Filosofie teruggebracht tot gekwetter van grote denkers

Trouw en Filosofie Magazine hebben dan nu de "Denker des vaderlands" gelanceerd, NRC Weekend maakte dit weekend een begin met "de twittercanon van grote denkers" die ze deze Maand van de filosofie op de achterpagina wil brengen. Herman de Regt, wetenschaposfilosoof van de Universiteit van Tilburg en Leon Heuts, wetenschapsdredacteur van dezelfde universiteit en redacteur van Filosofie Magazine, tekenen voor de teksten. [Zie ook het blog van 4 jan. 2011 over de twittercanon.]

Begonnen werd alvast over twee pagina's in deze weekendbijlage met een presentatie van de grote denkers: Plato, Aristotels, Epicurus, Seneca, Augustinus, Thomas van Aquino, Thomas Hobbes en René Descartes. Van hen werd de tweet gegeven met toch een  iets uitgebreidere toelichting (blijkt een tweet toch uit te weinig tekens te bestaan).

En toen was de ruimte opgebruikt en bleek er net geen plaats meer voor Spinoza. Laten we maar denken dat het daardoor kwam... en: misschien maar goed zo. Maar hij zal dus wel aan de beurt komen op die achterpagina, neem ik aan.

En misschien worden er dan ook tweets aan toegevoegd? Want sinds de bekendmaking in Trouw en dat blog van 4 januari zijn er nauwelijks nog nieuwe bijgekomen.

Reacties

Hij is er inmiddels, Stan.
Natuurlijk zeer ernstig moeten schaven, maar ik zal niet zeuren; it was part of the deal. Ik post de tekst hier - kijk maar wat je ermee doet.
Wat de verdere tweets betreft: ik doe mijn best, maar druk...

Baruch Spinoza (1632-1677)

God en het eindeloze universum zijn één. God is natuurwet; vrijheid is de noodzakelijkheid ervan inzien, en de passies beheersen.

Wat zou Spinoza zeggen over hoofddoekjes bij gemeenteloketten? Een gevaarlijke vraag; Nederlands grootste denker is ingelijfd door atheïsten alsook religieuzen.

De Duitse Romantici beschouwden hem als ‘goddronken’ pantheïst, die het goddelijke in de natuur ziet. Inderdaad schrijft Spinoza in de monumentale Ethica over ‘God, ofwel natuur’, maar pantheïst is hij geenszins. Spinoza is voorbij elk theïsme. Hij stelt God gelijk aan natuurwet, een noodzakelijk beginsel – anders was er immers niets – waar alles, inclusief wijzelf, al even noodzakelijk deel van uitmaakt. Deze God is eerder kenbaar door de rede, dan een specifieke religie. God is onpersoonlijk en zonder doel. Hij heeft niets met ons voor, verricht geen wonderen, en is niet de auteur van heilige teksten.

Spinoza zou het hoofddoekje als uitdrukking van een exclusieve band met God absurd vinden. Maar dat is iets anders dan verbieden. De rede is volgens Spinoza bevrijdend, omdat we onze eigen overtuigingen – vaak niet gespeend van emoties – kunnen afwegen tegen een groter belang. Zo dient een staat grenzen te stellen aan geloofsuitoefening, als deze het algemene belang schaadt, maar bemoeit ze zich niet met innerlijke overtuigingen. Een gedachtepolitie gaat namelijk ten koste van ieders vrijheid. De vraag bij hoofddoekjes luidt daarom: moeten ze af, omdat ze de uitvoering van overheidstaken belemmeren, of omdat we eigenlijk vinden dat iemand niet in Allah mag geloven?

Het is wel aardig om Spinoza op deze wijze naar deze tijd te halen en hem zich in het debat te laten mengen dat straks in het parlement gevoerd gaat worden over de relatie tussen staat en religie (Spinoza ging het niet om scheiding tussen staat en godsdienst) en in het debat over hoofddoekjes achter het overheidsloket. Als de overheid vindt dat haar taken niet vermengd mogen worden met ceremoniële verrichtingen zoals dragen van religieuze symbolen, dan verbiedt ze die gewoon. Punt.

Maar Spinoza zou ook dingen zeggen tegen de moslims zelf, zoals: lezen zij de Koran vanuit een vrije geest? Of laten ze zich alles door anderen voorschrijven? Weten ze zeker dat ze niet een geïnterpreteerde Koran lezen, bijvoorbeeld een vooral door mannen verzonnen en uitgelegde Koran van eigen maaksel? Waar staat het en hoe staat het in de Koran van die hoofddoekjes? Hoe en wanneer is de Korantekst ontstaan? Wanneer is hij in elkaar gezet en als canon vastgelegd?

Voor hem zou, net als hij in de TTP over de Schrift zegt (b.v. Hfst 8) de hoogste bevoegdheid om de Koran uit te leggen bij iedere enkeling liggen die als norm bij het interpreteren het 'natuurlijk licht' (de rede) hanteert en niet een bovennatuurlijk licht en zeker geen extern gezag, ook niet van vaders en broers die hun dochters en zussen hun verplichtingen opleggen.