Genevieve Lloyd (1941) Spinoza and the philosophical life: Living with necessity [2]

In vervolg op het vorige blog over Genevieve Lloyd wijd ik hier enige aandacht aan haar recentste boek. In een interview dat Alan Saunders op 28 februari 2009 met Genevieve Lloyd had over dit boek op ABC Radio National (alwaar ook een transcriptie van het gesprek staat), zegt ze:

“Spinoza is regarded as having rejected freedom, and indeed he did reject free will. But the striking thing is that despite vehemently rejecting free will as an illusion and a superstition, he did piece together an alternative way of thinking of freedom as the understanding of necessity. A strange way for us to think of it, because we think now of freedom as being the antithesis of necessity. But through Spinoza, we can now reckon it with ancient Stoics, with older ways of thinking, which did stress the interconnection of freedom and necessity. So part of what I'm doing in this book also is by way of a public relations exercise, if you like, to promote Spinoza, as an alternative to the much more familiar Cartesian model.” Beluister haar eventueel hier:                                                  

Providence Lost HARDCOVERHet laatste boek van Genevieve Lloyd is: Providence Lost (Harvard University Press, 2008 - books,google). Wie associeert dit niet meteen met het gedicht Paradise Lost dat John Milton tussen tussen 1658 en 1663 schreef? We zitten er meteen mee in Spinoza’s eeuw. Ze zal toch niet met een boek komen Providence Regained? Nee, zo schrijft ze in haar inleiding die bij Amazon is in te zien, ze is niet van plan ‘to argue for an revival of providence’.

Het is vanuit dit boek dat ze zal spreken in de reeks ‘Concerning the Postsecular’ aan het Centrum voor Humanistiek aan de UU en tijdens de jaarvergadering van de Ver. Het Spinozahuis (zie vorige blog).

[Toevoeging: Ik wijs hier op Chris Fleming's Review of Providence Lost– By Genevieve Lloyd op academia.edu]

Genevieve Lloyd gaat er in dit boek van uit dat de lang verwaarloosde geschiedenis van de voorzienigheid ons kan helpen om de puzzels te begrijpen in onze tegenwoordige manier van denken over vrijheid, noodzakelijkheid en verantwoordelijkheid. Voorzienigheid mag dan uit onze seculiere  gedachten zijn, maar oefent nog steeds invloed op ons leven uit. Ze wil niet de godsdienst weer belangrijker maken en ook niet pleiten voor een seculiere versie. Wel hoopt ze meer zicht te geven op het functioneren van vertrouwde ideeën als vrije wil, autonomie en verantwoordelijkheid, waarvan we vinden dat ze onze moderniteit uitmaken.

Ze doet dat door twee vrijheidsversies, die van Descartes (en de vrije wil) en Spinoza (en de erkenning van noodzakelijkheid) centraal te stellen. Daarachter schuilen twee volkomen verschillende versies van voorzienigheid. Om dit goed in te zien, moeten we er ook de voorgeschiedenis van kennen. Zij wil daarom niet alleen kijken naar de ontegenzeggelijke radicale breuk van de vroegmodernen t.o.v. de ouden, maar ook naar de continuïteit van denkbeelden hetgeen minder aandacht ontving. Ze citeert Bernard Williams in Shame and Necessity: "We are in our ethical situation more like human beings in antiquity than any Western people have been in the meantime."

De idee van individuele autonomie stamt van Descartes vrije wil-idee. Het vooruitgangsidee heeft z'n wortels bij Kant en Hegel. Zij zoekt er de achterliggen visies op voorzienigheid bij. En zo zijn er veel raakvlakken van haar studie met Charles Taylor’s A Secular Age.

Over Spinoza
Het zesde hoofdstuk, “Living with Necessity.
Spinoza and the Philosophical Life”, is voor ruim 2/3e deel bij books.google in te zien, zodat de belangstellende er een aardige indruk van kan krijgen.

Ze opent met enige biografische gegevens van Spinoza, zoals de herem, zijn laconieke antwoord erop waarin hij hetgeen hem overkomt vergelijkt met de joodse uittocht uit Egypte, en ze laat zien dat zijn bedachtzaamheid niets timides heeft, maar dat zijn gedrag van grote intellectuele moed getuigd. Ze wil laten zien hoe hij zijn leven vorm gaf in overeenstemming met de noodzakelijkheid. Zij ziet in hem een meester in de kunst van het filosofisch schrijven – een die telkens met onverwachte uitkomsten komt. Ze benadrukt hoe hij zijn eigen vriendkring om zich heen verzamelde en tot een hanteerbare mix kwam van afzondering en vriendschappelijk contact. Dat hij z’n vrienden zorgvuldig uitkoos, zich er stoïsch van bewust was dat vriendschap hoorde tot de dingen die buiten onze macht vallen, maar dat hij niet schroomde een streep te zetten onder een niet-vruchtbare relatie laat ze zien aan de hand van de briefwisseling met William van Blijenberg. Dit loopt uit op een beschouwing over hoe Spinoza in praktijk brengt dat je vrijheid door begrijpen alleen kunt bereiken. Dat in begrijpen dé remedie zit. In de huidige tijd klinkt het wellicht vreemd dat het vinden van de vrijheid van geest schuilt in het begrijpen en accepteren van het onvermijdelijke à la de stoïci. De spanning tussen vrijheid en noodzakelijkheid was hen al bekend, maar Spinoza was wel heel sterk doordrongen van de onderlinge afhankelijkheid van vrijheid en noodzakelijkheid, iets waarmee hij soms consternatie onder zijn vrienden verwekte. Vooral maakt Lloyd er in dit hoofdstuk een punt van hoe Spinoza met de vrije noodzakelijkheid als alternatief voor de voorzienigheid kwam. Zijn verwerping van het “asiel van de vrije wil” zat al sterk in de PPC en eerder al, in de KV, koppelde hij de voorzienigheid aan de conatus, namelijk aan dat waardoor elk ding wordt geproduceerd en onderhouden als deel van de hele natuur.

Lloyd onderkent in het alternatief voor de voorzienigheid waar Spinoza mee kwam iets van Stoïsche wortels (dat de wijze kennend deel heeft aan de noodzaak van de hele natuur); ze beluistert Epicureïsche echo’s in de verwerping van een natuur die er voor het gemak van de mensen zou zijn. En ze onderkent joodse wortels wat betreft een voorzienigheidsdenken zoals bij Maimonides en Gersonides dat zo sterk verschilde van de christelijke Voorzienigheid. Spinoza ontwierp, mede vanuit die wortels, een heel andere verhouding van de goddelijke natuur tot de wereld en de mens; in plaats van vertrouwen op een ‘welwillende God’ plaatste hij het verstaan van onszelf als deel van de hele natuur:  Providence as ‘free necessity’. Met de noodzakelijke vrijheid van God is de vrijheid van de mens een illusie: wij zijn volledig gedetermineerd. Het idee dat we uit vrije wil handelen is van de gekke! Dat begrijpt degene voor wie deze Spinozistische God het model is. In tegenstelling tot de christelijke Descartes en de stoïci heeft bij Spinoza de wil dan ook geen enkel effect op de passies; dat volgt geheel uit zijn gedetermineerde systeem. Maar, en dat is dan weer typisch Spinoza, van begrijpen van de noodzakelijkheid komen positieve emoties. En dit - eerder dan het onderdrukken van emoties - is de sleutel van Spinoza voor het leven, hoewel juist deze vreugde daarover hem volgens Lloyd weer verbindt met de Stoïci.

Daarna gaat ze over op Spinoza’s kritiek op de godsdienst en dat doet ze vooraal aan de hand van de correspondentie met Oldenburg, de secretaris van de Royal Society. Die correspondentie zit vol van Spinoza’s onvrede met de conventionele religie en met zijn strijd tegen de theologen. Oldenburg stimuleert hem om te publiceren en zich niet teveel van de theologen aan te trekken. Maar uit alles is duidelijk dat Oldenburg de radicale aard van Spinoza’s denken volledig ontging; en toen hij daar tenslotte iets meer van doorkreeg, werd hij nerveus en begon hij te waarschuwen. Dat deed hij toen hij iets ervan begon te begrijpen dat Spinoza een flink deel van de traditionele theologiseren oppakte, maar met een heel andere God. Spinoza wilde ieder laten leven volgens z’n eigen ideeën, als hem maar toegestaan werd te leven voor de waarheid. En behalve godsdienstkritiek te uiten bepleitte hij ook een politiek van de waarheid. Aan de hand van Jonathan Israel’s The Dutch Republic laat zij zien hoe Johan de Witt de partij van de vrijheid voorstond, waarmee hij tegenover de theologen ruimte schiep voor een “republiek van filosofen”. Spinoza’s TTP was duidelijk bedoeld als een politieke interventie om nog eens te onderbouwen niet alleen dat filosofie en theologie als gescheiden domeinen moesten worden gezien (de een gericht op waarheid en wijsheid, de ander gericht op gehoorzaamheid), maar beide gericht op vroomheid (waarbij vroomheid dus de betekenis van ‘doen van je burgerplicht’ ging krijgen. Daarmee maakte hij beide weer op elkaar betrokken, maar nu onder omgedraaid gezag: een radicale deconstructie van de oude overheersingshiërarchie (afgeleid van de theocratie), ofwel onder de autoriteit van de rede die vaststelt hoe onze verbeeldingen begrepen moeten worden. Zo werd de ongelovige Spinoza de verdediger van de ‘ware religie’, waarbij er geen strijd meer is om de waarheid – daarover gaat alleen nog de filosofie. De theologie dient niet de rede, maar heeft een eigen domein waar ze binnen dient te blijven. Lloyd benadrukt dat Spinoza zeker niet irreligieus was. Hij zag religie een belangrijke eigen plaats innemen in de staat. Ze vat alles zo samen:

A World freed from the supposed attentions of a transcendent purposeful God was for Spinoza also a World liberated from superstition and from the “excessive authority and imprudence of the preachers.” To minds that could “live for the truth” it offered an ideal that had some affinities with ancient ideas of gods and men living in a shared “free necessity”. It was no longer the gods that mattered, but the truth.” (p. 234)