Errol E. Harris (1908 – 2009) probeerde tot een herwaardering van Spinoza’s filosofie te komen

Errol Eustace Harris was een hedendaagse Zuid-Afrikaanse filosoof. Hij trachtte een systematische en coherente visie te ontwikkelen op de logische, metafysische en epistemologische aannames van waaruit we in deze tijd de wereld begrijpen. Hij maakte daarbij gebruik, zowel van de moderne wetenschappen als van de westerse filosofische traditie, in het bijzonder Spinoza en Hegel.

Voorkant 

In Salvation from Despair: A Reappraisal of Spinoza's Philosophy (Nijhoff, Den Haag, 1973) gaf hij een reconstructie, interpretatie en aanpassing van Spinoza's filosofie aan de tegenwoordige tijd.

Ik neem hierna uit wikipedia een passage over betreffende zijn Spinoza-boek, dat deels bij books.google is in te zien.

By stressing the crucial relevance of Spinoza's doctrines of the infinity of the attribute of the cogitatio, of the idea ideae and of the intellectus infinitus dei (the infinite mind of god) as an "infinite mode" of substance, Harris disputed what he saw as one-sided empiricist and materialistic interpretations of Spinoza's naturalism. He argues that Spinoza's polemic against the final causes ought to be understood as referring only to the standpoint of external teleology, and consequently that Spinoza does not exclude a valid explanation of natural processes in the light of an inner teleology. On the other hand, Harris also rejects the opposite, mystical or "acosmistic" interpretations of the relationship between substance and attributes, according to which substance would be undifferentiated and attributes would be nothing more than a contingent product of human intellect. Harris on the contrary maintains that Spinoza's theory of the scientia intuitiva clearly shows that Spinoza consistently conceives of substance's self-identity as intrinsically differentiated into a rational system of "individual essences," and moreover that Spinoza's geometric method is simply the outward dress of an inferential procedure that is similar to dialectical method.

Als hij het over “substance's self-identity” heeft, vrees ik dat hij Spinoza té Hegeliaans aanpakt. Iets vergelijkbaars als met Spinoza deed hij tien jaar later met Hegel in An Interpretation of the Logic of Hegel (1983).

VoorkantMaar zie eens hoeveel Spinoza er in zijn filosofie zit (behalve 't teleologische en 't waarde-beginsel bij Harris). Al in 1954 schreef hij in Nature, Mind, and Modern Science - [Reprint Routledge, 2004 bij books.google in te zien, maar bij dit citaat is zo niet te komen):

"The philosophical theory demanded by the modern outlook must, accordingly, maintain five main theses: (i) that mind is immanent in all things; (ii) that reality is a whole, self-sufficient and self-maintaining, and that coherence is the test of truth of any theory about it; (iii) that the subject and object of knowledge are ultimately one – the same thing viewed from opposite (and mutually complementary) standpoints; (iv) that events and phenomena can adequately be explained only teleologically, and (v) that the ultimate principle of interpretation is, in consequence, the principle of value." [p. 206]

Wel is interessant bij books.google in te zien welke problemen hij bij Spinoza in dit boek ontwaarde.
Problemen die hij later nog eens beschreef in Errol E. Harris, "Finite and infinite in Spinoza's system". In: Siegfried Hessing: Speculum Spinozanum 1677-1977. Routlegde & Kegan, London, 1977 [cf books.google]

The Substance of Spinoza (Hardcover) ~ Errol E. Harris (Author) Cover ArtIn 1995 verscheen The Substance of Spinoza, een verzameling van eerder geschreven artikelen (Humanity Books, New York). 

Nadat in 1992 was verschenen zijn Spinoza's Philosophy: An Outline (Prometheus Books, New York)

Vanwege recente reacties op dit webblog, m.n. op dat over de inleiding van Beth Lord, geef ik hier het abstract van een artikel van Errol E. Harris "Spinoza's Theory of Human Immortality". Het is niet opgenomen in Substance of Spinoza: 

Among the many apparent contradictions presented in Spinoza's philosophy, one of the most difficult to resolve is his insistence both that body and mind (or soul) are substantially one and the same thing and that, nevertheless, the mind in its adequate thinking is eternal and exists 'without relation to the body.' the best commentators have attempted to explain this apparent incoherence by degrading the experience of temporal existence to "imaginatio", and identifying that part of human knowledge which consists of adequate ideas with part of the eternal mind of god. This interpretation involves serious difficulties and can be made intelligible only by recognizing ideas as conscious activities, and consciousness as self-transcendent, as the doctrine of 'idea' 'ideae' implies. It can then be shown that an adequate idea of the body, like all other adequate ideas, involves a similarly adequate idea of God and transcends the limitations of time so that durational predicates are inapplicable. Such thinking is immortality, for Spinoza, and brings with it "blessedness" - "that peace which the world cannot give". [Hier]

Harris heeft eind jaren '70 gesproken tijdens een jaarvergadering van de Ver. Het Spinozahuis, waarvan deze publicatie bestaat: Errol E. Harris, Is there an esoteric doctrine in the Tractatus Theologico-Politicus? Mededelingen vanwege het Spinozahuis xxxviii. E.J. Brill, Leiden, 1978. Ik heb die tekst gelezen. Harris bestrijdt Strauss zo ongeveer op alle punten, zodat er helemaal niets van zijn beweringen overblijft. Deze toespraak is ook opgenomen in zijn The Substance of Spinoza (1995).

Voor z’n levensloop verwijs ik naar de Engelse wikipedia en naar een in Memoriam dat verscheen in The Times van 21 juli 2009.

Aanvulling 15 oktober 2013

Mijn bovenvermelde indruk van een zekere idealistische interpretatie wordt bevestigd door H. G. Hubbeling die in een recensie van Salvation from Despair in BMGN – LCHR - Vol 90, No 2 (1975) o.a. schreef:

`Harris geeft wat men noemt een idealistische interpretatie van Spinoza. Nu is het daarbij opmerkelijk dat hij Spinoza voortdurend in bescherming neemt tegen de kritiek die Hegel en de Hegelianen (Joachim, Caird, en anderen) op hem hebben uitgeoefend en nog steeds uitoefenen. Een van de grote verdiensten van het werk van Harris lijkt mij hierin te bestaan dat hij heeft aangetoond, dat de door velen aangenomen 'onoverbrugbare kloof' bij Spinoza tussen de wereld van God (de eeuwige substantie) en de concrete dingen in werkelijkheid niet voorhanden is. Hij slaagt hierin door Spinoza's begrip van substantie dynamisch op te vatten. Daardoor is hij in staat deze te zien als een geheel waarin wel degelijk onderscheidingen mogelijk zijn en waarin de concrete dingen hun organische plaats krijgen. Hij werkt deze visie uit voor Spinoza's gehele filosofie en kan zo laten zien dat er geen tegenstrijdigheden zijn in Spinoza's leer van de vrijheid en determinisme, in diens leer van de onsterfelijkheid, ethiek, enz. In een epiloog wil de auteur aantonen dat Spinoza's filosofie, geïnterpreteerd op de door hem gegeven wijze, richtinggevend kan zijn bij het zoeken naar oplossingen voor de vragen van onze tijd.
Methodologisch lijkt mij de opzet van Harris in principe juist. Het is altijd beter het werk van een auteur, waar mogelijk, als een eenheid te interpreteren dan allerlei tegenstrijdigheden te signaleren; althans, wanneer men dit ongeforceerd kan doen. Ik ben er echter niet van overtuigd dat de auteur daarin altijd is geslaagd. Met name Spinoza's leer van het parallellisme van denken en uitgebreidheid wordt in Harris' idealistische interpretatie onvoldoende recht gedaan. [zie hier PDF]

Toevoeging 11 oktober 2016

Cf. pagina over Harris op Gutenberg

 

Reacties

Beste Stan, dat vind ik nou ontzettend leuk daat je uitgebreid aandacht besteedt aan Errol Harris, een man die ik heel vaak heb ontmoet op congressen (Wenen, Montreal, Moskoud, Urbino bv), die ik diverse malen onder mijn dak heb ontvangen, bij wie ik ook heb gelogeerd in Ambleside in het Lake distric (22 jaar geleden toen hij 80 was), wiens boek HYPOTHESIS AND PERCEPTION ik in colleges wetenschapsfilosofie gebruikte , met wie ik heel veel heb gediscussieerd en niet alleen over Spinoza maar ook over Hegel en over zijn ideaal van een wereldfederatie, van wie ik vele boeken bezit en met wie ik jaarlijks enkele malen correspondeerde, aan wiens 'Festschrift' ik een bijdrage heb geleverd, wiens lieve en levendige vrouw Sylvia en kinderen (waaronder een toneelspeler)wij goed kenden. Wij waren het, zoals het hoort, niet altijd eens met elkaar, maar de gedachtewisselingenwaren voor ons beiden vruchtbaar: we konden niet snel stoppen. Het was een geweldig fijne man, iemand met veel levenservaring. Hij had ook een heel grillige persoonlijke geschiedenis. Ik kan iedereen aanraden de necrologie te lezen in The Times, waarnaar je een link geeft. Daar heb ik weinig aan toe te voegen, behalve dan dat hij ook strijdbaar was en zich volop hezig hield met actuele problemen. Het bericht van zijn overlijden was ons ontgaan. We hadden ons al enkele jaren afgevraagd, waarom we niets meer hoorden. 101 jaar: wat een leeftijd. We verbaasden ons altijd dat hij op zeer hoge leeftijd nog veel reisde. Voor mij was en is hij een voorbeeld: wel bezeten zijn van de waarheid, zoals je die ziet, maar niet te fanatiek; en, ten tweede, niet voorbijgaan aan de problemen van je tijd.