Giacomo Girolamo Casanova (1725 - 1798) en... Spinoza

Het zomernummer van Filosofiemagazine waarover ik het al had, heeft als thema: ware liefdeeen sprookje dat bestaat. Er komen weer diverse filosofen langs, hedendaagse worden geïnterviewd en van wat antieke en oude filosofen passeren heel kort wat statements over de liefde &c de revue. Zo Plato, Kierkegaard, Immanuel Kant, een regeltje van Nietzsche en Schopenhauer, Jean-Paul Sarte en Simone de Beauvoir. Uiteraard geen Spinoza. Wel de grote ‘filosoof’ Casanova, die zou hebben gezegd: “Ik heb geleefd als een filosoof en sterf als een christen.” Dat doet me vaag herinneren dat hij ooit iets over Spinoza moet hebben gezegd. Z’n complete memoires (12 delen beslaand) staan bij Gutenberg. En inderdaad, in het voorwoord van de schrijver krijgt Spinoza (Spinosa) een sneer. Ik kom daar zo op.

In Harvey Chisick’s Historical dictionary of the Enlightenment komt Casanova direct na Cartesianism. Ik put daar hier enige gegevens uit, via books.google.com en sla wikipedia een keer over.

De Venetiaan moet een soort fideïst zijn geweest. Hij had rechten en theologie gestudeerd, had in 1740 de tonsuur ontvangen, maar koos later toch meer voor het vrije leven van een intellectuele avonturier  i.p.v. een carrière in de kerk. Hij hield zich bezig met magie en alchemie en had zich van een kabbalistisch ontwerp voor het voorspellen van de toekomst voorzien. In 1755 werd hij door de Venetiaanse inquisitie gevangen genomen. Na een jaar lukte het hem uit de gevangenis te ontsnappen en naar Frankrijk te vluchten. Daar nam hij in 1759 de naam van een edelman aan en begon hij via de salons aan zijn erotische avonturen. En hij bleef reizen, naar Engeland, naar Rusland.

 

Z’n memoires maakten, vooral door de manier waarop hij over z’n avontuurtjes vertelde (waarvan er zo’n 122 verifieerbaar zouden zijn), hem alom bekend als groot charmeur. Hij geeft een levendige impressie van het leven aan de salons en de hoven in die tijd. Hij schreef ook novellen en min of meer politieke essays. Hij werd gedwongen uit te wijken en kon bibliothecaris worden in Bohemen. Daar schreef hij in de laatste tien jaar van zijn leven zijn beroemde en onsterfelijk makende memoires.

Hier staat een in het Nederlands vertaalde samenvatting van zijn leven die hij in 1797 schreef op verzoek van Cecilia Roggendorff.

Nu naar het voorwoord met de Spinoza-topos. Om het te plaatsen neem ik twee wat grotere delen uit dat voorwoord. 

                   AUTHOR'S PREFACE

I will begin with this confession: whatever I have done in the course of my life, whether it be good or evil, has been done freely; I am a free agent.

The doctrine of the Stoics or of any other sect as to the force of Destiny is a bubble engendered by the imagination of man, and is near akin to Atheism. I not only believe in one God, but my faith as a Christian is also grafted upon that tree of philosophy which has never spoiled anything.

I believe in the existence of an immaterial God, the Author and Master of all beings and all things, and I feel that I never had any doubt of His existence, from the fact that I have always relied upon His providence, prayed to Him in my distress, and that He has always granted my prayers. Despair brings death, but prayer does away with despair; and when a man has prayed he feels himself supported by new confidence and endowed with power to act. As to the means employed by the Sovereign Master of human beings to avert impending dangers from those who beseech His assistance, I confess that the knowledge of them is above the intelligence of man, who can but wonder and adore. Our ignorance becomes our only resource, and happy, truly happy; are those who cherish their ignorance! Therefore must we pray to God, and believe that He has granted the favour we have been praying for, even when in appearance it seems the reverse. [...]

A so-called free-thinker told me at one time that I could not consider myself a philosopher if I placed any faith in revelation. But when we accept it readily in physics, why should we reject it in religious matters? The form alone is the point in question. The spirit speaks to the spirit, and not to the ears. The principles of everything we are acquainted with must necessarily have been revealed to those from whom we have received them by the great, supreme principle, which contains them all. The bee erecting its hive, the swallow building its nest, the ant constructing its cave, and the spider warping its web, would never have done anything but for a previous and everlasting revelation. We must either believe that it is so, or admit that matter is endowed with thought. But as we dare not pay such a compliment to matter, let us stand by revelation.

The great philosopher, who having deeply studied nature, thought he had found the truth because he acknowledged nature as God, died too soon. Had he lived a little while longer, he would have gone much farther, and yet his journey would have been but a short one, for finding himself in his Author, he could not have denied Him: In Him we move and have our being. He would have found Him inscrutable, and thus would have ended his journey.

God, great principle of all minor principles, God, who is Himself without a principle, could not conceive Himself, if, in order to do it, He required to know His own principle.

Oh, blissful ignorance! Spinosa, the virtuous Spinosa, died before he could possess it. He would have died a learned man and with a right to the reward his virtue deserved, if he had only supposed his soul to be immortal! It is not true that a wish for reward is unworthy of real virtue, and throws a blemish upon its purity. Such a pretension, on the contrary, helps to sustain virtue, man being himself too weak to consent to be virtuous only for his own 'gratification. I hold as a myth that Amphiaraus who preferred to be good than to seem good. In fact, I do not believe there is an honest man alive without some pretension, and here is mine.

[Van Gutenberg; vet van mij, SV]

Casanova zal, denk ik, zijn Bayle hebben gelezen. 

Affirmations is de titel van een boekje uit 1898 waarin de seksuoloog en sociale hervormer Havelock Ellis (1859 - 1939), schrijft over Nietzsche, Casanova, Zola, Huysmans en St. Franciscus. Havelock Ellis is weg van Casanova’s Memoires die deze op het eind van zijn lange en volle leven schreef in de rust van een Boheems kasteel. Hij ziet er minstens drie verdiensten in: [1] een geweldige psychologisch document, een rijke bron van menselijke strevingen en gedragingen, [2] een vat vol avonturen, los van de vraag naar hoe waar alles gebeurd is, [3] ze geven een tamelijk alomvattend beeld van de 18e eeuw.

En dan gaat hij Nota bene Casanova vergelijken - hoe komt hij erop - met Bernardus en Spinoza, als hij eindigt met: ”What should be our last word about Casa-

 [van hier]

Reproduction de la premiËre page d'une Èdition de l'Index

Misschien is de enige werkelijke overeenkomst tussen Spinoza en Casanova dat ze beiden met hun boeken op de Index librorum prohibitorum van de RK kerk hebben gestaan. Waarvan hier de eerste pagina van een vroege uitgave
(van hier)