Hendrik Wyermars - 300 jaar Spinozistisch martelaar V

Hubert Vandenbossche (1940  was verbonden aan het Centrum voor de studie van de Verlichting en van het vrije denken van de Vrije Universiteit Brussel. Hij verzorgde in 1974 de eerste  wetenschappelijke uitgave van Adriaen Koerbagh’s Een ligt Schijnende in Duystere Plaatsen, en in datzelfde jaar publiceerde hij over Frederik Leenhof [Brussel, Vrije Universiteit, 1974. (Vrijdenkerslexicon, Dossier 1)]. Samen met Hubert Dethier verzorgde Hubert Vandenbossche de redactie voor het Woordenboek van Belgische en Nederlandse vrijdenkers dat in 1979 uitkwam. Uit Vandenbossche’s diepgaande studie van Hendrik Wyermars, eveneens uit 1974, heb ik voor deze blogs ruim geput. Als een hommage aan hem neem ik hier één paragraaf uit zijn artikel in zijn geheel over, die ik als de beste over Wyermars beschouw en die tegelijk ook enigszins een beeld geeft van Vandenbossche zelf.
De eindnoten heb ik in de tekst opgenomen, waarbij I.C. verwijst naar
Den Ingebeelde Chaos.

Spinozisme is materialisme

Wyermars poogt te antwoorden op de vraag naar de oorzaak van het onderscheid der dingen. In spinozistische terminologie uitgedrukt, waarom zijn er modi en niet enkel maar substantie?

Hij verwerpt Descartes’ oplossing, omdat ze de zuivere begrippen der wijsbegeerte verzaakt en een toevlucht zoekt in God:

“Onder alle de zaken, waar over de Filosofen en schrandere mannen geschreven hebben, is’er geen daarse (voor zoo veel my bekent is) minder hebben op stil gestaan, als op d’oorsaak, of reden, van ’t onderscheyd der dingen, en beweging, in de natuur; en nochtans is dit, na mijn oordeel, een van de voornaamste redenen waar door men, of aan de suivere begrippen der wijsbegeerte blijft, of komt, van af te dwalen. Hier is Cartesius, en zijne navolgers in de Natuur-kunde gestuyt, en hebben hun toevlugt tot de over-natuur kunde, dat is, God, moeten nemen.” (I.C pp. X-X1)
Zoals Wyermars terecht opmerkt, heeft Spinoza al evenmin een afdoend antwoord op deze vraag die meteen de vraag naar het bestaan van het individu en van de geschiedenis en het probleem van het akosmisme en de ganse Spinozastrijd impliceert, geleverd. Wyermans vindt bij zijn betreurde meester wel enkele elementen voor een oplossing, die echter dubbelzinnig en niet ongevaarlijk klinken:
“In ’t eerste sprak Spinoza de zuyvere waarheyt, maar dat hy de byzondere dingen, wyzen van de Goddelijke toeeygeninge heeft genoemt, is een missing van deeze man, hier uyt gsproten dat hy God en de natuur niet nauwkeurig van malkander heeft onderscheyden, want de byzondere dingen, zijn niet anders als wijzen en toevallen in de natuur, … die voor zo verre van God voortgebragt wort, buyten God werd aangemerkt, en dieshalven moeten ook de byzondere dingen, wyze, of toevallen, voor zo ver buyten God aangemerkt worden. Had Spinoza dit begrepen, en de zaak zodanig geschift, zo zou hy niet gezegt hebben, in de 16de Voorstelling, dat uyt de nootzaakelykheyt van de Goddelyke natuur, moeten nootzakelijk oneyndige dingen op oneyndige wyzen volgen, om quansuys ’t onderscheyt der dingen van vooren, uytGods natuur af te leyden, waar in Spinoza zig heeft vergist; want om dat men de dingen, door haar naaste oorzaken moet verstaan, zo volgt ’t bestaan van ’t Heel-al, zo zeer niet uyt de noodzakelijkheyt van Gods natuur, als wel vermogen, … ’t welk de man in zijn staatkundige verhandeling, in ’t tweede Hoofd-deel, ’t twede Lid, niet duyster te kennen geeft.” (I.C. pp. 151-152)
Spinoza begaat dus drie vergissingen: hij noemt de dingen modi van God; hij leidt het onderscheid der dingen af uit de natuur Gods; hij laat het heelal eveneens uit de noodzakelijkheid van Gods wezen volgen. Deze denkfouten leiden tot twee zware, voor een vrijdenker als Wyermars aanstootgevende en onaanvaardbare konsekwenties; vooreerst wordt het individu opgelost in een onpersoonlijk heelal, en bovendien verzuipt dit heelal op zijn beurt helemaal in God. Spinoza begaat deze vergissingen omdat hij, onvoldoende more geometrico redenerend, geen onderscheid maakt tussen God en natuur en de dingen niet door hun naaste oorzaken verklaart. Zoals bij de hogerbehandelde “opheffing” van de geloofspunten van het calvinistisch credo zal Wyermars ook hier Spinozistischer dan Spinoza optreden en aldus zijn meester amenderen. Door deze originele lectuur drijft Wyermars, duidelijker dan de andere ons bekende Nederlandse spinozisten, zijn meester in de richting van een ondubbelzinnig en onwederroepelijk materialisme. Zijn redenering kan als volgt weergegeven worden: 1) Het heelal, als zakelijk, als bestaand heeft God of het vermogen des bestaans tot Oorzaak.

2) Dat het heelal zo bestaat, op de wijze van bijzondere lichamen moet immanent, vanuit de naaste oorzaak, vanuit de noodzakelijkheid van zijn eigen orde en samenschakeling kunnen afgeleid worden

[eindnoot 87] “Woorden die waarlijk genoegzaam de ware afhankelijkheyt te kennen geven, namentlijk dat de natuur als zakelijk van God afhankelijk is, en niet, voor zover hun byzondere toevallen aangaat, die moeten enkel en alleen door d’order en zamenschakelinge der natuurlijke dingen afgeleyt werden.” (I.C. p. 153)
a) dat elk bijzonder lichaam zo beweegt, zolang duurt dient verklaard door de natuurwetten, door de fysika, waarover Wyermars in zijn boek niet handelt

b) dat de bijzondere lichamen bewegen en duren moet vanuit de natuur der bijzondere lichamen zelf, als naaste Oorzaak afgeleid worden.

[eindnoot 88] “maar alle duuring en onderschyding behoort tot de byzondere dingen, … dat is …voor zoo ver ze van de order der natuur, en niet van God afhankelijk zijn, … om dat men de dingen door haar naaste oorzaken moet verklaren, moet men eygentlijk zeggen dat alle de beweeginge, en geschienisse gansch natuurlijk zijn.” (I.C. p. 154)
3) Bewijsvoering: de beweging is een gevolg van het onderscheid der dingen en het onderscheid vloeit voort uit de natuur der lichamen zelf. Omdat de dingen onderscheiden zijn staan ze tot mekaar in een onderscheiden relatie en laten ze op mekaar onderscheiden krachten inwerken. Het gevolg van deze beïnvloedende inwerking is de beweging lato sensu, als een plaats innemen – een plaats bewaren – van plaats moeten veranderen, als door een lichaam voortbewogen worden of zelf een lichaam voortstuwen. Aangezien deze beweging de enige wijze is waarop lichamen op mekaar kunnen inwerken volgt zij noodzakelijk uit het onderscheid der lichamen.
[eindnoot 89] “Want dewyl de lichamelijke dingen onderscheyden zyn, moeten ze ook nootzakelijk een onderscheyden betrecking tot malkander hebben, en anders en anders ontrent malkander bestaan. Deze verandering der lichamen dat tot malkander, is niet anders als de plaatzelijke beweeging zelfs. De reden of oorzaak der beweeging bestaat dan hier in, namentlyk in de verscheyde betrecking of aandoeninge der lichamen tot malkander, en dewyl de lichamen malkander niet konnen aandoen, als enkel door beweeging, zoo volgt de beweeging nootzkelyk uyt het bestaan der lichamen” (I.C. p. 26)
4) Er rest Wywermars nu enkel nog te bewijzen dat het onderscheid een gevolg is van de natuur der dingen. Een lichaam of ding is niets anders dat datgene wat in lengte, breedte en diepte bestaat, wat vorm en gestalte heeft. Dit zijn de eigenschappen van een lichaam, alle lichamen zijn derhalve noodzakelijk “driemetelijk, geformt en bepaalt.” (I.C. p. 24). Men dient een onderscheid te maken tussen het begrip lichaam en het begrip zelfstandigheid, dat Wyermars als volgt bepaalt:
“Nu is zelfstandig niet anders als enkel te zyn, of bestaan. Maar enkel te bestaan of uytgestrekt te zyn, stelt niet de byzonderheyt of form van eenig ding.” (I.C. p. 24)
Derhalve is de vorm of lichamelijkheid niets anders dan een modus, een wijze of toeval in de uitgestrektheid en bijgevolg zijn de lichamen wel modi maar geen zelfstandigheden (substanties). Men moet daarom een onderscheid maken tussen lichaam en uitgestrektheid, geen zakelijk onderscheid, als tussen twee zelfstandigheden, want het lichaam is geen substantie, enkel een modus in de uitgestrektheid. Omdat men dit onderscheid meestal niet maakt, treedt verwarring op en schrijft men eigenschappen die enkel tot het lichaam behoren (als eindigheid, verandering en deelbaarheid) toe aan de uitgestrektheid. Om deze verwarring te vermijden moet men al wat bestaat noodzakelijk onder twee onderscheiden toeeigeningen vatten, eerst voor zover het bestaat, ten tweede voor zover het op deze of gene wijze bestaat. Het eerste noemt men zelfstandigheid, het tweede modus van die substantie. Bijgevolg behoort alle bijzonderheid en onderscheid tot de tweede en niet tot de eerste toeeigening, bijgevolg is al wat tot de uitgestrektheid behoort wel onder de tweede, niet onder de eerste toeeigening onderscheiden, bijgevolg behoort het onderscheid tot de natuur der lichamen (niet tot de natuur der uitgebreidheid, wat diende aangetoond te worden. (I.C. pp. 24-24)

Uit Wyermans’ redenering dienen twee belangrijke conclusies getrokken te worden: al wat beweegt, al wat gebeurt, is “gans natuurlijk”, alle feiten geschieden door de onveranderlijke orde der natuur, op zulke wijze dat niets erboven, ertegen of erbuiten kan gebeuren; (I.C. pp XVIII-XIX) aangezien God het heelal in eeuwigheid en door één enkele daad schept en onderhoudt, volgt dat Hij alleen in natuur (in Mente), echter niet in tijd of bestaan (in re) het heelal voorafgaat; dit wil zeggen dat in het heelal een volstrekt determinisme heerst waarbij alle causa finales en teleologieën slechts anthropomorfistische illusies zijn. (I.C. pp. 156-157

Het lijdt weinig twijfel dat heel wat christelijke interpretaties van het Spinozisme mogelijk werden door Spinoza’s al te abstracte identificatie van God met de Natuur, die de deur op kier liet voor heel wat spiritualismen. [eindnoot 95: Vanuit Wyermars mag en moet tevens de vraag gesteld worden in hoeverre Spinoza’s onduidelijkheid aangaande de relatie substantie / modi verantwoordelijk dient gesteld voor het terugvallen van de (potentieel) materialistische substantie in het (telelogisch) idealisme, in hoeverre dit terugvallen de ontplooiing van de bevrijdingsgedachte en de bevrijding zelf geremd heeft.] Door (onder voorwendsel van) de innerlijke geleding van het Spinozisme more geometrico te versterken heeft Wyermars het allengskens, haast onmerkbaar, van heel wat dubbelzinnigheid en duisterheid bevrijd en uitgebouwd tot een goed functionerende materialistische (strijd)machine.

                                                     * * *

Deze tekst was geheel van Hubert Vandenbossche, genomen uit Hubert Vandenbossche: Hendrik Wyermars’ Ingebeelde chaos (1710): een “Tractatus de emendatione Spinozae”. In: Tijdschrift voor de Studie van de Verlichting, jg 2, 1974, 3-4,  blz. 321-369

Inderdaad: het gaat om een serieuze “Tractatus de emendatione Spinozae”.

 

Reacties

Stan, je hebt me een dienst bewezen door je presentatie van zijn teksten, die ik niet bij de hand had. Interessant te zien, hoe diep Wijermans in Spinoza doorgedrongen was en hoe origineel hij die interpretyeert. Ik zie daarin een bevestiging van mijn klemtoon op het 'vicissim', dat Spinoza hier en daar loslaat. Opvallend vind ik ook dat hij de TP betrekt in de uitleg van de Ethica, iets wat ik helass nimmer zie bij onze contemporaine commentatoren.