Hebben de oosterse en de westerse verlichtingstradities iets met elkaar?

Rients Ritskes (red) Wat is verlichting? Asoka, Rotterdam 2009 met bijdragen, naast die van Ritskes,  van Nico Tydeman, Kees Waaijman en Miriam van Reijen.

Dit boek werd afgelopen zaterdag gepresenteerd bij de symposium in Arnhem (zie hier).

Ik begon dit boek, na de inleiding, met het lezen van de zeer informatieve bijdrage van Miriam van Reijen, Spinoza en (de) Verlichting. Daarna las ik Rients Ritskes, Wat is verlichting? Vervolgens nam ik een gedeelte van Kees Maaijman, Blijvend niet weten, tot mij. Deze andere volgorde was geen probleem, want “de vier essays staan op zichzelf en kunnen daarom in willekeurige volgorde los van elkaar gelezen worden”, aldus de redacteur. Ik kreeg op dat moment even de indruk dat het eigenlijk een mislukt boek was. De boekdelen hadden goed beschouwd immers volstrekt niets met elkaar te maken. Toen ik tenslotte Nico Tydemans bijdrage las, Wereldvreemd en toch intiem met leven en dood – Verlichting vanuit zenboeddhistisch perspectief, kon ik het boek toch wel als een nuttige, geslaagde aanschaf ervaren.

Ik kom zo op de bijdrage van Van Reijen. Het hoofdstuk van Ritskes is wel aardig geschreven. Hij geeft er a.h.w. een soort plot aan door op reis door Japan te gaan, waar hij vroeger zen-discipel was, vaker terugkwam, en waar hij nu eindelijk wel eens van diverse zen-meesters wil horen wat het doel waarnaar gestreefd word, verlichting, volgens hen nu eigenlijk is. Misschien gebruikt de auteur ook het beeld van de reis, zoals in diverse tradities het proces van geestelijke zelfverwerkelijking als een reis geduid werd. Hij start overigens met een niet zo duidelijke omschrijving: “Onder verlicht zijn kan dus worden verstaan een duurzame staat van verlichting, een blijvende staat van transcendentaal inzicht.” (p. 27) Hij vergeet namelijk te vertellen wat hij hier onder transcendentaal verstaat (Het Kantse begrip? Het Husserlse? Of bedoelde hij transcendent, zoals hij het verderop over ‘transcendente ervaring’ heeft (p. 30).

Hij komt op die reis niet veel te weten, want verlichting blijkt een té persoonlijk onderwerp waar men eigenlijk niet over spreekt, zoals je elkaar meestal ook niet naar je orgasmes vraagt… Dan vertelt hij dat hij eigenlijk helemaal niet gelooft in verlichte meesters– trouwens net als geesten niet bestaan, bestaan ook (absoluut) verlichte geesten niet. Toevallig is hij samen met de laatste zen-geleerde die hij bezoekt in staat tot een reeks definities van verlichting te komen. Dat zal wel met de achteraf geconstrueerde vertellijn te maken hebben.

Enigszins verontrustend vind ik de nadruk die de auteur meermalen legt op zenmeditatie als een oefening in sterven. Hij veronderstelt dat mensen die veel gemediteerd hebben, meer kans maken op een ‘zalige doodservaring’ dan mensen die zich niet intensief genoeg hebben voorbeid op de dood. Elders spreekt hij over de dood die immers ook een verlichting van het lijden kan betekenen. Hier zou een reactie vanuit Spinoza, die van zulke overwegingen niets moest hebben, nuttig zijn geweest, maar de auteurs reageren niet op elkaar; er is immers weinig redactiewerk verricht.

Na een uitvoerige psychologisch-filosofische beschouwing over de betekenis van het begrip ‘zelfbeeld’ komt Ritskes ineens met de bewering uit de lucht vallen: “Ons zelfbeeld is dus (sic) een organisch en constant veranderende gedachteconstructie, bestaande uit een dynamisch samenwerkingsverband van hersencellen in relatie met hun omgeving.” Maar zo snel en makkelijk kan niet van het fysieke naar het mentale worden gesprongen, als hier gebeurt. Opmerkelijk is de interesse van de auteur in neurologisch onderzoek naar de effecten van meditatie op de hersenen die met hersenscans zichtbaar te maken zouden zijn (‘neurologie van verlichting’). Een ‘ik’ zal wel nooit door scanapparaten worden gelokaliseerd, zegt hij terecht (p. 56); maar de ‘wil’ zou wel te zien zijn? Hij schrijft over MRI-scanfoto’s waarop ‘het gebied waar onze wil zit’ werd gelokaliseerd (p. 48). Ook hierover zou een discussie vanuit Spinoza zinvol zijn.

Goed geschreven, met toelichting van gebruikte vreemde (meest Japanse) begrippen, met soepel gebruik van boeddhistische literatuur zonder dat de lezer wordt geïmponeerd via een omgevallen boekenkast, zo ervoer ik het artikel van Tydeman. De lezer die niets of heel weinig van het boeddhisme en zen-ervaringen weet, komt er aardig wat van te weten. Door de gegeven voorbeelden werd ik mij ervan bewust dat ik wellicht één keer in mijn leven spontaan een soort bewustzijnoverstijgende of verlichtingservaring had. Het is nu erg weggezakt, maar ik weet nog en vergeet nooit dat ik - het moet in 1977 of 1978 zijn geweest - in alle gemak kijkend in het schitterende rivierenlandschap van de Lek bij Schoonhoven, ineens voelde dat niet ikzelf keek, maar dat ‘het’ keek door mij; dat ‘de natuur’ of ‘dat landschap’ a.h.w. via mijn ogen zichzelf aanschouwde; dat het onderscheid tussen inwendig en uitwendig ineens niet meer bestond en alle grenzen ertussen, als je daarover mag spreken, even weggevallen waren. Het was een merkwaardige ervaring, waarvan ik niet het gevoel had dat mij iets transcendents overkwam of dat ‘Het Zijn mij raakte’ of dat het iets zo bijzonders was waarnaar ik zou willen terugverlangen om het nog eens mee te maken. Dit hoofdstuk bracht mij deze aparte belevenis in herinnering die dus niets met boeddhisme te maken heeft en m.i. ook niets met ‘verlichting’.

Het hoofdstuk van Waaijman - een erg vreemde eend in deze bijt – behandelt het onderwerp ‘vervoering van verzadigde beschouwing’ aan de hand van een gedicht van Johannes van het Kruis; dat wordt zeer uitvoerig behandeld. Het had wellicht in een gespecialiseerd religieus tijdschrift gepast. Mijns inziens was op deze plek een overzichtsartikel over westerse spiritualiteit, waaronder mystieke ervaringen, beter op z’n plaats geweest.

Tenslotte dan het langste hoofdstuk, dat over Spinoza en (de) Verlichting, van Miriam van Reijen. Zij stelt veel aan de orde over de ontstaansgeschiedenis van West-Europese Verlichting. Interessant is de bespreking van de bijdragen van Kant en Mendelssohn bij de beantwoording van de vraag “wat is verlichting” aan het eind van de Verlichtingsperiode. Voorts de opdeling door Jonathan Israel in ‘radicale’ en ‘gematigde’ Verlichting, de fundamentele rol die Spinoza als grondlegger van het radicale Verlichtingsdenken vervulde; in dat verband bespreekt ze uitvoerig het tolerantiebegrip en de roep om vrijheid van meningsuiting. Vervolgens geeft ze aandacht aan de drie vormen van gematigde (want religieuze) Verlichting: de christelijke, de joodse en de islamitische. Daarbij noemt ze jammer genoeg geen monografieën die i.h.b. hieraan gewijd zijn. Dat acht ik des te opmerkelijker bij de islamitische Verlichting die ze tussen 800 en 1400 situeert. Ze deelt hier epitheta uit, b.v. een Ibn Al-Rawani (Al Rawandi) zou te vergelijken zijn met Spinoza. Maar dat gaat allemaal wat kort door de bocht. Ze bespreekt het interessante werk van Ibn Tufayl, Hayy ibn Yaqzan, over een kind dat alleen op een eiland door een gazelle wordt gevoed en dat louter vanuit z’n ervaringen komt tot kennis van de natuur, het leven, van God en van de moraal. Tussen de bespreking ervan vlecht ze een en ander van Spinoza wat de suggestie wekt dat Spinoza iets met de vertaling te maken had of het boek gekend had, hetgeen mogelijk is, maar louter speculatie. Daar trouwens ook een klein foutje: Spinoza publiceerde de Tractatus Theologico-Politicus in 1670 niet met z’n initialen B.D.S.; die initialen werden door z’n vrienden voor het eerst gebruikt bij de publicatie van de Opera Posthuma in 1677. Vervolgens vat ze Spinoza’s filosofie samen en behandelt daarna, aan de hand van de tweede en vooral derde kenvorm, de intuïtie, Spinoza’s vergelijkbaarheid met de oosterse wijsheidsleren, waarbij ze overigens de zienswijze op Spinoza als mysticus afwijst. Tussendoor had ze ook nog de betekenis van de humor besproken (als verlichtend inzicht), waarbij ze mij niet heeft kunnen overtuigen dat dat, behalve met Freud, ook iets met Spinoza van doen heeft. In plaats van het thema humor zou, zoals ik in het voorbijgaan al aangaf, een confrontatie van enige van Spinoza’s inzichten met sommige boeddhistische, zoals die aangaande de dood, wellicht zinvoller geweest zijn.

Al met al, na een eerste wat tegenvallende indruk, hebben we hiermee toch een niet onaardig boekje in handen. Waarbij overigens, ondanks de serieuze inspanningen van Miriam van Reijen, de door Ritskes beweerde “grote en voor de hand liggende overeenkomst tussen de oosterse en de westerse verlichtingstradities” mij althans niet duidelijk is geworden. Ritskes stelt in de inleiding: “Beide tradities beogen volgens mij in essentie precies hetzelfde, namelijk: mensen stimuleren hun eigen gezond verstand te gebruiken, in plaats van zich teveel te laten leiden door onbewust opgedane, opgelegde en aangeprate opvattingen.” Het is niet de indruk die ik krijg uit de beschrijvingen van hoe men als leerling z’n inzichten opdoet aan de voeten van een zenmeester. Maar ik spreek dus niet uit andere ervaring dan het lezen van dit boekje.

 

Het heeft hier niets mee te maken, maar ik wil dit stuk van André Hanou even ergens bewaren, dus waarom niet hier: ‘De Verlichting brandt.’ Een kwart eeuw Verlichte letteren in Noord en Zuid (1670-1815)