Een verklaring over hoe men spinozistisch wijs kan worden

Het is al enige dagen opvallend rustig op dit weblog.

Naar aanleiding van een recensie van mij van het boek van Herman De Dijn, hadden Wim Klever en ik een meningsverschil – een ruzie leek het die we al eerder en vaker uitvochten – waarna en waardoor er een poos afstand werd genomen en er wat windstilte op dit weblog ontstond. Ik heb die tijd gebruikt om alles nog eens en meermalen te herlezen en te overwegen.
Daarover gaat dit blog.

Ik had mijn recensieblog expres al de titel gegeven: “Er bestaat geen orthodoxe Spinoza-interpretatie”- een uitspraak die ik in het boek van De Dijn was tegengekomen. Die auteur heeft duidelijk ook al vaker verkeerd te midden van meningsverschillen over interpretatie van Spinoza-teksten.

Een eenduidige interpretatie van Spinoza is al nauwelijks mogelijk, daar er onduidelijke passages in zijn werken zitten en er – zeker bij sommige interpretaties – een spanningsveld in zijn tekst lijkt ingebakken te zitten. Ik probeer hierna aan te geven dat er binnen deel V geen spanning hoeft te worden afgelezen.

Vooral degenen die Spinoza als volstrekt naturalistisch en necessitaristisch interpreteren komen in deel V voor moeilijkheden te staan. Als alles volstrekt gedetermineerd is, is er geen enkele ruimte voor vrije, in de zin van ongedetermineerde, onveroorzaakte, keuze. Er is immers geen (in die zin vrije) wil. Dus zou je ook niet kunnen willen om een beter leven te gaan leiden, al dan niet aan de hand van studie van de Ethica. Maar hoe zit het dan met de conatus?

Wim Klever haalt vooral dat naturalistische, necessitaristische, fatalistische uit Spinoza’s tekst. Zo laat hij in zijn artikel “Hoe men wijs wordt” [zie PDF] zien dat Spinoza in deel V van de Ethica bewezen heeft hoe we allemaal door toevallige ervaringen die we opdoen, steeds wijzer en gelukkiger worden. Het zijn, volgens hem, de gevarieerde ervaringen die iedereen tot rede en tenslotte tot intuïtie voeren. Klever schrijft dan in reactie op het blog van 21 november: “Omdat wij niet allemaal dezelfde ervaringen hebben noch hetzelfde aantal, is er verschil in ontwikkeling mogelijk. Vast staat evenwel dat alle mensen volgens Spinoza ooit beschikken over de intuïtieve kennis, de volmaakte wijsheid, waarin zij voelen en ervaren dat zij, dat alles, eeuwig is.”
Volgens mij staat dat niet vast en heeft Spinoza zoiets niet beweerd.

Als dit door Spinoza volledig bewezen zou zijn, dus geometrisch-wetenschappelijk als werkelijk waar is aangetoond, dan is er geen enkele ruimte om dit proces te beïnvloeden, zijn de toevallige ervaringen zelfs niet enigszins bij te sturen. Dan wordt het wel dubieus dat Spinoza in scholium V/10 met zijn remedies komt. Dan wordt dat a.h.w. ‘therapeutische gedeelte’ goed beschouwd onzin. En dan slaat ook de tekst waarmee de Ethica eindigt (dat het om een moeilijke weg gaat), nergens op.

Klever trekt een dergelijke conclusie. Hij schrijft: "Je hebt goed gezien, dat die in zekere zin ook een correctie inhoudt op wat ik in ETHICOM schreef naar aanleiding van Spinoza's finale scholium, waarin wordt gesproken over de zeldzaamheid van de hoogste kennis en de steile weg daarheen. Dat lijkt niet alleen maar is ook in strijd met de vele proposities die ik in mijn artikel heb geprofileerd. Hier zegt Spinoza als het ware: doe je best, alleen dan kom je op het hoogste kennisniveau. Deze moraliserende taal vind je ook elders in deel 5, namelijk in het scholium bij 5/10, dat praktische levenslessen aanbiedt en wemelt van 'gerundivi' (wat je moet doen). Hierbij kun je eveneens vragen: wat voor zin heeft dat, geachte Spinoza, om ons zo voor te houden wat we allemaal MOETEN doen, als ons handelen toch gedetermineerd is, zodat wij het noodzakelijkerwijs doen (of niet doen)? Er zit dus een SPANNING in Spinoza's tekst, die niet valt weg te moffelen. Die tekst is niet perfekt. Ik heb mij gehouden aan zijn streng wetenschappelijke argumentatie in de proposities en hun bewijzen."

Welnu, ik heb er moeite mee om aan te nemen dat de zeer schrandere Spinoza zichzelf en ons, dit soort onzin op de mouw zou spelden. Daarom heb ik dus de neiging om dat 100%-bewezene van een naturalistisch automatisme in de richting van het volstrekte geluk voor iedereen, met een korreltje zout te nemen. (De ‘cognitieve dissonantie’ die dit oproept, moet, zoals ook Spinoza in de eerste stelling van deel V beschrijft, gereduceerd worden).

Ik denk dan ook en zie tekenen dat Spinoza voor mensen in ieder geval wel een zekere mate van teleologie aanvaardt. De kosmos, het universum kent geen doelen, maar wij wel. Hij erkent dat mensen enige sturing kennen via het stellen van doelen, het hebben van voornemens, het maken van plannen. Er is dus enige ruimte om te streven naar beter inzicht en een betere wijze van leven.

Als Spinoza in de lange appendix van deel I van de Ethica de aan God of de natuur toegeschreven teleologie verwerpt, noemt hij het algemene vooroordeel dat alles in de natuur net als de mensen zelf, gericht is op een doel (communiter supponant homenes, omnes res naturales, ut ipsos, propter fine magere). Hij bewijst dit vanuit het principe dat ieder geneigd is, en dat weet, naar wat hem voordeel biedt – de later geïntroduceerde conatus. Ook in de praefatio van Deel IV noemt hij nog eens het foute idee dat de natuur zich de mensen als voorbeeld neemt (sibique exemplaria proponere) en doelgericht handelt. Impliciet stelt hij daar dus het doelgerichte handelen van mensen.

Vlak daarop geeft hij wel aan dat de zogenaamde doeloorzaak ook bij mensen niets anders is dan menselijke aandrift. Maar hij werkt het voorbeeld uit (het willen wonen als doeloorzaak) waarbij voorafgaande aan de aandrift om een huis te bouwen men zich de gemakken ervan voorstelde. (Uiteraard is men zich niet bewust van alle oorzaken waarom men deze voorstelling had).

Daar is dus enige ruimte voor teleologie - niet in de natuur, wel bij de mensen. Definitie IV/7 wordt dan: onder ‘doel waarom wij iets doen´, versta ik het nagestreefde. Spinoza gebruikt in die genoemde praefatio ook de notie exemplaar (voorbeeld of model) van de menselijke natuur als middel om het goede te benaderen. Alle zijn het signalen van een zekere teleologie. Hoeveel teleologie? In hoeverre echte invloed van doelstelling kan worden erkend of in hoeverre die toch naturalistisch/fysicalistisch gezien moet worden, daarover bestaat een hele literatuur, die ik uiteraard niet om me heen heb en kan behandelen. In ieder geval geeft Spinoza aanleiding tot deze brede discussie over de conatus en een zekere mate van teleologie voor de mens.

Laten we nu eens kijken naar het bewijs van het automatisme, waarop Klever zich beroept, waardoor alle mensen vanzelf tot de intuïtieve kennis en gelukzaligheid zouden komen. Dat ‘mechanisme’ steekt in de stellingen V/11 t/m V/14.
Daarin wordt aangegeven hoe we door herhaling en toename van de ervaringen almaar meer de algemene eigenschappen der dingen leren zien. [Omdat ik geen zin heb ze over te typen, neemt ik hier de gedigitaliseerde tekst uit de DBNL over van Benedictus de Spinoza, Ethica in meetkundigen trant uiteengezet ( vertaald, ingeleid en toegelicht door Nico van Suchtelen). Wereldbibliotheek, z.p. [Amsterdam] 1928 (tweede druk)

 

Stelling XI.
N aarmate een beeld [indruk] op meer zaken betrekking heeft, zal het herhaaldelijker vóórkomen of zich doen gelden en neemt het den Geest meer in beslag.

Bewijs.

Immers naarmate een beeld of aandoening op meer zaken betrekking heeft, zijn er ook meer oorzaken waardoor het kan worden opgewekt of aangewakkerd, al welke oorzaken de Geest (vlg. het onderstelde) juist tengevolge van die aandoening, tegelijk beschouwt. Derhalve zal die aandoening even dikwijls [als elk dier oorzaken] voorkomen of zich doen gelden en den Geest (vlg. St. VIII v.d. D.) meer in beslag nemen. H.t.b.w.

 

Stelling XII. De beelden der dingen worden lichter verbonden met beelden, betrekking hebbend op dingen, welke wij helder en duidelijk begrijpen, dan met andere.

Bewijs.

Dingen, welke wij helder en duidelijk begrijpen, zijn òf algemeene eigenschappen, òf wat daaruit kan worden afgeleid (zie de Definitie der Rede in Opmerking II St. XL D. II), en hun voorstelling zal dus dikwijls in ons worden opgewekt (vlg. voorgaande St.). Het kan derhalve lichter voorkomen dat wij andere zaken gelijktijdig met hen dan met weer andere beschouwen, en bijgevolg (vlg. St. XVIII D. II) zullen wij ze ook lichter met hen in verband brengen. H.t.b.w. Stelling XIII.

Naarmate een beeld met meer andere verbonden is, zal het meer in ons opkomen.   

Bewijs. Immers naarmate een beeld met meer andere verbonden is, zullen er (vlg. St. XVIII D. II) ook meer oorzaken zijn waardoor het kan worden opgewekt. H.t.b.w.

Stelling XIV.

De Geest heeft het in zijn macht alle lichaamsindrukken of alle beelden der dingen, tot de voorstelling Gods terug te brengen. Bewijs.

Er is geen lichaamsindruk waarvan de Geest niet een of andere heldere en duidelijke voorstelling kan vormen (vlg. St. IV v.d. D.). Derhalve heeft hij het in zijn macht (vlg. St. XV D. I) om ze allen tot de voorstelling Gods terug te brengen. H.t.b.w.

 

Klever concludeert daaruit: “Wij kunnen het niet helpen dat wij steeds vaker overal het algemene ofwel gemeenschappelijke schouwen.” En hij stelt dan (Spinoza doet dat nergens): “dat wij op den duur alles als iets eeuwigs moeten gaan zien.” Hij ziet dat als het mechanisme “waardoor volmaakte godskennis in de mens noodzakelijk ontstaat”. Hij eindigt zijn artikel met: “Het bereiken van de top der wijsheid geschiedt in de onbeheersbare, onvoorspelbare en volstrekt toevallige ervaring. Daar is geen substituut voor. Ook Spinoza’s werk biedt geen handleiding.” In voetnoten krijgen alle Spinoza-geleerden die iets anders beweren op hun kop.

In het laatste scholium van deel V maakt Spinoza het onderscheid tussen de wijze en de onwetenden, die alleen door lust worden geleid. “Want de onwetende wordt niet alleen door uitwendige oorzaken op veel manieren opgejaagd en is nooit tot ware gemoedsrust in staat …etc.” Hoe kan Spinoza dit schrijven als hij eerst het lot van het automatische geluk van alle mensen zou hebben beschreven? Zoals hij volgens Klever in V/11 t/m V/14 deed?
Vlak voor dat scholium had Spinoza in V/41 nog eens levendig geschreven over hoe “het volk anders denkt”. Daar geeft hij aan hoe geheel verschillende overtuigingen kunnen ontstaan.

Dan even terug naar het begin van deel V. Opvallend is dat de daar geponeerde beginstellingen van conditionele vorm zijn. St. V/2 “Indien wij een gemoedsbeweging of aandoening scheiden van de gedachte aan een uitwendige oorzaak en met andere gedachten verbinden, gaan Liefde of Haat jegens die uitwendige oorzaak, evenals alle zielsberoeringen, welke uit deze aandoeningen ontsprongen, te niet.” Stelling V/3 “Een aandoening, welke lijding is, houdt op een lijding te zijn, zoodra wij er ons een heldere en duidelijke voorstelling van vormen.” Het is in beide gevallen geen vanzelfsprekendheid dát wij dat doen. Of ze hebben een potentiële lading. Stelling V/4 “Van elke aandoening van het lichaam kúnnen wij ons een helder en welonderscheiden begrip vormen.” Stelling V/6 “Naarmate de Geest alle dingen als noodwendig begrijpt, heeft hij meer macht over zijn aandoeningen, ofwel heeft hij minder van hen te lijden.” In beide gevallen is het geen automatisme dat wij dat doen. En dan geeft als klap op de vuurpijl stelling V/10 aan dat wij in staat zijn etc. volgen de te beoefenen leefregels.

 

Maar dan zouden de stellingen V/11 t/m V/14 ineens een algemeen mechanisme beschrijven? En niet een mechanisme dat met het vorige stellingencomplex in verband staat? Het gaat daar uiteraard om het mechanisme zoals het in gang wordt gezet door hen die zich met deze manier van denken en inzien bezig houden. Spinoza laat daar dus zien hoe dat soort oefenen van leefregels zin heeft – hij verklaart a.h.w. hoe dat vruchten kan afwerpen, hoe dat werkt en je verder brengt. In stelling V/14 laat hij zien wat de geest kan: alle aandoeningen van het lichaam m.a.w. de beelden der dingen, met de idee van God in verband brengen. Is dat de manier van schrijven van iemand die een automatisme beschrijft? Zou zo iemand dan niet 'zal' geschreven hebben?

Zoals meestal geeft Spinoza geen voorbeelden. Ik denk dat hijzelf de voorafgaande beschreven mensen van ‘oefenende geestesgesteldheden’ voor ogen had en dat hij van ons verwacht dat wij dat bij lezing van dit stellingencomplex ook zullen inzien.

Neem als als tegenvoorbeeld iemand die denkt aan het popconcert dat hij komend weekend in het stadion zal bezoeken; en dat met het meisje waarop hij onlangs verliefd werd; en zich met vreugde herinnert dat hij de kaartjes ervoor als cadeautje van zijn ouders kreeg met wie hij een goede band heeft; en dat hij vanmiddag met haar nieuwe kleren zal kopen, die hij zondag dragen zal; en..en… enz. Allemaal levendige voorstellingen die zijn geest gevangen houden. De algemene eigenschappen daarvan voor zover de dingen echt zijn wat ze zijn, kent hij heel goed. En hij verbindt ze gemakkelijk met andere voorstellingen over zijn vrienden, zijn opleiding, zijn leraren, zijn auto, zijn vakantie… Het is duidelijk dat Spinoza dit soort ervaringen en emoties niet voor ogen had. Deze jongeman loopt een grote kans dat hij onder het volk gaat behoren zoals Spinoza het in scholium V/41 zo levendig beschreef.

Kortom, Spinoza beschrijft daar, in de stellingen V/11 t/m V/14 het mechanisme van onze geest en het daarmee te bereiken effect, voor zover het zich bezig houdt met de daaraan vooraf beschreven dingen. Waarom staan die stellingen daar (en niet ergens anders)? Hij bewijst daar op die plaats dat het zin heeft om zijn vlak daarvoor gegeven aanbevelingen (de leefregels) te volgen – dat het daarmee echt en werkelijk zal lukken om verder te komen. Dat is de zin van die stellingen op die plaats. Dit mechanisme mag wel een algemene werking hebben, dus ook bij degenen die in de wereld van de hartstochten blijven (maar dan krijgt het een andere uitkomst). Maar het is ook actief te gebruiken, in te zetten op een ethische zoektocht naar een beter leven. Zo schrijft Spinoza geen moralistische, normatieve ethiek, maar een praktisch-ethische weg voor degenen die net als hij een leven volgens de rede willen volgen.

Dit ‘mechanisme’ van dit stellingencomplex zo beschouwd, als teleologisch te benutten, laat de Spinoza die hiervoor zijn leefregels gaf en die daarna aan het eind van de Ethica over de moeilijke weg schreef, consequent zijn. Een Spinoza uit één stuk. Een Spinoza die geen spanning oproept – spanningen die men erin stopt door een te vergaande eigen interpretatie van wat Spinoza bedoeld kan hebben.

 

Reacties

Beste Stan, ik heb je uitgebreide weerwoord met aandacht gelezen. Ik had gehoopt op een langere periode van windstilte, maar je laat dat niet toe. Ik moet wel, om niet arrogant te schijnen, terugkomen met een reactie, omdat je mijn Spinoza-lectuur een keer zelfs als 'onzin' typeert. Ik constateer van mijn kant echter, dat je terugvalt naar het niveau van de verbeelding, d.w.z. persoonlijke verantwoordelijkheid, ruimte voor EIGEN keuze en sturing, geen volledige bepaaldheid van het gedrag, onveroorzaakte nastreving van doelen e.d. Wordt er in stelling 5/14 gesproken over de ziel die KAN bewerken dat..., dan houdt dit 'kunnen' volgens jou (maar in tengestelling tot 2/8) geen feitelijkheid of geen ZULLEN in. Beste vriend, ik zou je willen voorhouden, dat bijna alle proposities van Spinoza PARADOXAAL zijn, ingaan tegen onze primitieve (maar onvermijdbare) voorstellingen en verwachtingen. Spinoza schrijft de tekst vanuit het hoogste kennisniveau. Helaas dankt de taal zijn oorsprong aan ons laagste kennisniveau, en daar moet hij, de hulpeloze schrijver, zich dan mee behelpen. Dat wil niet altijd zo goed lukken; de teksten vertonen spanningen. Boeddhistisch zwijgen zou een betere oplossing zijn. Overigens heeft Spinoza wel degelijk GEEN uitzonderingen gemaakt waar hij zegt "dat wij voelen en ervaren dat wij eeuwig zijn". Overigens beschuldig ik niet alle kopstukken van de Spinoza-kunde: Mignini ziet dat de rede volgens Spinoza alles aan de FORTUNA toeschrijft! En zo zijn er nog veel meer dingen, die ik terug opnieuw zou kunnen tegenwerpen. Het antwoord op mijn vraag over die bewuste zin in de Appendix van Ethica 1 staat je kennelijk niet aan. Maar wie ben jij (en ik) eigenlijk volgens Spinoza? Niemand, althans geen zelfstandig opererend actiecentrum; zie 2/10. Ik wil deze discussie hier, wat mij betreft, afronden omdat wij, op deze afstand van Spinoza, niet verder komen.Alleen wil ik nog van de gelegenheid gebruik maken om op te merken dat ik per abuis 'gerundivi' heb geschreven in plaats van 'gerundiva'. En nu ga ik snel weer naar mijn Hume terug, die ongelooflijk boeiende, creatieve en literair begaafde volgeling van Spinoza,die ons vooral kan helpen de politieke dimensie van Spinozas werk, waar jij je zo weinig aan gelegen laat liggen, beter te begrijpen.

Beste Wim,
Als niet zelfstandig opererend, maar toch wel actiecentrum (via andere ervaringen en door andere factoren be-invloed en gestuurd) wil ik, voor het zwijgen ingaat, nog een korte reactie kwijt.

Zoals bijna ALTIJD, merk ik ook nu weer dat je niet ingaat op argumenten en nieuwe gezichtspunten die ik aandraag.
In dit geval o.a. mijn wijzen op de plaats van het betreffende stellingencomplex precies daar en niet elders. Op een zekere praktische 'teleologische' ruimte bij de mens. En op mijn argument dat een iets andere interpretatie de hele (of groter deel van) Spinoza consequenter maakt. Dan hoeft nog steeds niet de mens als 'staat in de staat' gezien te worden, maar wie een lichaam heeft dat tot veel in staat is, heeft een geest die grotendeels eeuwig is. (V/39) Daar wordt de mens ook tot iets aparts gemaakt. Daar krijgen mensen toch ook een enigszins unieke status in het universum. Net zoals ze die kregen in het corrolarium bij V/36.

Als praktische levenslessen, aangeboden in 'gerundivum', geen zin hebben, dan is een ander woord daarvoor simpelweg: onzin.
Als ze wel zin hebben - in geval n.l. van een niet-fatalistische/ deterministische tekst - dan is een wel-fatalistische/ deterministische tekst even simpelweg: onzin.
Allebei tegelijk aanbieden kan niet (is contradictoir).
Spinoza biedt praktische levenslessen, ergo...

Alleen in die samenhang - bij Spinoza - heb ik de term 'onzin' gebruikt, althans willen gebruiken. Mijn lezing maakt minder stellingen van Spinoza paradoxaal.

Ik wijs er nog even op dat Spinoza de betekenis van de stellingen V/11 t/m 14 toelicht in scholium V/20. Daar blijkt hij ze te zien als (5e) remedie van de geest tegen de hartstochten: de macht van de geest over de hartstochten bestaat ten 5e uit de rangorde die de geest onder zijn hartstochten kan aanbrengen (zie scholium bij stelling 10 en verder stel. 12, 13 en 14).
Dit is niet de taal over een automaatje.

We kunnen er inderdaad, Wim, verder maar beter een tijdlang het zwijgen toe doen. Ik kom op dit onderwerp vooralsnog niet terug.
Boeddhistisch zwijgen ken ik niet (misschien lukt die mij niet), dus stel ik Wittgensteiniaans zwijgen voor. Ooit begon ook Wittgenstein het zwijgen weer te doorbreken.

De mens iets aparts? De mens bezitter van een unieke status in het universum? Daar is bij Spinoza geen sprake van. Ik dacht dat ik per implicatie je teleologische bespiegelingen wel degelijk, uit naam van Spinoza, had afgewezen. Je mooi gevonden itdrukking 'teleologische ruimte' kan alleen een functie hebben in de verbeelding, maar verdwijnt in het niets voor 'de ogen des geestes', die het als niets anders kunnen zien dan een als effect van algemene fysische wetmatigheden. En is Spinoza in 5/10s soms niet aan het moraliseren voor degenen die (door hun jonkheid en gebrek aan ervaringen, omdat zij zichzelf niet door hebben, door de taal misleid worden of door andere oorzaken) aan het wetenschappelijk inzicht nog niet toe zijn? Er staat toch niet umsonst bij: 'quamdiu nostrorum affectuum perfectam cognitionem non habemus'? Maar nu stop ik echt met 'dit gebed zonder end', dat ik aanzwengelde om te protesteren tegen DE VOLSTREKT ONSPINOZISTISCHE THEORIE VAN DE DIJN OVER TWEE WEGEN NAAR HET HEIL. Wij worden gelukkig door kennis van en liefde tot HET ONVERANDERLIJKE EN EEUWIGE DING (rem immutabilem et aeternam, 5/20s). En wij geraken daartoe door alles wat ons overkomt, aanslagen en toevallen in oneindige getale, waaronder ook conditionering door opvoeding en eventueel godsdienstige prediking, ervaringen die zich condenseren in onze kennis van het algemene, welke kennis vervolgens door steeds nieuwe ervaringen verdiept en verrijkt wordt tot het zien van ALLES als zijnde eeuwig en onveranderlijk. Degene die hoe dan ook met Spinoza's tekst, daarbij inbegrepen misleidende of goede uitleggers ervan, in aanraking komt, is op geen enkele manier bevoorrecht boven anderen. Woorden kunnen nooit iets anders zijn dan INCITAMENTA (prikkels)(=Meyer) wier werking afhankelijk is van de toestand van ons lichaam. Zij kunnen ons de wijsheid niet communiceren! Mensen die de woorden van Spinoza nimmer te horen of te lezen krijgen, ontvangen meer dan genoeg andere prikkels die hetzelfde in hen opwekken. Maara nu stop ik echt, ook al zet je me weer in een verkeerde hoek.

Natuurwetten heten niet voor niets wetten.Dwingende krachten dus,waaraan niet te ontsnappen valt.Ook niet door mens of dier.Imbeciel of intelligent.Baby of volwassene.
Alle "vrijheid" moet daarom wel illusie zijn.Nog vóór dat je besluit links af te slaan,heeft je biologische substraat die "beslissing " reeds voor je genomen.

De god van Spinoza is volstrekt amoreel ,en identiek aan de natuur zèlf ( zie zijn "Ethica" ). Het bovennatuurlijke of transcedente domein werd daarmee,net zoals het fenomeen van "wonderen" radicaal afgewezen.
Spinoza-adepten die niet kunnen leven met dit radicaal atheïstische uitgangspunt, moeten niet proberen Spinoza naar hun eigen hand te zetten, maar zullen hun "heil" elders moeten zoeken.

Fred Neerhof, als onderdeeltje van de goddelijke natuur, werd door natuurwetten gedwongen zijn reacties op dit blog te schrijven. Daar kon niets ter wereld hem van afhouden, want hij was ertoe voorbestemd. Hoe dat precies gaat weet niemand, maar dat het zo gaat, weten wij spinozisten. Als mens maakte hij wel afwegingen (doen of niet-doen; waarom wel, waarom niet; wat schrijven, wat niet schrijven) en maakte hij een keuze: zo en niet anders deed hij. Dat beleefde hij toch als zijn keuze en niet die van iets of iemand anders. Ook hem zal de illusie begeleid hebben dat hij vrij was om te doen en laten wat hij deed. Maar als Spinoza-adept weet hij nu eenmaal dat hij niets naar zijn hand kan zetten - ook zichzelf niet. Alleen proef je bij hem nog niet de opperste vreugde over dit inzicht. Een blijheid die Spinoza hem toch eigenlijk beloofd had...? Hij lijkt er in tegendeel nogal kwaaig bij.

Wat een kinderachtige reactie zeg. Geen kritiek gewend? Of heb je liever blinde, maar o zo blije heil-zeggers om je heen?Zeg het maar hoor, jij bepaalt immers wat hier op deze blog wel en wat niet door de beugel kan!
By the way,ik wist niet dat de natuur goddelijk was! Klinkt alsof een huis huiselijk is. Maar enfin, jij zult het wel beter weten.

Dat huiselijke huis vind ik wel een mooi beeld dat aldus op de mogelijke onhuiselijkheid van een huis kan wijzen. Zo is ook spinoza's natuur een andere dan veel andere natuur-opvattingen.
De rest laat ik spinozistisch-stoicijns over me heen gaan...

Wat een kinderachtige reactie zeg. Geen kritiek gewend? Of heb je liever blinde, maar o zo blije heil-zeggers om je heen?Zeg het maar hoor, jij bepaalt immers wat hier op deze blog wel en wat niet door de beugel kan!
By the way,ik wist niet dat de natuur goddelijk was! Klinkt alsof een huis huiselijk is. Maar enfin, jij zult het wel beter weten.

???

Je beweert hier dat Spinoza een ongoddelijke natuur voor mogelijk hield? Je lijkt de Dijn wel! Die lijkt er zelfs een levensdoel van gemaakt te hebben om Spinoza een transcedente god in de schoenen te schuiven!

Je leest en luistert niet. Voor Spinoza was er juist NIET een ongoddelijke natuur. Hij had echt een ander natuurbegrip dan de platte materialisten. Lees nog eens rustig terug.

De term "goddellijk" in "goddellijke natuur" suggereert alsof er tòch nog iets transcedents aan de "natuur (=Spinoza's god)" is te onderkennen.
Wellicht zou je iets meer wetenschappelijke afstand tot je onderwerp "Spinoza" moeten nemen? De beste man orakelde immers niet, maar zocht oa. naar passende terminologie waarin hij naar elk redelijk oordeel helaas niet voor de volle 100% in is geslaagd.

Wie stelt 'naar elk redelijk oordeel' vast?
Hoe vaak heb ik op dit weblog niet elke notie van transcendentaliteit (in de zin van supernatuurlijkheid) afgewezen.
Maar dat denken een van de attributen van de natuur is, dat is een wezenseigenschap ervan waar velen (die wetenschappelijk afstand nemen) niet direct opkomen.

Beetje flauw natuurlijk,maar wie bedoel jij eigenlijk met "velen"? En sorry hoor, maar dat "denken", net als een auto-ongeluk, niet tot de "natuur" zou behoren, is net zo kortzichtig als te veronderstellen dat Darwin artefacten als computers of medicijnen niet tot de "natuur" zou rekenen!

En nog eens iets. De Ethica van Spinoza is evident materialistisch. Kun je uitleggen wat daar "plat" aan is? ( Lees nog eens rustig terug.)

Al terug lezend zag ik nog eens jouw badinerende reactie op mijn glasheldere uitleg over de illusie van de "vrije wil".
Grappig eigenlijk, dat je als zelfbenoemde Spinoza kenner in al je blijheid nog steeds niet snapt dat er tussen dode en levende materie slechts een gradueel verschil bestaat. Een marmot heeft evenmin een "vrije wil" als jij die hebt. En de conatus is niets anders dan de "wil" tot leven. Elke bacterie heeft derhalve ook zo'n conatus. Er is geen fundamenteel verschil tussen mens en dier, hoe primitief ook.

En, terwille van de volledigheid, dat er geen fundamenteel verschil bestaat tussen dode en levende materie is evenzo gemakkelijk in te zien. Beide substanties bestaan immers uit elementen van één en hetzelfde periodiek systeem van Mendeljev. De mate van complexiteit van de onderlinge verbindingen tussen de samenstellende elementen moet het verschil maken.

Ik zou hier toch op een moeilijkheid willen wijzen als men Spinoza beschouwd als een materialist. De substantie is zowel uitgebreid als denkend (E2 st 1 & 2). En het ene kan niet tot het andere worden herleid. De uitgebreidheid heeft geen prioriteit op het denken, of andersom. Spinoza is geen idealist of materialist. Vaak denk ik dat een betere term voor zijn ontologie 'identisme' zou zijn, hoewel hiertegen ook de nodige bezwaren kunnen worden aangevoerd. Dit komt voort uit de moeilijk te vatten verhouding tussen de substantie en de attributen (E1st19 'God, of al Gods attributen) en de verhouding tussen de attributen onderling.
En ten tweede, denk ik niet dat conatus hetzelfde is als 'wil' tot leven. Het betreft eerder het volharden in het bestaan (of zelfs in het betrachten om zijn macht uit te breiden, E3st12 kan in deze zin gelezen worden). Het geldt voor elk bestaande entiteit, d.w.z. voor elk levend wezen, maar ook voor elke kiezelsteen of voor een gedachte of een aandoening.

@Joris Van Leuven. Eens. Maar zoek maar niet naar een toepasselijk 'isme'. Op Spinoza valt geen enkel 'isme' te plakken: geen materialisme, geen idealisme, geen transcendentalisme, geen monisme (eventueel anti-dualisme, maar toch), geen naturalisme, geen pantheisme, geen parallellisme, geen stoicisme, zelfs geen Spinozisme (want aangezien zo ongeveer iedereen z'n eigen Spinozisme maakt, is ook dat etiket niet echt klaar en duidelijk te gebruiken). Spinoza doet het 't best zonder etiket.

Volgens de Ethica is Spinoza's substantie equivalent aan zijn god, die op zijn beurt weer identiek is met de gehele natuur. Verder is er een eenheid tussen geest (denken) en lichaam (materie):lichaam dood,geest ook foetsie.Een materialistischer voorstelling van zaken is nauwelijks voorstelbaar.
En verder:met de ontkenning van de "vrije" wil wordt de precieze betekenis van de "wil " tot leven ,vanzelf gereduceerd tot "het volharden in het bestaan"(dwz. als een gedetermineerde tendens) van dat leven.

Mbv. Ockhams scheermes kan Spinoza's systeem,zoals beschreven in zijn Ethica nog aanmerkelijk vereenvoudigd worden door het schrappen van de identieke constructen "substantie" en "god". Blijft over de "natuur" en de natuur wetten.