De menselijke geest volgens Spinoza [2]

Intermezzo: Deus quatenus

Ik eindigde het vorige blog met een soort cliffhanger waarin ik aangaf in een volgend blog in te gaan op hoe Spinoza na 2/11 in de Ethica telkenmale een onderscheid maakt tussen God die de idee van het wezen [E2/23d, 2/34d, 2/40d] of de natuur [E2/11c, 2/24d, 2/30d] van de menselijk geest heeft/vormt en God die daarnaast ook ideeën van andere dingen heeft [E2/11c, 2/24d, 2/40d]. Ik was dus van plan in te gaan op hoe Spinoza de 'Deus quatenus' hanteert.

Henk Keizer, die dit onderwerp telkens nauwlettend volgt, gaf aan dat ik daar al niet de aanduiding 'God die', maar 'God voorzover' had moeten gebruiken. Hij heeft gelijk - en dat was nu ook precies waar ik de aandacht op had willen leggen in aanloop naar het behandelen van Spinoza's geest-filosofie. Juist om die geest-filosofie goed door te krijgen, is van belang om in te zien hoe Spinoza zijn behandeling ervan opbouwt. En daarom is het nodig om niet te snel heen te lezen over zijn bewijzen, of - wat het wellicht meer zijn - uitleggingen.

Zoals bekend heeft Spinoza grote kritiek op Descartes die volgens hem niet de juiste 'orde van het filosoferen' in de gaten had gehouden door bij zichzelf (zijn 'Ik') en niet bij God of de alomvattende natuur te beginnen. Daar de alomvattende natuur of de ene substantie of God niet in delen is op te delen, moet hij - om vanuit de totaliteit iets over eindige singuliere dingen als mensen te kunnen zeggen - een passende taal zoeken waarin hij zich kan uitdrukken. Dat doet hij door te spreken van modificaties en modi (wijzigingen van de substantie), en ook veelvuldig door gebruik te maken van de term 'quatenus' (voor zover, naargelang) en vooral door te spreken over 'Deus quatenus'. Daarover schreef ik eerder een blog: "Spinoza's Deus quatenus. Ofwel Spinoza's perspectivisme." Dat perspectivisme betreft overigens niet alleen maar een wijze van beschouwen (considerare), maar geeft ook een reëel bestaand verschil in de werkelijkheid aan. Zo leunen de begrippen 'modus' en 'quatenus' dicht aan tegen begrippen als 'een deel' of 'gedeelte' van de totale werkelijkheid (of God) zonder dat precies te zijn. Ik wijs er nog op dat die term 'quatenus' nooit voorkomt in de stellingen, alleen in de uitleggingen (de bewijzen).

Drie manieren van spreken over God (quatenus)

Uit de bewijzen waarop ik in verband met Spinoza geest-filosofie het oog heb, tref je drie manieren van spreken aan over of kijken naar God of de natuur (hetgeen in Spinoza filosofie altijd tegelijk ook verwijst naar gedifferentieerde wijzen van werkelijk zijn):

[1] God in zoverre hij oneindig is - quatenus infinitus est [2/11c; 2/40d]; quatenus est res absolute cogitans [2/9d];

[2a] God voorzover de natuur van de menselijke geest hem doet kennen, met andere woorden voorzover hij het wezen van de menselijke natuur geest vormt - quatenus per naturam humanae Mentis explicatur, sive quatenus humanae Mentis essentiam constituit [2/11c]; God in zoverre hij de natuur van de menselijke geest vormt - quatenus naturam humanae Mentis constituit [2/12d]; quatenus humanae Mentis naturam constituit [2/23d].

[2b] God in zoverre hij het wezen van de menselijke geest vormt - quatenus essentiam Mentis humanae constituit [2/23d]; quatenus nostrae Mentis essentiam constituit [2/34d]; quatenus tantum humanae Mentis essentiam constituit [2/40d].

[3a] God voorzover hij van alle dingen en niet alleen van het menselijk lichaam een idee heeft - quatenus earum omnium ideas, et non quatenus tantum humani Corporis ideam habet [2/30d]; quatenus affectus consideratur alia idea rei singularis, quae res singularis ipsi parte, ordine naturae, pior est. [2/24d] God in zoverre hij wordt aangedaan door de ideeën van verschillende individuele dingen - quatenus plurimarum rerum singularium ideis affectus est [2/40d]

[3b] De idee of kennis van het menselijk lichaam (zijnde de menselijke geest) bestaat in God, voorzover hij beschouwd wordt als aangedaan door een ander idee van een individueel ding- quatenus alia rei singularis idea affectus consideratur [2/19d]; De kennis van alle delen waaruit het menselijk lichaam bestaat, is dus in God, voorzover hij door een groot aantal ideeën van dingen wordt aangedaan en niet omdat hij slechts van het menselijk lichaam een idee heeft, dat wil zeggen (volgens stel. 13 van dit dl) de idee dat de natuur van de menselijke geest vormt [2/24d].

Opmerkingen

[1] De eerste beschouwingswijze van God (als oneindig en absoluut) komt in deel 2 niet aan de orde; bij die manier van naar de natuur of God kijken staat uitdrukkelijk 'non' - die is het niet.

[2] De tweede manier van God of de natuur in ogenschouw nemen betreft het feit dat het wezen, resp. de natuur van de menselijke geest gevormd wordt. Soms [b.v. in 2/23d] lijkt het alsof er een onderscheid is tussen natuur en wezen van de menselijke geest, maar in 2/11c is sprake van natuur sive wezen, hetgeen dus een andere manier van spreken, maar niet van zijn aanduidt.

[3] Bij de derde manier van de natuur of God in ogenschouw nemen is het onderscheid van belang tussen de dingen die het menselijk lichaam vormen en alle andere dingen. Uit de ideeën van de eerste ontstaat de geest van de mens voorzover God door een groot aantal ideeën van dingen wordt aangedaan [2/19d, 2/24d]; hier gaat het om het generen, het veroorzaken van de geest (en gaat het om een andere invalshoek dan het zijn of de natuur van de geest). Het aandachtspunt "voorzover God door een groot aantal ideeën van andere dingen wordt aangedaan", zal Spinoza gebruiken om het verschil in adequaatheid en niet-adequaatheid van kennis toe te lichten.

Ik ga dit onderscheid in deze twee manieren van kijken naar God of de natuur in het vervolg gebruiken om een onderscheid te maken tussen "ontstaan en structuur van de geest" (waarvan de mens zich niet bewust kan zijn) en "werking of functioneren van de geest" (als andere aanduiding voor 'natuur of wezen' van de geest; het is datgene waarvan de mens zich bewust kan zijn).

Reacties

Mooi, gedegen overzicht, belooft interessant vervolg. Op één punt ben ik het niet met je eens. Dat is in [3b] over je interpretatie van 2/19d: de kennis/idee van het lichaam is in God voor zover hij door een groot aantal ideeën van dingen wordt aangedaan. Jij interpreteert: dat zijn de ideeën van alle (onder)delen van het lichaam (à la 2/15). Dat lijkt me niet juist. Het zijn de ideeën van het grote aantal lichamen dat nodig is om het lichaam a.h.w. continu te regenereren (even daarvoor in 2/19d). Er is niet voor niets een verwijzing naar 2/9. Daar zegt Spinoza: de idee van een individueel ding (bijv. het menselijk lichaam) heeft God als oorzaak voor zover hij wordt aangedaan door de idee van een ander individueel ding (in het geval van het menselijk lichaam: een groot aantal ideeën van andere individuele dingen). Met andere woorden: de oorzaak van de idee van een individueel ding is een ander idee van een individueel ding (in het onderhavige geval: een groot aantal andere ideeën van individuele dingen). Het is de standaard wijze waarop Spinoza de ideeën van individuele dingen beschrijft: de ideeën van delen van het menselijk lichaam (2/24d, ook die worden zo beschreven!), de ideeën van externe lichamen (2/25d) en nu ook de idee van het menselijk lichaam (2/19d). Het is een beschrijving van de idee van het menselijk lichaam c.q. de menselijke geest naar zijn oorzaak (en dat zijn dus niet de ideeën van de delen van het lichaam). Zoals gezegd: zo beschrijft Spinoza ALLE ideeën van individuele dingen. Bijvoorbeeld van elk (onder)deel van het menselijk lichaam: 'van elk deel [van het lichaam] zal er een idee of kennis in God zijn ... voor zover men hem beschouwt als aangedaan door een ander idee van een individueel ding', met een verwijzing naar 2/9!, en even verderop wordt dat 'door een zeer groot aantal ideeën van dingen'.

Nog een kleine verschrijving: ik denk dat je in [2a] bedoelt ‘voor zover hij het wezen van de menselijke geest vormt’ in plaats ‘het wezen van de menselijke natuur’.

Dank, Henk, voor je uitvoerige reactie die ik nog verder tot me door ga laten dringen (mijn eerste indruk is dat ie treffend is). Die verschrijving waar je op attendeert is inderdaad zo en ga ik direct in het blog wijzigen.

Henk, ik geef toe dat ik wat onder punt 3 staat te snel samengevat en daardoor foutief heb geformuleerd. Ik wilde eigenlijk twee dingen tegelijk zeggen, (waarmee ik mezelf voor de voeten liep), n.l. enerzijds dat je het onderscheid kunt waarnemen tussen het ontstaan (het veroorzaken, het genereren van de geest) en anderzijds het resultaat, ofwel het zijn van de geest (de natuur of het werken van de geest); en tevens wilde ik al aangeven dat er het verschil is tussen de (inwendige) delen die tezamen het complexe lichaam vormen, hetgeen geen statische zaak is maar een voortdurend regeneratief gebeuren, (het idee van het resultaat van welk lichamelijk proces de geest uitmaakt) en alle aan dit lichaam uitwendige dingen, waardoor dit lichaam kan worden aangedaan; en daarmee alvast vooruit lopen op Spinoza's kennisleer.
Ideeën ontstaan bij Spinoza uiteraard nooit uit dingen. Vandaar altijd zijn frase "de idee van elk individueel ding (bijv. het menselijk lichaam) heeft God als oorzaak voor zover hij wordt aangedaan door de idee van een ander individueel ding." Ik herken me bijna geheel in jouw beschrijving. Alleen mis ik daarin één belangrijk aspect: het gaat hier uiteraard niet om de idee van welk willekeurig ander individueel ding ook, maar zoals Spinoza in 2/24d heel fraai formuleert: "van een individueel ding wat aan dat deel in de orde van de natuur voorafgaat (volgens stel. 7 van dit dl.)."

Ik denk aan de volgende herformulering van het derde aandachtspunt
3] Bij de derde manier van de natuur of God in ogenschouw nemen, is het onderscheid van belang tussen de dingen die het menselijk lichaam vormen en alle andere dingen. Uit de ideeën van de dingen die het menselijk lichaam vormen, die God als oorzaak hebben voorzover hij wordt aangedaan door een groot aantal ideeën van andere dingen die aan die eerdere in de orde van de natuur voorafgaan, ontstaat de geest van de mens [2/19d, 2/24d]; hier gaat het om het generen, het veroorzaken van de geest (en gaat het dus om een andere invalshoek dan het zijn, het wezen of de natuur van de geest; dan gaat het om God in zoverre hij de natuur van de menselijke geest vormt). Het aandachtspunt "voorzover God door ideeën van andere dingen wordt aangedaan", zal Spinoza telkens ook gebruiken om in het geval van kennis die uit ideeën van de aandoeningen van het lichaam in de geest ontstaat, het verschil in adequaatheid en niet-adequaatheid van kennis toe te lichten.

Voortreffelijk commentaar, Henk, waarbij ik mij ( met Stan dus) aansluit.

@Wim, dank. @Stan. Nog een enkele opmerking. Je legt erg de nadruk op het onderscheid tussen het menselijk lichaam en andere dingen, waarschijnlijk omdat je toe wilt naar de menselijke kennis die andere dingen. Maar inhoudelijk is er reden om dit onderscheid te maken. Voor alle ideeën van individuele dingen geldt:
1) de idee is in God voor zover hij wordt aangedaan door een ander idee/andere ideeën van individuele dingen (de 'veroorzakende' ideeën)
2) de idee is in God voor zover hij de natuur van de idee vormt.

ad1) Voor (de idee van) het menselijk lichaam zijn dat (de ideeën van) de voedingstoffen die via omzettingsprocessen (de idee van) het menselijk lichaam regenereren. Zo lees ik het begin van 2/19d.
ad 2) Dit behandelt Spinoza alleen voor de menselijke geest, waarvan de natuur zoveel voortreffelijker is dan de natuur van de geest (animata!) van andere individuele dingen.

GEEN reden

@Henk, kan het zijn dat er ergens een woordje ('niet' of 'geen') mist in je reactie? Ik snap anders niet waarop dit een reactie is; ik bedoel wat het gestelde onder 1 en 2 anders is dan wat ik schrijf... Dit was de reactie die ik aan het schrijven was en toen ik hem wilde inbrengen, zag ik dat je hierop al geantwoord had.

Ik zie die reden wel en die ligt in "de orde van de natuur" (waarop je niet ingaat). Er zijn, hoewel redelijk vaag en nooit absoluut, grenzen tussen individuen.

Maar dan iets anders: met je toelichtingen onder ad1 en ad2 kan ik het niet eens zijn.
ad1) betreft niet alleen de voedingsstoffen, maar alle zaken die naar de orde van de natuur maken dat deze mens er is en kan blijven bestaan; niet alleen de voedingsstoffen, maar alle de mens genererende oorzaken ('sterrenstof', het zaad van vader, eitje van moeder, zuurstof, de bacteriën in je darmen, de voedings- en andere bouwstoffen etc.);
ad2) Dit werkt Spinoza inderdaad alleen verder uit voor de menselijke geest, maar de principes gelden zoals hij in 2/13s aangeeft, voor alle dingen (die in diversis gradibus animata zijn). En inderdaad kwalificeert Spinoza die diversis gradibus zo dat de menselijke natuur voortreffelijker is - relatief dus. In de aanvang van het derde deel benadrukt hij nog eens dat de wetten van de natuur overal gelijk zijn; maar verschillen in natuur tussen mensen en dieren zijn er en geeft hij nog eens duidelijk aan in 3/57s.

@Henk. De menselijke ziel zo VEEL VOORTREFFELIJKER dan dierenzielen? Je verwijst natuurlijk naar 'praestet', doch vergeet dat overeenkomstig en op basis van Spinoza's eigen criterium 'vel cedet' (marginale aantekening bij 2/13s in Leidse OP) niet mag ontbreken.

@ Stan, de mens zit, net als alle andere dingen, ook in de orde van de natuur. De mens is een individueel ding als alle andere individuele dingen. Daarom geen reden om dat onderscheid tussen het menselijk lichaam en andere lichamen te benadrukken. Dat heb ik willen aangeven.
Bij ad1): Er is 'in de orde van de natuur' natuurlijk een hele reeks van oorzaken voor een toestand zoals die is, ook voor die van de menselijke geest. Maar heeft Spinoza dat op het oog als hij zegt dat een idee in God is voor zover hij wordt aangedaan door een ander idee (op grond van 2/9)? Heeft hij het dan niet over 'rechtstreekse' veroorzaking van een idee? Het gaat er mij om hoe Spinoza 2/9 in 2/19d toepast op de menselijke geest. Ik denk dat hij in 2/19d alleen aangeeft welke 'andere ideeën' rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de actuele toestand van de idee van het menselijk lichaam. Dat zijn dan de ideeën van de invoer voor de stofwisselingsprocessen. Dat lees ik tenminste in 2/19d.
En volgens mij ben je het met mijn toelichting onder ad2) wèl eens. Je herhaalt alleen iets uitvoeriger wat ik zei.

@Wim, hoe vaak ben je al niet aangekomen met de glosse in de Leidse OP bij 'praestet' in 2/13s: 'vel cedet' - 'of erbij achterblijft'. Prima hoor, maar dat het daar om "Spinoza's eigen criterium" gaat, is jouw persoonlijke interpretatie. Het heeft er meer mee te maken dat jij zelf dat vindt, dan dat je kunt bewijzen dat het van Spinoza afkomt. Uit wat Spinoza verder allemaal schrijft is duidelijk dat hij met de praestantia unius mentis prae alii de mens humana op het oog heeft. Zie ook waar ik hierboven verwees naar 3/57s.

@Wim, ik denk dat de natuur van de menselijke geest in die zin voortreffelijker is dan de natuur van een dierlijke geest, dat de mens een (zelf)reflecterend verstand heeft. Dat heeft er mee te maken dat het menselijk organisme in bepaalde opzichten (!) hoger ontwikkeld is dan het dierlijke systeem. Zie 2/13s.

Want, Wim, 'om te bepalen waarin de menselijke geest verschilt van de andere EN DEZE OVERTREFT, moeten we de natuur van zijn object kennen, d.w.z. het menselijk lichaam' (2/13s)

@ Stan: het gaat om de 'andere ideeën' die Spinoza desalniettemin tot de idee van het menselijk lichaam rekent ('de idee in God, voor zover ....') en niet de ideeën die op grotere afstand (mede) oorzaak zijn.

Jongens, willen jullie soms ontkennen dat er andere dieren (dan wij) zijn die mobieler zijn en/of beter uitgerust sensorum hebben dan wij? Nou dan. En Henk apart, doe jij daar net niet aan een petitio principii? Waar wij, dieren, iets percipieren, zijn wij ons - dat is nu juist het eigenaardige van een idee hebben - daarvan bewust. Of in jouw woorden : 'hebben we een (zelf) reflecterend verstand'. Ja, ik zei: wij dieren.
Onlangs stelde ik in een tweet droevig vast: de radicale Spinoza glijdt van ons weg.

Maar Spinoza heeft het in 2/13s over de MENSELIJKE geest die de andere overtreft, en niet over de 'dierlijke' geest die de andere overtreft. Er staat toch echt MENSELIJKE geest. En inderdaad, in EEN BEPAALD OPZICHT is het menselijk organisme beter uitgerust dan het dierlijke.

Henk, ik ervaar onze uitwisseling als uitdagend en vruchtbaar. Ik wil proberen aan te geven waarom het onderscheid in binnen- en buitendingen (en respectieve ideeën) van belang is. Ik weet trouwens niet of je Spinoza zo kunt lezen en uitleggen dat alleen de meest recente, nabije ideeën meebegrepen zijn in het idee van het lichaam dat de menselijke geest uitmaakt. Het mooie van 2/9 stelling en bewijs is nu juist dat Spinoza erop wijst dat alles in de natuur in één groot netwerk samenhangt. Hij wijst op de keten van dingen en de bijbehorende keten van ideeën die in eenzelfde orde en verband van oorzaken staan. Dus God is van het idee van een actueel bestaand individu de oorzaak voorzover hij beschouwd wordt aangedaan te zijn door een ander idee van een (actueel bestaand) individu, en weer van een derde enz. tot in het oneindige.
In het idee van dit individu zoals het op dit moment actueel bestaat, komt die hele reeks ideeën van allerlei (deel-)individuen die nu als delen dit momentane, actuele individu vormen, samen. Het menselijk individu is dus tweevoudig complex: een lichaam samengesteld uit vele delen, die elk hun lange ketengeschiedenis hebben en een geest die uit vele ideeën bestaat die eveneens elk hun lange ketengeschiedenis hebben [zo is te lezen uit 2/9]
Dit samengestelde of complexe idee is wat dan (vanaf dan) het wezen of de natuur - dat is de geest - van dit individu uitmaakt. Deze ontstaansvorm van het idee vanuit hele ketens van ideeën van de samenstellende delen is ook dé reden waarom dat individu zich daar niet bewust van is en z'n lichaam en zichzelf niet kent (hij is immers God niet).
De cesuur in dat ketenvormige netwerk van dingen en bijbehorende ideeën is dus dat (a.h.w. durende) momentum van het actuele bestaan, waarop de dingen waaruit het individu bestaat in een vaste verhouding van beweging en rust tot elkaar verkeren en tegelijk uit de ideeën ervan de natuur van de menselijke geest wordt gevormd. De laatste, de geest, is dus a.h.w. de resultante van dat hele voorafgaande vormingsproces, vanaf welk 'momentum' dat individu kan beginnen met ervaringen op te doen. Hoewel dat individu in dat netwerk met externe dingen (en bijbehorende ideeën) verbonden blijft en voortdurend wat het nodig heeft in zich blijft opnemen, is er aanleiding om dat onderscheid tussen binnen- en buitendingen te maken, want alleen zo, als individu met inwendige dingen beschouwd, is hij centrum van ervaringen - kan hij [vanaf 2/19] via aandoeningen te ondergaan zichzelf, d.w.z. z'n lichaam en geest, en de wereld leren kennen.

@Stan. Klinkt niet verkeerd, maar ik betwijfel toch of je 'de idee van het menselijk lichaam' zover mag uitstrekken als jij voorstelt. Spinoza schrijft (2/19d, enigszins bekort):
'De idee van het menselijk lichaam is in God voor zover hij wordt aangedaan door de idee van een ander individueel ding (door 2/9). Omdat het menselijk lichaam een groot aantal lichamen nodig heeft die het a.h.w. continu regenereren, zal deze idee [van het menselijk lichaam] in God zijn voor zover hij wordt aangedaan door de ideeën van een groot aantal individuele dingen.'
Wat is nu in dit verhaal 'een groot aantal individuele dingen'? Waar slaat dat op terug? En wat is derhalve in dit verhaal 'de idee van het menselijk lichaam'?

Volgens mij zeg je niets over waarom het onderscheid tussen binnen- buitendingen van belang is (zoals je in de tweede zin aankondigt).

Wat het laatste betreft, Wim, dat geef ik in de laatste zin van mijn reactie en vooral in de laatste 4 regels.

Ik heb bovenstaande blog en reacties maar diagonaal doorgelezen, en misschien ligt het er aan dat me iets ontgaat, maar mijn indruk is dat de opvatting van Spinoza over de menselijke geest helemaal niet zo ingewikkeld is, eenmaal men het model vat. De verwoording in E2 is echter erg zwaar, en ik denk dat Spinoza dit vandaag, met de nieuwe informaticabegrippen, heel wat eenvoudiger zou uiteenzetten.
Ik zie E2p19 en het bewijs er van als volgt. De menselijke Geest is de weergave in informatietermen van het menselijk lichaam. Deze Geest kan (meestal onvolmaakte) kennis krijgen van iets via de zintuigen (de aandoening door een modus) en houdt deze kennis bij in het “geheugen” (in fysieke termen: in de configuratie van de neuronen van ons brein). Op dat ogenblik hebben we een Geest (die kennis is die bestaat in de God/Natuur) die kennis heeft van iets, bv. een zonnebloem. Het is alleen die laatste kennis (zonnebloem) die in “ons” bewustzijn is, niet de eerste (volmaakte) kennis van het menselijk lichaam. “Ons”, het subject, bestaat echter niet voor Spinoza (en ik volg hem daarin): alles is één. In plaats van “in ons bewustzijn” schrijft hij: “in God voor zover hij het wezen van de menselijke geest uitmaakt”.

@Mark, leuk dat je meedoet. Spinoza gebuikt het subjectbegrip niet vaak, maar kent het wel [zie E3/5] waar hij juist over de individuele dingen en hun conatus spreekt. Het is een discutabele (Hegelse) uitleg dat Spinoza het subject en 'Ik' niet zou (er)kennen. Hij wil daar niet à la Descartes bij beginnen, maar er zeker wel bij uitkomen: bij de fortitudo [E3/59s] die geen passie maar een handelen is.
Dat "alles één" is, is sub specie aeternitatis juist, maar er is ook veelheid en tijdelijk bestaan van singuliere dingen en Spinoza doet juist zeer z'n best om ook iets over ons mensen te schetsen. Misschien is daarom E2 erg zwaar en echt iets ingewikkelder dan jij hier vlotjes schetst.