn snelle duik zonder al te veel water te doen opspatten, ('goed gebruik van maken' is ook al niet goed uitgedrukt, want de vogel gebruikt het niet actief als instrument). Zo hebben die vlinders geen weet van optica, maar heeft de natuur hen in het evolutieproces uitgerust met een bijzondere vleugelstructuur, waarvan zij a.h.w. 'goed gebruik' kunnen maken om zich te beschermen tegen vijanden en tegelijk zich te laten zien aan mogelijke partners. Maar soms praten wetenschappers of zeker wetenschapsjournalisten erover alsof ze bezig zijn de kennis van die vleugelstructuur van de vlinders af te kijken, van hen te leren als het ware.

Zonder dat ik wil suggereren dat Spinoza al een vermoeden van de werkingswetten van de evolutie had (die wij sinds Darwin op weg zijn steeds verder te doorgronden), is wel duidelijk dat hij er van uitging dat de soorten (en uiteraard ook de mens en zijn menselijk lichaam) door de natuur waren gegenereerd. Hij heeft er geen enkele moeite mee om te zeggen dat God of de natuur de andere eindige dingen veroorzaakte, maar dat doet en deed met gebruikmaking van de al gegenereerde eindige dingen (E1/16-28). En (en daar gaat het me hier om) hij heeft ook geen enkele moeite om te spreken over 'kennis' die God of de natuur heeft: "God is de werkoorzaak van alle dingen die een oneindig verstand kan bevatten" (1/16c1). En hij heeft er geen moeite mee om te spreken over kennis in God of de natuur: "God kent iets wat in een afzonderlijk object van een idee gebeurt alleen in zover hij een idee van dat object heeft." (2/9c)

Wat ik in het vervolg hoop te laten zien is, dat Spinoza de taal hanteert zoals in sprookjes en godsdiensten gebeurt, maar dat op een filosofische of wetenschappelijke manier wil aanpakken. Hij spreekt dus volkomen serieus bedoeld over 'kennis van de natuur (of van God)' in zowel de de genitivus objectivus alsook in de genitivus subjectivus, hoewel hij God of de natuur niet als persoon en niet als subject, anders dan als substantiële onderlegger en in grammaticale proposities, zag, d.w.z. niet als subject in de na-kantiaanse betekenis van waarnemer en drager van ervaringen en intenties (het subject dat Hegel bij Spinoza zo miste).

Het is met 'kennis van de natuur' in deze genitivus subjectivus dat we tegenwoordig moeite hebben, zozeer zelfs dat we vaak niet meer in staat zijn te zien hoe Spinoza dit hanteert en hem dan in een vervormend niet passend jasje hijsen.

Dit alles ter inleiding om nog eens erop te wijzen, zoals ik het blog van 2 december 2013, "Geest is de idee van het lichaam", deed waarin ik kritiek formuleerde op de manier waarop Ursula Renz de 11e stelling van deel 2 van de Ethica benaderde, die luidt:

"Primum quod actuale mentis humanae esse constituit, nihil aliud est quam idea rei alicujus singularis actu existentis." [Het eerste wat het actuele zijn van de menselijke geest vormt, is niets anders dan de idee van een actueel bestaand individueel ding. E2/11]

Spinoza spreekt hier over de idee van iets als 'kennis in en van de natuur' en niet over een idee of een concept over iets dat gevormd wordt door dat 'reëel bestaande ding' zelf. Het is de geest waarmee de mens wordt uitgerust door de natuur en waarmee hij aan de slag kan, zoals de ijsvogel met zijn snavel en de morpho- e.a.-vlinders met hun vleugelstructuur. 

Dat Spinoza het zo ongeveer bedoeld moet hebben, leid ik vooral af van hoe hij verderop in de Ethica telkenmale een onderscheid maakt tussen God die de idee van het wezen [E2/23d, 2/34d, 2/40d] of de natuur [E2/11c, 2/24d, 2/30d] van de menselijk geest heeft/vormt en God die daarnaast ook ideeën van andere dingen heeft [E2/11c, 2/24d, 2/40d]. Daarover verder in een volgend blog.

 

 

Reacties

Zoals in een eerder blog al is gebleken: voor sommigen een boeiend onderwerp dat tot langlopende discussies aanleiding kan geven. Ik wil graag een enkele kanttekening maken bij alleen dit (deze? ik kan het niet vinden) blog zonder op die discussie vooruit te willen lopen of die hier al te willen sturen.
1) de ideeën waar Stan het over (2/11) heeft zijn de 'geesten' van de dingen, die met hun lichamen verenigd zijn. Het is waar Spinoza het over heeft als hij zegt dat alle dingen 'bezield' zijn, alleen in verschillende gradaties (de geesten zijn tot meer of minder in staat).
2) In alle verwijzingen aan het eind van het blog gaat het niet om 'God, DIE' , maar om 'God, VOOR ZOVER'. Als een mens iets waarneemt (hier gaat het over ideeën die de menselijke geest HEEFT), zegt Spinoza in 2/11c, neemt GOD dat waar VOOR ZOVER hij de natuur van de menselijke geest vormt. Dat is wat anders dan: neemt God dat waar die de natuur van de menselijke geest vormt.
En wat de genoemde tegenstelling betreft: Als God een idee heeft van iets, bijvoorbeeld van de zon, voor zover hij de natuur van de menselijke geest vormt en hij heeft daarnaast nog een idee van de zon, anders dan via de menselijke geest, dan heeft de menselijke geest onvolledige kennis van de zon, zegt 2/11c. En dat laatste is altijd het geval als het gaat om de kennis van 'dingen'. Want naast de idee die God van de zon heeft voor zover hij de natuur van de menselijke geest vormt, heeft hij ook een idee van de zon voor zover hij de geest van de zon vormt. Volgens mij legt Spinoza dat ergens zo uit, maar ik weet niet meer waar.

Henk, je bedoelt zeker 2/35s.
Maar de beste (Spinozistische) uitleg (formulering) hiervan vind je toch in een uitgewerkte vergelijking van De Volder, bedoeld om Leibnizop z'n nummer te zetten. Zie mijn De Volder-hoofdstuk in MIJN MANNEN ROND SPINOZA.

Waarschijnlijk heb ik het inderdaad afgeleid uit de laatste zin van 2/35s.

Stan, laat ik het zo zeggen: door 2/35s en waarschijnlijk nog door een andere tekst meende ik eindelijk te weten hoe ik het laatste stuk van 2/11c moest begrijpen. Maar je kunt daar natuurlijk een andere interpretatie tegenover stellen.

Henk, ik ga nog reageren, maar moet mij even op iets anders concentreren.