"Godt tasten met de handen onses verstants"

Spinoza, die de metafoor gebruikte van ‘bewijzen’ als de ‘ogen van het verstand’, zou bovenstaande zinsnede van Johannes Heurnius (1543-1601) zo als metafoor voor het effect van het begrijpen van de dingen (en van wetenschap) kunnen overnemen, dunkt me. Heurnius schreef dat in zijn boek “De Historie, Natuere ende Beduidenisse der erschickelicke Comeet” (1578). Ik lees deze passage op blz 133 van het gegevensrijke boek van Eric Jorink, Het Boeck der Natuere. Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods Schepping, 1575-1715. Leiden: Primavera Pres, 2006.

Dit boek was mij al geruime tijd bekend, maar van de week heb ik het pas gelezen. Graag doe ik hier verslag van mijn leesbevinding, want ik beschouw het als een voor in Spinoza geïnteresseerden voortreffelijk boek dat veel achtergrondkennis biedt over natuurbeschouwingen en natuuronderzoek in de 17e eeuw, met de inzet de natuur naar God te laten wijzen, waartegen Spinoza, en dan vooral zijn TTP, gelezen kan worden.

Spinoza, zijn omgeving en zijn invloed, komen in dit boek op diverse plaatsen aan bod. En in het fraaie laatste hoofdstuk, lijkt het zelfs alsof alles bijna om hem draaide – alsof de natuurstudie en het schrijven erover vooral beoefend werd om – uiteraard op de eerste plaats – de gelovigen tot verwondering over de macht en wijsheid van de Schepper en verering van zijn grootheid en dankbaarheid voor zijn voorzienigheid te verleiden, maar ook om - een sterk tweede motief - de ongodisten, de atheïsten, van hun ongelijk te overtuigen. In het bestaan van atheïsten moet dus geloofd zijn.

Jorink biedt eerst een uitvoerige beschouwing over wat men bedoelde met ‘Boek van de natuur’. In de Renaissance bloeide een traditie op die al door Augustinus was ingezet om, naast de openbaring in de H. Schrift, de omringende natuur als een boek te zien waarin Gods scheppende hand bespeurd kon worden – als ook een openbaring. Dat was een optiek die Paulus al had, waarmee hij aangaf dat de heidense volkeren niet te verontschuldigen waren: ze konden immers God uit de natuur leren kennen. Wel niet zozeer wíe hij was, maar toch zeker dát hij was. Vanuit deze benadering werd tot ca 1660 de Bijbel als de bril gezien waarmee men de natuur moest interpreteren (om het ‘wie’ van God in te kleuren). Vooral degenen die vonden dat de Bijbel geheel letterlijk moest worden genomen, de nadere Reformatie (Voetius c.s.; biblicistische natuurkunde) gingen hiervan uit. Er werden méér metaforen gebruikt: de natuur als Theater, als Spiegel, en dus vooral als Boek, waarbij alle dode en vooral levende dingen als letters werden gezien, waarmee de 'betekenis' van dat Natuurboek kon worden gelezen. Maar dat dan wel met exegetische middelen vanuit de Bijbel.

Met de opkomst van de microscoop werden ook meer en meer ‘kleine lettertjes’ gezien en mensen als Jan Swammerdam (1637-1680) getuigden er dan ook van dat Gods grootheid juist en vooral in die kleine vernuftige wezentjes, die ook over zintuigen en organen beschikten, kon worden aanschouwd (‘waar in GODS Onzienelykheid sigtbaar wort’). Maar dan zijn we al in de tweede periode, vanaf 1660, waarin de symbolische, metaforische en emblematische manier van naar de natuur kijken, vervangen werd door kijken naar de structuren en ‘vernuftige’ bouw van de natuur zelf.

Na dit meer algemene hoofdstuk heeft Jorink zijn materiaal opgedeeld in drie gebieden: (1) de kometen en het debat over de ‘wondertekenen in den hemel’; (2) de insecten; (3) de rariteitenverzamelingen en (4) de ‘wonderboeken’; waaraan hij tenslotte een afsluitend en concluderend hoofdstuk toevoegt. Die vier gebieden deelt hij steeds op in de periode tot ca 1660 en die van 1660 tot ca 1715. Hij neemt 1715 als afsluiting van de door hem onderzochte periode, daar in dat jaar Nieuwentijts fysico-theologische boek verschijnt dat algemeen als een nieuwe manier van theologie bedrijven vanuit de natuurverschijnselen zelf wordt gezien. Hij neemt dat ‘bijna paradigma’ wel over, maar bekritiseert het tevens en laat zien dat al veel eerder, vooral bij de Zeeuwse dominee, theoloog en natuuronderzoeker Johannes de Mey (1617-1678), eigenlijk al grotendeels dezelfde benadering te bespeuren was. Diens werk kan volgens Jorink gelezen worden als ’een opmaat tot het spinozisme’. (p. 403)

Het grote verschil in ‘heuristiek’ dat Jorink telkens weer op het spoor komt is: in de eerste periode is er grote vanzelfsprekendheid dat alles vanuit de bijbel ‘gelezen’ moet worden en naar het gelijk van die bijbel verwijst. Er is grote bereidheid om in wonderen, wonderbaarlijke en ‘buiten’-natuurlijke verschijnselen geïnteresseerd te zijn en te geloven. Resten van eenhoorns en zeemeerminnen en van allerlei afwijkende, wonderbaarlijke verschijnselen, en allerlei uitheemse nieuwigheden kan men in de rariteitenverzamelingen tegenkomen.

Maar door het almaar groeiende aantal reisverhalen en door de uitbreiding van de kenbare verschijnselen via de microscoop en telescoop (de ‘nieu gevonden bril’, Mulerius) en de grotere kennis van oude en vreemde talen en de tekstkritische leeswijze verschuift de interesse van geleerden geleidelijk in een richting dat men verklaringen zoekt voor de natuurverschijnselen zelf en minder bezig raakt met alles in overeenstemming met de bijbel te verklaren. Hij laat zien dat al voor en los van Spinoza’s Tractatus Theologico-politicus (TTP) in bepaalde kringen al de overtuiging ontstond dat de Bijbel geen boek was vol tijdloze waarheden en er een tekstkritisch houding ontstond. La Peyrère (Praeadamitae, 1655) maakte van nieuwe zienswijzen gebruik. Jorink wijst er verderop in zijn boek op: “Een toenemende kennis van de oude teksten leidde paradoxaal genoeg niet tot zekerheid maar tot scepsis.” (p 319) Dat is niet paradoxaal, maar te verwachten bij het gebruik maken van het verstand (daarom zette ik die uitspraak als titel boven dit blog).

Het boek zit wat dit betreft vol van interessant feitenmateriaal. Aardig is dat Jorink hier en daar een beetje aan debunking doet, zoals het al gememoreerde twijfel zaaien aan het mijlpaalkarakter van Nieuwentijt. Zo wil hij ook enige twijfel zaaien over het overheersende belang van de cartesiaanse invloed en de rationalisering. Ook wil hij bijdragen tot het démasqué van samenvattende tendensmetaforen als ‘mechanisering van het wereldbeeld’ of ‘onttovering van de wereld’. Hij wil laten zien dat er naast of liever gezegd onder (hij bedoelt ‘onafhankelijk van’) de nieuwe rationalistische filosofieën van Descartes (die de natuur van haar semiotische karakter ontdeed, p. 155) en Spinoza een oude, invloedrijke stroming liep waarin wetenschappelijk onderzoek en religieuze bespiegelingen naadloos in elkaar overgingen. Zo wijst hij erop dat geleerden die sterk in de tekstuele traditie stonden eerder de microscoop ter hand genomen lijken te hebben dan wiskundigen en cartesianen (p. 222). In zijn 'debunking' heeft hij mij niet kunnen overtuigen. Het is echt de ratio die doorzet; degenen die blijven nadenken zíen op een gegeven moment dat bepaalde vooronderstellingen (zekerheden) niet kloppen en vooroordelen zijn. 

          illustratie

Door het hele boek heen krijg je te zien hoe dicht de theologische benaderingen en die van Spinoza bij elkaar liggen (in de structuur van de argumentatie) maar hoe het ’n wereld van verschil betreft (in de uitgangspunten). Ik geef slechts één voorbeeld. “De gehele natuur droeg sporen of kentekenen van God (vestigia Dei). God wenste dat de mens deze tekenen aanschouwde en er zijn Schepper of Auteur in herkende." 'Schepper' en ‘vrije wil’ moet je bij Spinoza vergeten, maar ook bij hem geldt: hoe meer we van de dingen weten, hoe meer we god leren kennen.

Uitvoerig komt Jan Swammerdam aan bod die als uitgangspunt had de eenheid van de wetmatigheid van de natuur, in het grote en het kleine, in het hogere en het lagere; en voor wie empirische observatie (alleen geloven wat je ziet) centraal stond en niet aloude de speculatieve symbolische betekenisgeving van insecten. Bij hem had de natuur het hermeneutische karakter verloren, stelt Jorink, het is louter de zichtbare structuur die naar God verwijst. De periode waarin Swammerdam ging zweven en onder invloed stond van Bourignon wordt volgens Jorink vaak teveel overdreven. Maar opvallend vind ik het, dat hij geen woord wijdt aan de existentiële geloofscrisis waartoe de gelovige Swammerdam kwam, juist door zijn diepgaande studie van de natuur. Hij begon zich af te vragen of God eigenlijk wel toestond wat hij deed: zijn fabrieksgeheimen proberen te achterhalen. Hij vreesde daarvoor zwaar gestraft te zullen worden. Daarover schrijft Jorink geen letter.

Door het hele boek heen valt op hoe veel de onderzochte auteurs zich, behalve tot hun gelovige achterban, richten tot de ‘Atheïsten, en Godt-versaekers, of veraghters van Sijn doorlughtige Majesteyt.” Van Westerhoven was bepaald de enige niet die zo schreef. (p. 415) Deze opzet staat vervolgens nog eens centraal in het slothoofdstuk dat opent met: Den atheïst overtuycht – toespraken van de Leidse hoogleraar theologie Friederich Spanheim, uitgegeven in 1677, het jaar van Spinoza’s overlijden. Diens Tractatus Theologico-politicus uit 1670 vormde zeker de achtergrond van deze toespraken en uitgave. Net als De Mey had gedaan en later Nieuwentijt zou doen, trachtte Spanheim de eigentijdse wetenschappelijke inzichten in te zetten in de strijd tegen het atheïsme.

Door zijn systematische opbouw vertelt Jorink delen van sommige verhalen soms twee keer. Zo lees je, om een voorbeeld te noemen, op twee plekken in het boek uitvoerig over La Peyrère en zijn Praeadamitae. Zo kom je meer zaken meermalen tegen. Jorink schrijft over ‘wonderboeken’, “waarin met een voor de hedendaagse onderzoeker slaapverwekkende redundatie steeds dezelfde wonderbaarlijkheden ten tonele werden gevoerd.” (p. 398) Een beetje geldt dat ook voor zijn eigen boek. Slaapverwekkend wordt het niet, het blijft interessant wat hij allemaal aandraagt, maar enigszins uitputtend herhalend is het wel en een beetje inkorting had een nog leesbaarder boek kunnen opleveren.

Maar deze opmerking doet niets af aan de eindindruk: een voortreffelijk en uiterst interessant boek.

   

Het boek is in z'n geheel gedigitaliseerd bij DBNL.

Recensies:

Recensie door Geertje Dekkers, niet van dit boek uit 2006, maar het proefschrift van 2004: God zit in een klein beestje. In de Volkskrant 17 januari 2004

Recensie door Marinus de Baar: Een wandeling door Gods tuin. In: Trouw 23 september 2006

Recensie door Kees Fens: Geloof in de wetenschap. In: De Volkskrant 29 september 2006

Recensie door Rob Hartmans: Het Boeck der Natuere. In: De Groene Amsterdammer van 23 november 2006

Recensie door FLORIS COHEN: Verrijzenis van een vlinder. Hoe Nederlandse wetenschappers in de 17de eeuw de natuur leerden ‘lezen’. In: NRC 5 januari 2007

Recensie door Dirk van Delft:  De vinger Gods zit in een luis. Jan Swammerdam en de grenzen van het vroegmoderne denken; Over Kooijmans en ook Jorinc. In: NRC boeken 1 februari 2008

Recensie door Kees Fens: Angsten op de weg naar Verlichting. Over Luuc Kooijmans’ Gevaarlijke kennis, gaat ook over Jorink. in De Volkskrant van 29 februari 2008

 

Reacties

Wat, behalve een dankwoord, zou ik moeten toevoegen, Stan, aan je informatieve en lichtelijk kritische bespreking van Jolink's proefschrift? Je staat, misschien wel omdat je je buiten de incrowd van de academische wereld bevindt, onafhankelijk en zelfstandig tegenover dit produkt van het door de overheid (NWO) gefinancierde onderzoek betreffende een belangrijke figuur van onze culturele geschiedenis. Het verslag vna je leeservaring is nuchter en ook ontnuchterend.
Zelf zou ik er aan willen toevoegen dat de beeldspraak van de twee boeken (natuur en bijbel) waaruit wij god leren kennen, niet alleen oud en daardoor buitengewoon sleets is, maar daarenboven ook misleidend. Een geschrift (als de bijbel) is niet meer dan een onderdeel van onze uitwendige wereld, dat, bekeken met de electronen-microscoop, er even woelig en levendig uitziet dan andere delen van de natuur. Bomen, insecten en bedrukte pagina's worden met dezelfde ogen bekeken en leveren gelijkwaardige zintuigelijke ervaringen op. De heer Jolink heb ik, meen ik, vroeger wel eens trachten duidelijk te maken dat men (met Spinoza) wel op een totaal andere manier over TWEE BOEKEN kan spreken, maar het is schijnbaar niet tot hem doorgedrongen. Mensen hebben tweeerlei kennis van de goddelijke natuur: die van de materie en die van het denken. De uitwendige wereld is een boek, ons bewustzijn is een ander boek. In een belangrijk manuscript dat uit de Amsterdamse Kring rond Van den Enden en Spinoza is voortgekomen en dat door Stolle/Hallmann bij Rieuwerts jr werd ingezien wordt dan ook met zoveeel woorden over twee BOEKEN gesproken. "Het geschrift was in twee delen ingedeeld. Het eerste handelde over de dingen die tot het bewustzijnsboek ("zum LIBRO Conscientia") behoren, het andere vover die dingen die tot het natuurboek ("zum LIBRO Natura") behoren" (Zie mijn eerste presentatie van dit document in mijn afscheidscollege 15-1-1995 aan de EUR onder de titel "Omtrent Spinoza"). Inderdaad, god is zichtbaar in wat wij om ons heen aanschouwen en in zoverre wordt hij gekend. Hij wordt echter beter gekend, want gedacht in onze aanschowuing van de ideeen van de buitenwereld. Het bijbelboek behoort tot de eerste kategorie. Jammer dat dit de onderzoeker Jolink, ondanks zijn flirten met Spinoza, geheel is ontgaan

Aan het bovenstaande had ik nog moeten toevoegen dat Swammerdams formule "Godt tasten met de handen onzes verstants" (of 'de ogen des geestes' zoals Spinoza het zelf zegt)) een voortreffelijke weergave is van wat bij de lectuur van het 'bewustzijnsboek' geschiedt: in de automatische vergelijking van onze ervaringsideeen, waardoor adequate kennis ontstaat van gods wezen. Zie daarover mijn ETHICOM (Delft 1996) p. 196 e.v. Aan Locke was deze meesterzet van Spinoza niet ontgaan. Zie daarover mijn Locke-boekje, sectie 21, p. 36-39. John Locke bevindt zich met zijn kennistheorie volledig in het spoor van Spinoza, hetgeen de Locke-scholars tot nu toe is ontgaan.

De uitspraak 'Godt tasten met de handen onses verstants', is niet van Swammerdam, maar trof ik aan in een citaat uit het werk van Johannes Heurnius (zie begin van het blog), toen hij dit schreef stadsarts van Utrecht; in 1581 werd hij hoogleraar medicijnen aan de pas opgerichte universiteit van Leiden.
Het lijkt me een zegswijze die ook Swammerdam voor zijn rekening had kunnen nemen, net zoals Spinoza, zoals ik vermoed. En daarmee ben jij, Wim, het blijkbaar eens.