Edgar Allan Poe (1809 – 1849) zijn er trekken van Spinozisme in hem te ontdekken?

Ik kom op deze vraag n.a.v. zijn minst gelezen nogal enigmatische laatste werk Eureka. An essay on the material and spiritual universe (1848). Poe bracht het als een gedicht, maar hij schetste erin diepgaande inzichten over het ontstaan van het universum (hij zou van het idee van de big bang de voorloper zijn geweest) én voor hem zou de zwaartekracht geen fundamentele natuurkracht zijn, maar een samengesteld effect, niet gebonden aan de snelheid van het licht (en daarmee zou hij tevens de voorloper zijn van de ideeën van de natuurkundige Erik Verlinde). Ook liep hij vooruit op de na hem komende ontdekkingen van niet-euclidische meetkundes door aan te geven dat het vijfde axioma van Euclides, het zogenaamde 'paralellenpostulaat', dat zegt dat twee evenwijdige lijnen elkaar nooit kunnen snijden, een goed begrip van een dynamisch universum in de weg zat. [cf.]
Ik kom zodadelijk terug op Eureka.

Waarschijnlijk zegt al genoeg dat in geen van de vele biografieën over Poe Spinoza voorkomt: bij – in willekeurige volgorde - Arthur Hobson Quinn, Milton Meltzer, Una Pope-Hennessy, Jeffrey Meyers, Thomas Streissguth, J. Gerald Kennedy & William A. Read (Eds.), Kevin J. Hayes of in Kevin J. Hayes (Ed.), The Cambridge Companion to Edgar Allan Poe… nergens komt de naam Spinoza voor. Alleen George Edward Woodberry maakt een vergelijking van Poe met de "God-intoxicated Spinoza" [Vol 2, p. 124], maar daarmee verwijst de auteur naar Poe’s schrijfverslaving en die aan drugs en alcohol en zegt die vergelijking iets over de eruditie van de biograaf, niets over Poe. We zouden elk “onderzoek” naar de bovengestelde vraag beter meteen kunnen staken.

De enige tekst over een eventuele relatie van Poe met Spinoza die ik heb kunnen vinden is van

Mónica Papazu, “Mann, a thought of God: an essay on poe’s tales” [in Atlantis, 1988 PDF].
Zij analyseert een hele reeks van Poe’s verhalen en wil in dit artikel bewijsplaatsen aandragen voor haar overtuiging dat Poe in zijn wereldbeeld sterk beïnvloed zou zijn door Spinoza.

Maar niet alleen heeft zij (en zou Poe dan hebben), zoals uit de titel al blijkt, een nogal idealistische Spinoza-uitleg, waarbij de mens niet meer is dan “the thought of God" [p. 4/110 en 8/114]; en daar het universum op een rationeel principe is gebouwd zou gelden: "the mind is primordial" [p. 5/111]

Een citaat uit het verhaal The Mystery, geeft een sterk dualisme aan tussen God en de natuur: “That Nature and its God are two, no man who thinks will deny. That the later, creating  the former, can, at will, control or modify it, is also unquestionable.” [p. 2/108]. Ze citeert dat de mens is een “non-essential, powerless being" [p. 3/109] en gaat dus voorbij aan de conatus.
Of de opvatting over het kwaad (the Perverse) helemaal in de lijn van Spinoza’s filosofie is betwijfel ik; in ieder geval lezen we over "man's tendency to destruction of himself (suicide)" en dat druist zeker in tegen Spinoza. [p. 7/113]

Als er ergens één letterlijke verwijzing in Poe naar Spinoza te vinden zou zijn geweest, dan had ze die wel vermeld, mag je aannemen. De Spinoza-connectie moet dus uit hetgeen Poe schrijft afgeleid worden, en de ‘afleidingen’ die zij geeft, vind ik alle niet van toepassing.

Dan terug naar Eureka, Poe's interpretatie van het universum. Het is lang veronachtzaamd geweest, maar staat tegenwoordig weer meer in de belangstelling. Op de website van de Edgar Allan Poe Society of Baltimore staat een kort artikel uit 1899 van

Charles Leonard Moore, “The American Rejection of Poe,” [Dial, January 16, 1899, 47:40-41 cf.] met daarin deze alinea, waarin 4x Spinoza voorkomt:

“Eureka” has, I judge, been less read than anything else Poe wrote. Certainly it has been little discussed. The average critic probably finds it difficult to place, and so lets it alone. It is difficult to place. It is too scientific for rhapsody — too plain for mysticism; and yet it is hardly either science or metaphysics. It might be tersely described as the ideas of Spinoza in the language of Newton. Poe as a thinker resembles those old Greek philosophers — Pythagoras, Parmenides, or Empedocles — who chanted in verse their luminous guesses as to the origin and constitution of things, without troubling themselves as to any analysis of their knowledge. Coleridge said of Spinoza that if It rather than I was the central fact of existence, Spinoza would be right. It and not I was the basis of the Pre-Socratic Greek thinkers; and perhaps our most modern philosophy has the same foundation. Schopenhauer’s substitution of Will for Consciousness as the final fact, and the Darwinian theory, both tend that way. Without knowing anything of Schopenhauer, and anterior to Darwin, Poe’s thought also tends that way. He has nothing of the mathematical pedantry of Spinoza, and of course none of the immense scientific detail of the evolutionists; but I do not see why his guess is not as good as theirs. In one very startling idea he seems to have been anticipated. Deducing that the Universe is finite — mainly because laws cannot be conceived to exist in the unlimited — he goes on to say there may yet exist other worlds and other universes, each in the bosom of its own private and peculiar God. Cardinal Newman is authority for the statement that Franklin used to dally with this idea in conversation. Poe, while in Philadelphia, may possibly have heard of Franklin’s speculation. I can recall nothing like it elsewhere.”  [cf.]

Als er trekken van Spinozisme in Poe te ontdekken zouden zijn, gaan die eerder terug op gemeenschappelijke derden, zoals de pre-socratici, of Democritus, Lucretius e.d.. Verder zijn er nogal grote verschillen. Zo is i.t.t. tot hetgeen we in het laatste citaat lezen, bij Spinoza het Universum niet eindig.