De (onbestaanbare) homo liber of vrije mens en "het echte leven"

Hier mijn kleine bijdrage aan het thema van de Maand van de filosofie: "het echte leven."

Een jaar geleden, in een blog van 18 april 2010 met de titel “Is Spinoza net zo keihard als Augustinus?” schreef ik uitvoerig over stelling 72 van het Vierde deel van de Ethica: Een vrij mens handelt nooit bedrieglijk, maar altijd te goeder trouw.

Ik had moeite met de stelligheid, het ‘altijd’ dat maakte dat er voor Spinoza geen enkele uitzondering bestond, zoals hij in het bijbehorende scholium nog eens benadrukte. Hoe kon dit stroken met het streven van elk ding om in zijn bestaan te volharden? Zijn antwoord op die vraag die hij uitdrukkelijk behandelt, bevredigde mij niet.

Ik ga mijn bezwaar-argumenten niet herhalen en verwijs daarvoor naar dat blog. Bij herlezing sta ik nog geheel achter dit mijns inziens helder geschreven stuk. De reacties erop gaven wel enige relevante en interessante aandachtspunten, maar bevredigden mij nog steeds niet. De kwestie verschoof naar de achtergrond, maar bleef wringen.

Tot ik dit weekend de laatste paragraaf van het vijfde hoofdstuk van het boek van Michael Della Rocca, Spinoza, las, dat precies over deze kwestie gaat. (Binnenkort ga ik meer over dit boek schrijven). Ook daar: “[t]he “always” is problematic, for does Spinoza really want to say that reason dictates that we should never deceive others, not even in the most dire situations [..]?”

Precies mijn kwestie dus. En ook hij verwijst bij de behandeling van de kwestie naar Kant.

En wat blijkt? In 1990 heeft Don Garrett deze kwestie uitvoerig behandeld en opgelost in het artikel: “’A Free Man Always Acts Honestly, Not Deceptively’: Freedom and the Good in Spinoza’s Ethics.” Nu ik deze titel eenmaal ken, blijkt het artikel behoorlijk vaak geciteerd te zijn. En in zijn hoofdstuk “Spinoza's ethical theory” in het door hem geredigeerde boek The Cambridge companion to Spinoza [Cambridge University Press, 1996] heeft Don Garrett zijn analyse en oplossingsvoorstel ook nog eens in het kort behandeld.

Het komt erop neer (en hier vat ik Della Rocca’s en Don Garrett’s samenvattingen op mijn beurt nog een samen): Spinoza refereert uitdrukkelijk naar ‘de vrije mens’ als iemand die niet beïnvloed wordt door externe krachten [ID7] en dat is wat mensen betreft een idealisering. Want “[h]et is onmogelijk dat een mens geen deel van de natuur is en alleen veranderingen kan ondergaan, die louter uit zijn aard begrepen kunnen worden en waarvan hij de adequate oorzaak is." [IVP4] Mensen zijn als eindige modi altijd onderworpen aan veroorzaking door dingen buiten hen en kunnen alleen al daarom nooit volstrekt vrij zijn. Een volledig vrij mens (een onmogelijk zijnde dus) zal zich nooit in de situatie bevinden waarin hij z’n leven door liegen zou moeten redden.

Vrijheid komt, net als macht, in graden. Bedreigd worden door een gewapend iemand overkomt alleen ons gewone, meer of minder vrije en tegelijk minder of meer passieve wezens, die om in hun bestaan te volharden soms zullen moeten liegen. Zoals ook Spinoza schrijft in het 16e hoofdstuk § 6 van de TTP.

Zo zijn beide stellingen van Spinoza met elkaar verzoenbaar: het ideaal van IVP72 en het streven om in ons bestaan te volharden van IIIP6. Het ideaal van IVP72 is een soort geïdealiseerde limiet in de richting waarvan we, meer kennis verwervend en zowel sterker als vrijer wordend, kunnen bewegen en kan dus niet als een absolute eis buiten elke praktische situatie en zonder uitzonderingen gesteld en begrepen worden. We moeten de stelling dus lezen als “inzoverre (quatenus) een mens vrijer is… (zal hij minder liegen)”.

-----

Over deze kwestie ook:

Lee C. Rice: Spinoza and Highway Robbery. In: Archiv für Geschichte der Philosophie. Volume 80, Issue 2, Pages 211–218

Reacties

Uiteraard moeten we 4/72 lezen in graduele zin (eatenus - quatenus). Dit neemt echter niet weg dat 4/72 primair een statement over burgerschap betreft in het politieke traktaat Ethica 4, dat zijn hoogtepunten in 4/37 en 4/51 heeft. Ik heb daarover minstens even helder als jij uitgeweid en flink tegengas gegeven tegen je individualistische interpretatie. Je lezer moge dat ook nog eens tot zich nemen; ik ga dat niet herhalen. - Als je bij Della Rocca iets verder kijkt op de zelfde bladzijde 199, zie je zijn bevestiging van mijn visie: "It is clear from this scholium that Spinoza sees the ban against lies as flowing from the interest that each person has in the existence of common law and a civil society". Maar vervolgens gaat hij in de fout door de politieke dimensie volledig te verwaarlozen. - Overigens kan ik je plan om aan dit boek een uitgebreide bespreking te wijden enkel maar toejuichen. Er staan interessante beschouwingen in, die aanleiding kunnen geven tot pittige discussies. Een schot voor de boeg: hij heeft een blinde vlek voor 'Spinoza politicus', net als trouwens de door jou vermelde Don Garrett, die het als 'editor'van de CAMBRIDGE COMPANION TO SPINOZA (1996) niet nodig vond een aparat hoofdstuk te (laten) wijden aan wat misschien wel Spinoza's 'sterkste 'bias' was: de politiek. Ook bij jou, Stan, mis ik nog steeds de politieke motivatie; het is alsof je het liefst van deel 3 overspringt naar deel 5.