De 'vork van Jonathan Israel' op de 'vork van David Hume' genomen

In het zomernummer van Filosofie & Praktijk neemt Ton Vink de Verlichtingstrilogie van Jonathan Israel op de beroemde vork van David Hume. Het maken van onderscheid tussen uitspraken die ‘matters of fact’ uitdrukken en uitspraken die ‘relations of ideas’ uitdrukken staat bekend als ‘de vork van Hume’. Als een bewering noch op de ene noch op de andere tand van die vork past, betreft het slechts een holle frase, gespeend van elke betekenis. En die kunnen we missen – op de mestvaalt ermee. Dit gold volgens Hume vooral de theologie en de traditionele metafysica en daar wilde hij een eind aan maken. De beroemde laatste woorden van zijn eerste Enquiry gaan daarover: "When we run over libraries, persuaded of these principles, what havoc must we make? If we take in our hand any volume of divinity or school metaphysics, for instance; let us ask, Does it contain any abstract reasoning concerning quantity or number? No. Does it contain any experimental reasoning concerning matter of fact and existence? No. Commit it then to the flames: for it can contain nothing but sophistry and illusion.” [David Hume, Enquiry concerning human understanding, 1758, sect. XII, dl. III -§ 132]

Vink wijst erop dat Israel in zijn werk over de Radicale Verlichting (met Spinoza in de hoofdrol) eveneens zo’n vork hanteerde, n.l. die van de twee takken van de Verlichting die hij onderkende: een radicale en een gematigde. In Nederland zag hij de radicale wortels van de Verlichting groeien: "The seditious business of reworking Descartes's duality of substances, extension, and mind into a one-substance materialism - the realm of the physical - subjecting the entire cosmos to the rules of mechanical cause and effect, rules which authentic Cartesians applied to bodies but not to the realm of the spiritual, began in the 1650s and 1660s, at Amsterdam and Leiden". Een ontwikkeling die vooral doorwerkte in La Mettrie en de andere Spinosistes.

Daarnaast was er dan de grotere mainstream gematigde Verlichting, met als belangrijkste onderscheid tussen beide varianten "the difference between reason alone and reason combined with faith and tradition..." Deze tweedeling beschouwt Israel als alomtegenwoordig en absoluut. En dan rijst natuurlijk de vraag: waar past Hume hier? Vink schrijft dan: “Israel gebruikt zijn vork om Hume in de gematigde mainstream Verlichting te plaatsen, die de rede met geloof en traditie combineert. Maar wat nu,” zo stelt Vink, “als het verschil tussen beide 'Verlichtingen' van een andere orde is? Wat als het bij radicale Verlichting om een ander verschil gaat? Als het gaat om het verschil tussen: aan de ene kant Verlichting, gekenmerkt door de rede, als een rationeel, zekere kennis producerend vermogen dat ofwel alleen functioneert of in combinatie met geloof en traditie en, aan de andere kant Verlichting, gekenmerkt door de rede als een vermogen dat "is and ought only to be the slave of the passions...” (Treatise) en "...can never, of itself, be any motive to the will, and can have no influence but so far as it touches some passion or affection" (A Dissertation on the passions), een rede die bovendien nooit absoluut zekere kennis kan opleveren, maar die, integendeel, "when it acts alone, and according to its most general principles, entirely subverts itself..." (Treatise)? In dat geval hebben we een vork of tweedeling met David Hume aan de meest radicale, en dat wil zeggen sceptische, zijde.

Wat Israel hier onvoldoende in zijn overwegingen betrekt, volgens Vink, is dat bij Hume, in zijn kennistheorie, niet alleen het gebied van het geestelijke en spirituele op de schop gaat (net als bij de door Israel zo graag omarmde radicale philosophes) door dit gebied te onderwerpen aan "the rules of mechanical cause and effect", maar dat bij Hume ook nog eens diezelfde "rules of mechanical cause and effect" zélf op de schop gaan. Daarmee is Hume op dit terrein veel radicaler en 'opruiender' dan binnen Israels schema mogelijk is!

"Ook in Democratic Enlightenment (2011) hanteert Israel zijn vork om de bewuste tweedeling te illustreren, met Hume op de conservatieve tand: "Throughout the history of the Enlightenment, whether we approach it from a scientific, religious, or political standpoint, this fundamental and irresolvable duality between the created and providential and non-created and non-providential schemes of reality was so important that it generally remained the chief factor shaping the Enlightenment's course." (2011, 19) En die dualiteit of tweedeling kon ontstaan "...as most major philosophical questions in dispute, such as whether or not morality is divinely delivered, whether or not the Bible is divine revelation, whether or not the soul is immortal, whether or not prophecy is imposture, whether or not miracles are possible (...) were basically either/or issues." (2011, 33).

Het ontgaat Israel - en dat is toch eigenlijk onbegrijpelijk - dat áls dit inderdaad dualiteiten zijn in de vorm van echte "either/or issues", Hume structureel aan de radicale kant van het dilemma opduikt. 'Radicaal' is overigens iets anders dan 'revolutionair'. Ook al steunde Hume de Amerikaanse founding fathers in hun streven naar zelfstandigheid, hij was - Israel wijst daar terecht op - zeker niet geneigd zich in de politiek over te geven "to any grand plan proposed by philosophy." (2011, 225) Maar dat lijkt me vooral een kwestie van gezond verstand."

Hoe komt Israel nu bij Humes "religious conservatism"?
Vink laat zien hoe Israel geleidelijkaan via een viertal tussenstapjes meent bij Humes "religious conservatism” uit te komen. Ik kan moeilijk hier het hele artikel citeren. Vink haalt deze stapjes een voor een onderuit, waarbij opvalt dat Israel Hume hier en daar serieus neemt, maar volgens Vink daarbij Humes ironie mist. Ook weegt hij niet mee dat zoiets als ‘schepping’ of het ‘plaatsvinden van wonderen’ bij Hume de waarschijnlijkheid van nul nadert, zodat Israel met het concluderen tot Hume’s "religious conservatism” in Vinks ogen hopeloos verdwaald blijkt te zijn geraakt.

Kortom, de vork van Israel is mogelijk niet zo stevig als de vork van Hume.

Enfin, ik wilde even op dit artikeltje attenderen: “Minima Philosophica: Jonathan Israel & David Hume, een wijsgerig vorkje prikken”, in: Filosofie & Praktijk, jg 33, nr 2, blz. 40 - 43

Ik citeerde hier zonder de preciese verwijsplaatsen, daarvoor verwijs ik naar het artikel van Ton Vink.

Voor dit blog ook gebruik gemaakt van Jan Sleutels: DAVID HUME [PDF]

Reacties

Al jaren verwijt ik Jonathan zijn miskenning van Hume's radicale crypto-Spinozisme. Ton Vink heeft gelijk met zijn steekspelletje.