Heeft Spinoza een moderne morele filosofie?

Dat hangt af van welke moderniteitseis er gesteld wordt. Als er onder verstaan wordt de mate waarin die filosofie gedragsverplichtingen en normen uitstraalt, hoe deontologisch hij is, dan kun je de vraag stellen: hoeveel ‘moraliteit’ vind je bij Spinoza? De aanleiding voor dit blog is het nieuwe lemma op de Internet Encyclopedia of Philosophy [IEP] waar ik onlangs in een blog op wees, n.l. het door John Grey geschreven lemma: “Spinoza: Moral Philosophy.” [Cf. IEP]

 

”Het verlangen om goed te doen, dat uit het leven onder leiding van de rede voortkomt, noem ik plichtsbesef,” (vertaalt Krol), pietas (schrijft Spinoza in 4/37s1), ‘morality’ (vertaalt Curley). Wat betekent daar ‘besef van plicht’ resp. ‘morality’? Dat is dus de vraag.

Ik vind dat John Grey een op vele punten voortreffelijk artikel schreef, waarvan veel op te steken is, juist over het ethische deel van de Ethica (vooral vanaf deel 4). Het geeft een goede samenvatting van de hoofdlijnen; en tegelijk krijg je iets mee van de vraagstukken die in de recente secundaire Spinoza-literatuur daarover aan de orde worden gesteld.

Er is echter één ding dat mij opvalt en dat ik in dit blog aan de orde wil stellen. Ik wees in het eerste blog er al op dat de auteur in de openingsalinea Spinoza de opvatting toedicht dat “everyone ought to seek their own advantage.” De neiging Spinoza zo te vertalen zie je steeds terugkomen.

Het gaat me om de waarschijnlijk vooral door Kant beïnvloedde opvatting in de huidige ethische theorievorming of Moral Philosophy dat iets daar pas onder valt, als het aandacht heeft voor en verklaring van hoe en waarom we tot een bepaald gedrag verplicht zijn. Die interesse voor dat aspect zie je door heel het artikel heen: regelmatig lees je ‘ought to do’.

De auteur wil laten zien dat “Spinoza’s moral philosophy remains alive for us today” (zoals de laatste woorden van het artikel luiden). Dat klopt: Spinoza’s Ethica is nog steeds van belang voor onze tijd, maar niet per se om de redenen die in dit artikel gegeven worden. Spinoza behoort niet tot de hedendaagse ethiek of moraalfilosofie omdat ook bij hem goed beschouwd uiteindelijk een plichtenleer te ontwaren zou zijn. Behalve de boven geciteerde zin die onwaar is, daar Spinoza niet beweert dat mensen hun bestaan behóren te behouden, maar vaststelt dat zij dat dóen (net als alles dat bestaat), komen er meer van zulke voor.

Terecht wijst Grey erop dat bij Spinoza i.p.v. traditionele axiologische concepten van wat goed en kwaad is, met de concepten komt van activiteit en passiviteit, van handelen en ondergaan ofwel lijden. De auteur beschrijft een en ander aan de hand van de typering dat Spinoza een anti-realist zou zijn – een enigszins rotbegrip uit de aloude universaliastrijd waarin de realist degene was die met Plato van mening was dat het de ideeën waren (b.v. het Goede) die reëel bestonden. En als je een manicheïstisch of gnostisch dualisme aanhing, zag je ook het kwaad als iets reëels.
Voor anti-realisten als Spinoza bestonden goede of kwade dingen niet objectief, maar ging het louter om iets relatiefs (en dus subjectiefs), n.l. of iets een goede of slechte werking had voor iemands streven om z’n bestaan door te zetten. Spinoza zet dit vooral uiteen in het Vooroord bij het 4
e Deel. “Morele kwaliteiten”, n.l. of iets goed of slecht is, zijn niet iets positiefs (dus objectiefs) in de dingen, maar betreffen de evaluatie vanuit de gebruiker of iets van nut is voor zijn bestaan, of dat bestaan juist bedreigt.

Bij het behandelen vervolgens van drie aspecten van Spinoza’s morele theorie (te weten: Ethical Egoism, Contractarianism, and Virtue Theory), die ik niet alle langs zal lopen, wil ik alleen erop wijzen hoe daarin ‘deontologische taal’ binnensluipt. Zo vraagt Grey zich af of Spinoza’s “dictaten van de rede” wel als “voorschriften” te beschouwen zijn. Ook aan het begin van §2.b.i weer de vraag wat een individu “ought, moraly to do.”

In de 3e paragraaf bespreekt Grey “Spinoza’s Remedie for the Passions.” Hij vindt die meer weg hebben van wat wij tegenwoordig ‘zelfhulpboeken’ zouden noemen dan “principles governing moral obligation”, waarmee hij weer eens aangeeft waaraan een moraalfilosofie heeft te voldoen: plichten aanwijzen! En wat zie je vervolgens vanuit dat frame gebeuren? In de slotalinea van die betreffende §3 beweert Grey dat Spinoza in het voorwoord van Deel 4 van de Ethica schrijft “that we ought to cultivate and hold before ourselves an idealized human being whom we can model our own behavior upon.” Hier is de wens de vader van de gedachte: Spinoza heeft het echter helemaal niet over een plicht, maar wijst erop dat een exemplar humanae naturae nuttig en wenselijk is: als je een beter mens wilt worden, is het handig een goed voorbeeld van zo’n mens voor ogen te houden, als navolgbaar ideaal; en alvast nuttig gedrag te oefenen.

Nogmaals, ik blijf erkennen dat je veel aan dit samenvattende artikel kunt hebben, maar ik wijs tevens op het nadeel dat de auteur Spinoza’s feitelijke, beschrijvende naturalistische, wetenschappelijke gedragsfilosofie een deontologisch plichtenjasje wil omdoen. En dat is jammer, want ziet de essentie van Spinoza’s volstrekte immanentie theorie over het hoofd. Waar immers zou die plicht vandaan kunnen komen, dan uit wat we zelf in elkaar brouwen om redelijk samen te leven?

Dat mensen die zoveel mogelijk volgens de ”dictaten van de rede” leven, het zoveel met elkaar eens zijn, geen ruzie, laat staan oorlog kunnen maken, komt niet omdat Spinoza denkt dat deze wijze mensen zo moreel hoogstaand zijn, en zo verstandig of aardig zijn om voor zo’n leven te kiezen, maar ze doen wat ze doen, omdat ze niet anders kunnen dan doen wat hun inzicht hen laat kennen. Zij móeten niet iets doen, volgen geen plicht om morele redenen, maar omdat ze niet anders kunnen dan handelen naar hun natuur. Dat betreft geen moreel moeten (vanuit plicht, en gehoorzaamheid), maar omdat ze daartoe gedetermineerd zijn – niet anders kunnen handelen dan hun natuur hen ingeeft.

Ik hoop met dit blog aan dat op zich zoveel goeds bevattende artikel, het eraan klevende deontologische jasje weer te hebben uitgetrokken.

Reacties

Zou je niet kortweg kunnen stellen dat - in lijn met Spinoza - de heersende moraal de resultante is van een belangen economie? Waar zou anders de moraal vandaan moeten komen als je niet uitgaat van het belang om in je voortbestaan te volharden?

Mij ging het erom dat er in het IEP-lemma van Spinoza's ethische filosofie een beetje een soort kantiaanse normatieve deontische leer wordt gemaakt. Je kunt er ook een marxistische leer van proberen te maken. Natuurlijk gaat Spinoza uit van de min of meer consensuele resultante van alle belangen om in eigen voortbestaan te volharden: een heel praktische vooral politiek-morele filosofie.

"een heel praktische vooral politiek-morele filosofie": helemaal mee eens!

Het is niet zo evident dat een ethiek die puur gebaseerd is op eigenbelang tot een humane moraal leidt. Zie hiervoor volgend artikel van Melamed: "Spinoza's anti-Humanism" (http://ptw.uchicago.edu/Melamed08.pdf).

Rekening houden in je gedrag met de behoefte van de ander moest in de Eeuw van Spinoza op scholen nog onderwezen worden. Dit is in het kader van de gedragsleer in de TIE en Ethica terug te vinden. Streven naar het verbeteren van het verstand moest wetenschappelijke aangepakt worden. Wat bij Stevin het opvoeden van mensen tot redelijke burgers en bij Spinoza het (her)vormen tot vrije staatsburgers heet.
Het elitaire of egocentrische pure eigenbelang op korte termijn stond het algemene welzijn en de welstand juist in de weg. Het verstandig duurzaam samenleven eiste moderne redelijke burgers. Het goed besturen van de groeiende gevarieerde stedelijke samenleving was anders dan die van de eigen geloofsgemeenschap.
Het beschaven van de mens in werkelijk humanistische zin wordt door Spinoza daarom vooral als (collectief) leren zonder vooroordeel opgevat.
Hij neemt daarin een zinnig en een democratisch standpunt in. Het gaat hem om het openbaar verspreiden van wetenschappelijke kennis en het vormgeven van een vredelievend samenleven; juist om de bestaande elitaire en theocratische oordelen, de amorele rechtspraak en misbruik van macht, om klassenjustitie te vermijden. Zijn Republiek der letteren, de drukpers van het vrije woord, de macht van het verbeterde menselijk verstand, moest daarin een rol van betekenis gaan spelen. De heersende Ethiek zou dan vooral in de toekomst verstandiger kunnen zijn.

Mark Behets: "Het is niet zo evident dat een ethiek die puur gebaseerd is op eigenbelang tot een humane moraal leidt."
Ik doelde niet op een nastrevenswaardige moraal maar op een feitelijke moraal.