"Het goede doen en blij zijn" als tegeltje

Dagblad Trouw heeft op de laatste pagina van de zaterdagbijlage Letter & Geest een rubriek: “de tegel”, waarin bekende en minder bekende mensen geïnterviewd worden over hun levensmotto. Vandaag is de beurt aan Tinneke Beeckman [cf.]. Ziehier haar motto.

Dat ze het de vijftigste stelling van deel vier van de Ethica noemt i.p.v. een uitspraak in het scholium bij stelling 4/50 [nog eens herhaald in 4/73s]: ik heb er geen moeit mee. En hoewel ik in mijn blog van 28 november 2010 over “Bene agere, et laetari” voorstelde om er “zeker geen tegeltjeswijsheid” van te maken, heb ik er vrede mee dat het hier toch gebeurt: Spinoza komt er immers weer eens mee onder de aandacht.

Zie haar stukje “Blij leven dankzij Spinoza" in De Morgen van 27 maart 2016 ter introductie van het boekje over Spinoza van Joan Solé.

 

Reacties

Aanvulling: Met ‘goed te doen en blij te zijn’ refereert Spinoza blijkbaar aan een volkswijsheid, want hij schrijft vervolgens in 4/50: ‘zoals vaak wordt gezegd’.
Overigens is het een opmerking in een stelling over medelijden.
Zie mijn hertaling:

‘50.
Medelijden is in de mens die onder de leiding van de ratio leeft op zich slecht en nutteloos.

Medelijden is immers droefheid en dus op zich slecht. Het goede dat voortkomt uit dat we de persoon, met wie we medelijden hebben, uit zijn ellende proberen te bevrijden, daar verlangen we alleen al naar door de voorschriften van de ratio, zoals we iets waarvan we met zekerheid weten dat het goed is, alleen kunnen doen door de voorschriften van de ratio.
Daarom is medelijden in de mens die onder de leiding van de ratio leeft, op zich slecht en nutteloos.

Hieruit volgt dat wie onder de leiding van de ratio leeft, zoveel mogelijk er naar zal streven om te voorkomen dat hij medelijden krijgt.

Wie beseft dat alles wel uit de goddelijke aard moet voortkomen en dat alles volgens de eeuwige wetten en regels van de natuur gebeurt, zal zeker niets vinden dat onze haat, lachlust of minachting verdient.
Hij zal medelijden hebben met niemand, maar zal streven naar de vruchtbare menselijke deugd, ‘goed te doen en blij te zijn’, zoals vaak wordt gezegd.

Daarbij komt, dat iemand die snel medelijden heeft en geraakt wordt door de ellende en de tranen van een ander, vaak iets zal doen waar hij later spijt van krijgt.

Niet alleen omdat we onder invloed van een emotie niets kunnen doen waarvan we zeker weten dat het goed is, maar ook omdat we gemakkelijk bedrogen worden door valse tranen.

Ik spreek hier uitdrukkelijk over mensen die onder de leiding van de ratio leven. Want wie niet door de ratio en ook niet door medelijden er toe wordt aangezet om anderen te helpen, wordt terecht onmenselijk genoemd, want hij lijkt niet op een mens.’

Verder noemt Stan 4/73:

73.
De mens, die onder leiding van de ratio leeft, is in de burgerlijke staat, waarin hij leeft volgens algemeen besluit, vrijer dan in de eenzaamheid, waar hij alleen zichzelf gehoorzaamt.

De mens die door de ratio geleid wordt, wordt niet door angst gedwongen om gehoorzaam te zijn. Maar hij wil graag rekening houden met het gemeenschapsleven en het nuttige en daarom volgens de besluiten van de gemeenschappelijk staat leven, omdat hij onder leiding van de ratio zijn bestaan in stand probeert te houden, dus omdat hij vrij wil leven.

Daarom begeert de mens die door de ratio geleid wordt juist om vrijer te leven en zich te houden aan de gemeenschappelijke wet van de staat.

Deze en soortgelijke dingen die ik over de ware vrijheid van de mens heb gezegd, hebben te maken met moed, dus met mentale kracht en onzelfzuchtigheid.

Ik vind het niet nodig om alle eigenschappen van moed afzonderlijk te laten zien en nog minder dat een moedig mens niemand haat, op niemand boos wordt, niet jaloers is, niet verontwaardigd is, niemand minacht en helemaal niet arrogant is.

Want dit, en alles wat betreft het waarachtig leven en het plichtsbesef, kan gemakkelijk uit de stelling 37 en 46 van dit deel worden afgeleid, waar immers gezegd werd dat haat door liefde moet worden overwonnen en dat ieder, die door de ratio geleid wordt, iets goeds dat hij voor zichzelf begeert ook aan anderen toewenst.

Hierbij komt nog wat ik in de opmerking bij stelling 50 van dit deel en op andere plaatsen heb opgemerkt, namelijk dat een moedig mens in de allereerste plaats bedenkt dat alles voortkomt uit de noodzakelijkheid van de goddelijke aard en dat alles wat hij hinderlijk en slecht vindt en wat hij goddeloos, afschuwelijk, onrechtvaardig en schandelijk vindt, alleen zo is omdat hij de dingen wanordelijk, gebrekkig en verward ziet.

Daarom zal hij er dan ook vooral naar streven de dingen te zien zoals ze op zich zijn en alle belemmeringen om echte kennis te krijgen uit de weg proberen te ruimen, zoals haat, woede, jaloezie, spot, arrogantie en alle eerder genoemde soortgelijke emoties.

Hij zal er daarom zoveel mogelijk naar streven om, zoals ik zei: goed te doen en blij te zijn.’

Zelf zou ik Spinoza’s filosofie het kortst samenvatten als:

‘juiste ideeën maken je gelukkig’.

Als je ‘juiste ideeën’ hebt, doe je goede dingen en ben je dus blij.