De menselijke geest volgens Spinoza [3]

Er bestaat veel verwarring over Spinoza's geest-theorie (in het tweede deel van de Ethica "De Mente", over de mens humana), en vanuit misbegrip worden er in de secundaire literatuur veel schijnproblemen over opgeworpen, zoals b.v. het pancreas-probleem - zo benoemd door Michael Della Rocca die het lanceerde (ik kom er later op). Dat Spinoza's geest-theorie zo dikwijls onvoldoende of verkeerd begrepen wordt of - wat nog vaker gebeurt - er aan voorbijgegaan wordt, is misschien niet zo verwonderlijk, want die theorie zit uiterst ingenieus in elkaar, of je kunt ook zeggen: ingewikkeld, want wordt door Spinoza zeer compact en uiterst summier behandeld. Je moet die theorie opdiepen en reconstrueren uit de manier waarop Spinoza hem toepast. Hij heeft zelf die theorie uiteraard scherp en duidelijk in z'n achterhoofd en geeft er telkens stukjes van prijs, waar hij dat nodig heeft. En misschien beleefde hij er ook lol aan het als een puzzel aan te bieden. Aan een meer schoolse uitleg heeft Spinoza, heb ik de indruk, een broertje dood - alsof hij alleen voor goede verstaanders wil schrijven. Hij geeft die goede verstaander alle puzzelstukjes, maar die moet die geest-theorie dan nog wel voor zichzelf opnieuw in elkaar leggen. Ik hoop dat hier te doen en - in samenspraak met de reacties - uit te komen bij het resultaat dat Spinoza's geest-theorie tenslotte goed te begrijpen is. Aan het eind van de reeks blogs breng ik mijn analyse onder in een schema.

Het eerste aspect in de geest-theorie

[1] Geest is..., ja, het éérste wat de geest is: het is het idee van het lichaam [2/11 en 2/13 samengenomen]

In deze stelling zegt Spinoza vele dingen tegelijk:

a. Geest is nooit iets op zichzelf, maar is altijd het idee van iets: van een ding, resp. een lichaam. Dit is uiteraard tegen Descartes gericht voor wie geest een eigen substantie was - iets dat op zichzelf kon bestaan. Niet dus, aldus Spinoza. Geest is altijd: idee van een ding en is niet los verkrijgbaar.

b. Het is 'het eerste'. Dit lijkt op het eerste gezicht raadselachtig en krijgt erg weinig aandacht, maar het is volgens mij uiterst betekenisvol. Spinoza geeft er (zoals uit het vervolg nog zal blijken) mee aan dat er sprake is van een voorwaarde (voor de menselijke geest): eerst moet er namelijk een idee zijn, een idee gevormd zijn, alvorens een menselijke geest ermee kan werken (dat wil zeggen: kan waarnemen, concepten kan vormen en dingen begrijpen en zo zich bewust worden van z'n lichaam, de wereld en zichzelf).
Het is niet voor niets dat Spinoza juist in het scholium bij deze stelling vraagt om eerst alles te lezen, alvorens z'n theorie te beoordelen. Velen zijn te gehaast.
Doordat dit niet begrepen wordt en hier in deze stelling 'idee' al als 'bewustzijn' gelezen wordt, ontstaan er problemen en worden dingen minder goed begrijpbaar. [Zo deed bijvoorbeeld J.W.T.E. Sikkes in zijn boekje Spinoza. Leer en leven [Servire, 1946]; maar hij was de enige niet]. Zo wordt het belangrijke onderscheid dat Spinoza (hier nog impliciet maar verderop expliciet) maakt over het hoofd gezien: n.l. het verschil tussen een idee ZIJN en een idee HEBBEN. [Hierover schreef ik onlangs een blog waarin ik Ursula Renz erop betrapte dat ze dit onderscheid niet duidelijk had; en een blog over Habemus enim ideam veram (TIE 33)]
 

c. Om als mens een idee te kunnen vormen (om als geest te kunnen functioneren) moet je eerst een geest zijn: moet de natuur je voorzien hebben van een (complex) lichaam dat voorzien is van een geest die tot veel in staat is en zo in ieder geval in staat is zelf ideeën te vormen, resp. de ideeën die in hem ontstaan te begrijpen. Het genereren door de natuur van een geest gaat vooraf aan het hebben van en kunnen werken met een geest. Dat zit allemaal in dat 'primum' en dat wordt m.i. teveel over het hoofd gezien.

d. Ja maar, zeggen degenen die het idee in 2/11 al als idee lezen waarvan de menselijke geest zich bewust is (of dat daar al het idee is dat de mens heeft): in definitie 3 staat toch: "onder 'idee' versta ik een concept van de geest, die de geest vormt omdat hij iets is dat denkt"?
Dat klopt, maar in 2/11 moet dan de geest van God of de intellectus infinitus bedoeld zijn en kan dat nog niet de menselijke geest zijn. In het contrafactische geval dat de geest daar van de mens uit zou zijn gedefinieerd als idee van het menselijk lichaam, zou deze als het ware zichzelf tot stand brengen. Dat zou een 'onmogelijke figuur' zijn. Dan zou a.h.w. vanuit het niets iets (een 'spookgeest') de idee van het lichaam vormen om zo zichzelf geest te maken. Zo werkt dat uiteraard niet.
Dus in 2/11 wordt van de natuur uit de ontologie (het ontstaan en zijn) van de geest gegeven, waarna later het functioneren ervan kan worden behandeld.

e. Dat de menselijke geest in 2/11 zo gezien moet worden, namelijk van God ofwel van de natuur uit en niet van onszelf uit, geeft Spinoza ook aan in het corollarium bij 2/11: de menselijke geest is een idee dat in de natuur ('t oneindige verstand van God) gevormd wordt en is zo een deel van dat verstand [let wel: geen deel van God, want God kan niet gedeeld worden, maar van de oneindige modus, of 'het maaksel' (KV), het oneindige verstand; whatever that may be - dat neem ik vooralsnog for granted].

 

[2] In het corollarium bij 2/11 begint Spinoza onderscheidingen te maken, zoals hij ze ook verderop regelmatig gebruikt, namelijk tussen

a. het idee dat God heeft van het menselijk lichaam, waarmee hij de aard van de menselijke geest vormt [merk op hoe de idee in 2/11 dus Gods idee van het menselijk lichaam is (genitivus objectivus) en niet het idee van de mens zelf (genitivus subjectivus)];

b. de ideeën die God daarnaast uiteraard nog heeft van alle andere dingen. En daar de mens nooit alles tegelijk kan overzien, maar altijd tijdelijke en eindige kennis heeft en dus nooit complete kennis, maar altijd gedeeltelijke kennis kan hebben, laat Spinoza hier in  2/11c alvast weten dat die menselijke waarnemingskennis inadequaat zal zijn; hij loopt daarmee vooruit op wat hij later in 2/24 nog nader zal uitleggen.