De menselijke geest volgens Spinoza [5]

Dit blog komt in de plaats van het vorige. Ik herneem dat blog, daar ik zoals blijkt uit de reacties van Henk Keizer, een ernstig storende leesfout beging. Ik had waarschijnlijk niet goed meer naar 2/12 gekeken, daar ik voor het gemak de stellingen 2/11 en 2/13 samen had genomen en dat had ik wellicht beter, zo blijkt achteraf, niet kunnen doen. Enfin, ik pak hier de draad weer op en herschrijf dat vierde blog dat ik niet ga wissen, daar de reacties erop zeer informatief zijn (ik heb door de reacties op mijn slordige leesfout er een hoop van geleerd).

In een aantal blogs ben ik aan het proberen Spinoza's geest-theorie te schetsen. Ik breng een uitleg zoals ik die nog nergens tegengekomen ben. Een aanleiding waarom ik daaraan begon is de tegenspraak die er volgens sommigen en niet de eersten de besten, te vinden zou zijn tussen de stellingen 2/12 en 2/19 - ik kom daar zo op (hoewel ik over de secundaire literatuur op dit thema verder niet al te veel wil zeggen, wat ook niet nodig is als je het misverstand onderuit haalt).
In de aanloop naar dit blog liet ik in een eerste blog zien dat we soms spontaan geneigd zijn de natuur als zodanig kennis toe te schrijven; iets waarvan we nu menen dat dat onjuist is (zien als iets dat alleen past bij metaforisch taalgebruik van sprookjes en religie), maar waar Spinoza vanuit gaat in zijn spreken over Deus sive Natura. In het tweede blog stelde ik aan de orde hoe Spinoza in twee manieren van spreken over God (quatenus) zijn geest-theorie ontvouwt: op de ene manier van spreken laat hij zien hoe God of de natuur de geest (als idea van lichaam) doet ontstaan, deze veroorzaakt, genereert en regenereert; op de tweede manier van spreken hoe het wezen of de natuur van de geest in elkaar zit of werkt. Het derde blog besprak de belangrijke stellingen 2/11 en 2/13 samengenomen, waarin wordt benadrukt dat de idea van het lichaam dat de geest uitmaakt, niet een idee is dat een mens HEEFT, maar dat hij IS: de mens maakt niet zelf zijn geest, maar ontvangt die van de natuur (van God).

Als je eenmaal ziet dat Spinoza op twee manieren (quatenus) over de menselijke geest spreekt dan begrijp je ook dat er helemaal geen tegenspraak of contradictie bestaat in zijn spreken erover: de ene keer heeft hij het over het ene aspect, de andere keer over het andere. De sleutelstelling die dat laat zien is 2/19 waarin we lezen: "De menselijke geest kent het menselijk lichaam zelf niet en weet niet dat het bestaat, behalve door de ideeën van de inwerkingen die het lichaam ondergaat." Dit lijkt op het eerste gezicht in tegenspraak met stelling 2/12 die luidt: "Alles wat er gebeurt in het object van een idee die de menselijke geest uitmaakt, dat moet door de menselijke geest worden waargenomen, m.a.w. daarvan zal in de geest noodzakelijk een idee bestaan. D.w.z. als het object van een idee die de menselijke geest uitmaakt een lichaam is, zal er in dat lichaam niets kunnen gebeuren wat niet door de geest wordt waargenomen."

In het bewijs van 2/12 gebruikt Spinoza niet de frase waarmee hij op het feitelijk ontstaan van het idee wijst ("de idee in God voor zover hij wordt aangedaan door een groot aantal andere ideeën," zoals in 2/9), maar de frase waarmee hij het wezen of de natuur (ik noem dat hier: de werking) van de geest benoemt ("God voor zover hij de natuur van de menselijke geest vormt").

Het bewijs van stelling 2/19 is de plaats waar die beide benaderingen (de twee frases God quatenus) voor het eerst bij elkaar komen (het is Henk Keizer die daarop wees). Op die plek laat Spinoza aldus het verschil tussen beide benaderingen zien. Daar zien we derhalve de verklaring dat er geen sprake is van tegenspraak. Daar laat Spinoza zien hoe je over de geest als het idee van het lichaam kunt spreken op twee manieren (zoals hij in stellingen daarvoor al gedaan had, cf. 2/9 de ene resp. 2/12 de andere manier): n.l. 'naar z'n ontstaan of veroorzaakt zijn' en 'naar z'n werken of er-zijn' (ik denk dat ook andere verwoordingen van deze perspectieven mogelijk zijn: de geest naar z'n formele en naar z'n objectieve zijn of nog een andere manier van aanduiden: naar DAT de geest is en WAT de geest is - maar dat duid ik alleen maar aan).

Voor wie die beide perspectieven (of beschrijvingen quatenus) ziet, is er er geen tegenspraak meer. Het ontstaan, de opbouw en het onderhoud van de geest via alles waardoor het lichaam ontstaat en wordt onderhouden en waarvan in God ideeën zijn "voor zover hij wordt aangedaan door een groot aantal andere ideeën," daarvan zijn wij mensen ons niet bewust. Die vormen zo gezien de voorwaarde voor het functioneren van de geest, waarmee het bewust waarnemen van de menselijke geest zelf kan beginnen door God "voor zover hij de natuur van de menselijke geest vormt."

Er is dus een verschil tussen de vorming van de - complexe - geest [i.v.m. het parallellisme] uit de ideeën van alles waaruit het lichaam ontstaat en wordt onderhouden (d.w.z. blijft bestaan en groeien) en het werken en waarnemen door de aldus gevormde geest zelf. Dat laatste gebeurt dus, zo vertelt 2/19 ons (verwijzend naar 2/12), door het opdoen van indrukken op en door ons lichaam. Alleen dat laatste, de aandoeningen, neemt onze geest waar en leidt tot kennis en bewustzijn van de geest van het eigen lichaam, de omgeving en zichzelf - is kennis van en voor ons.

Je kunt die twee perspectieven aanduiden met de term 'differentiatie', als het maar niet leidt tot het aannemen van verschillen binnen de geest of verschillende typen geesten. Nee, er is één geest (of idee) van een lichaam, dat zus of zo bekeken kan worden (ik heb voor die verschillen inmiddels genoeg benamingen gebruikt). 

Er zijn derhalve twee soorten kennis (idea is kennis) van de geest: de kennis van het lichaam (genitivus objectivus) die de geest IS en de kennis van het lichaam (genitivus subjectivus), van de wereld en de eigen geest, die de geest HEEFT.

Spinoza spreekt daar verder niet over, maar het is nu duidelijk wat zijn antwoord op het zgn. "pancreas-probleem" zou zijn: van onze organen zijn wij ons niet bewust, maar is er alleen kennis in God of de natuur "voor zover hij wordt aangedaan door een groot aantal andere ideeën." Pas van aandoeningen ervan zullen wij iets merken.

[Overigens is de medische wetenschap al aardig gevorderd in het "ontlenen" van die kennis aan God of de natuur, zodat 'we' al aardig wat van de pancreas en de hersenen etc. weten, maar dat is toch iets anders dan bewust ervaren]

 "Moeten er ook nog gedachten in?" vraagt de man die daar links met kennelijk een vrachtje gedachten aan komt lopen.