Friedrich Max Müller (1823 – 1900) promoveerde op z’n 19e op het derde deel van de Ethica

Max Müller was de zoon van de lieddichter Wilhelm Müller, van wie Schubert enige werken op muziek heeft gezet. Zijn moeder, Adelheide, was een afstammelinge van Johann Bernhard Basedow, oprichter van de Philanthropin, de "School voor Mensenvrienden" in Dessau. Max Müller verloor op jonge leeftijd beide ouders; zijn vader overleed toen hij nog geen vier jaar oud was, en hij werd grootgebracht door een familielid, professor Carus, in Leipzig. Daar bezocht hij de Nikolaischool en vanaf 1841 de Universiteit van Leipzig, waar hij klassieke filologie en filosofie studeerde. Daarnaast leerde hij Arabisch en Sanskriet, onder de indoloog professor Hermann Brockhaus. [nl. wikipedia] Wat je daar dan weer niet in vindt: “Er wurde 1843 mit einer Dissertation über das 3. Buch der Ethik Spinozas zum Dr. phil. promoviert.” [Cf.] Deze Müller die zich tot oriëntalist zou ontpoppen, werd dus doctor in de filosofie, met een dissertatie op De Affectibus, op z’n 19e! Dat mag wel even in een Spinoza-blog.
[
cf. The Gifford Lectures - 100 years of lectures on natural theology]

Müller zette zijn studie voort in Berlijn [“wo er Philosophie bei Friedrich v. Schelling, Persisch bei Friedrich Rückert und Vergleichende Sprachwissenschaft bei Franz Bopp studierte,” cf.] en Parijs [“wo er als Schüler von Eugène Burnouf Sanskrit-Handschriften abschrieb und kollationierte. Burnouf regte ihn zur Edition des Ṛgveda mit dem Kommentar des Sâyaṇa an,” cf.], en, in 1846, in Londen, waar hij de invloedrijke Pruisische gezant Christian Karl Josias von Bunsen leerde kennen. Door zijn bemiddeling kreeg Müller de opdracht van de Britse Oost-Indische Compagnie de Rig-Veda te vertalen. Dit werk, waarvan het eerste deel verscheen in 1849, voltooide hij in 1874. In 1854 werd hij aangesteld als professor in moderne Europese talen aan de Universiteit van Oxford, vanaf 1856 werkte hij aan de Bodleian Library, de onderzoeksbibliotheek van de universiteit; hij was daar later, van 1865 tot 1867, bibliothecaris van de Orientaalse afdeling. In 1868 werd hij professor in de vergelijkende theologie aan het All Souls College. Ook trouwde hij een Engelse vrouw, Georgina Adelaide. Toen na de Frans-Pruisische oorlog de Elzas onder Duits bestuur kwam, verlieten vele Franse medewerkers de Universiteit van Straatsburg. De Duitse regering, op zoek naar professoren, wendde zich ook tot de inmiddels beroemd geworden Müller, met het verzoek daar te komen doceren. Dit heeft hij ook gedaan, in 1872, maar hij keerde spoedig daarop weer naar Engeland terug.[3] In 1875 legde hij zijn werk als professor aan de Universiteit van Oxford neer.

Müller vertaalde werken uit het Sanskriet, het Avestisch en andere oude talen. Hij was naast wetenschapper een popularisator van zijn vakgebied; sommige van zijn boeken waren voor het grote publiek bestemd, zoals Lectures on the Science of Language, Chips from a German Workshop en zijn Hibbert Lectures On the Religions of India. Hij is nu nog vooral bekend om zijn publicatie van het 50-delige werk The Sacred Books of the East. Daarnaast vertaalde hij Immanuel Kants boek Kritik der reinen Vernunft in het Engels, Critique of Pure Reason, 1881. Müller was een groot bewonderaar van Sri Ramakrishna, over wie hij ook een boek schreef, Ramakrishna: His Life And Sayings, 1898. Ook zijn zoon, Wilhelm Max Müller, werd een belangrijk oriëntalist. [nl.wikipedia]