Hoe het me verder verging met Verlichting onder Vuur

Het derde deel van Verlichting onder Vuur van Jonathan Israel, dat de titel meekreeg ‘Politieke emancipatie”, bestaat uit zeven hoofdstukken die samen met hun 217 grote pagina’s (in normale grootte wel meer dan 300 pagina’s) weer als een boek op zichzelf te beschouwen zijn. Hieruit enige grepen.

Het begint met Hobbes die als een der eersten met de gedachte op de proppen kwam dat moraal en wetten niet door God gegeven zijn, maar sociale constructies zijn  - een gedachte die Spinoza verder uitwerkte. Begrippen als ‘vroomheid’ en ‘religie’ worden door Spinoza en zijn navolgers hertaald in ‘eerbied voor de wet’ die uitdrukking is van het algemeen belang. De Bijbel is dan ook zeer geschikt om ’t gewone volk dat (n.l. gehoorzaamheid aan de wet) te leren.

Dan volgt een hoofdstuk (10) dat het democratisch republicanisme afzet tegenover het klassiek republicanisme, alsmede het democratisch denken van radicale verlichters. Voor Spinoza, die daarin Van den Enden volgt, volgt de suprematie van de democratie boven andere staatsvormen uit het feit dat deze autonomie van het individu beter garandeert dan de andere, de mens dichter bij de natuurlijke toestand laat en maximale gelijkheid onder de mensen erkent, waardoor ze vrijer en gelukkiger zullen zijn.

Hoofdstuk 11 volgt de politieke filosofie van Bayle, Boulenvilliers en Montesquieu die niet democratisch zijn, maar sterk  voor een seculiere, absolute monarchie zijn (Bayle) resp. voor een artistocratische republiek zijn (beide laatsten). Beide richtingen voelden wel sterk voor de gemengde monarchie van het Engeland van na de ‘Glorious Revolution’ (1688/89).

Hoofdstuk 12 handelt over het ‘verlichte despotisme’ van de Russische Peter de Grote. Volgens Israel voerde deze Tsaar Peter doelbewust een praktische ‘revolutie’ door die gebaseerd was op een ‘revolutie des geestes’ waarvoor een grote voorraad buitenlandse deskundigen, vooral uit Nederland en Duitsland, op allerlei gebied werd aangetrokken. Deze ‘verlichting’ of ‘verwestersing’ werd van bovenaf opgelegd en hield slechts stand zolang de sturing en verplichting van bovenaf werd gehandhaafd. Toch was volgens Israel toch minstens een deel van de bovenlaag door deze geïmporteerde ideeën veranderd. Hij volgt in zekere zin Voltaire die er een ‘revolutie des geesten’ in zag. Maar hij geeft ook wel toe dat Voltaire, die een geschiedenis van Peter de Grote schreef,  hiermee goed beschouwd een ‘verlichtingsmythe’ schiep.
Ook behandelt hij daar uitgebreid de Grieks-orthodoxe handelskolonie die een soort diaspora vormden en grote culturele en filosofische interesse aan de dag legde in Locke, Newton en Leibniz (Mavrocordates, Voulgaris e.a.). Hij wil echt alles behandelen, zelfs dit soort – in letterlijke zin - randverschijnselen.

Hoofdstuk 13 gaat over het aanvankelijk zeer aarzelende opkomen van het begrip ‘volkssoevereiniteit’ en de ideeën over het recht op verzet en revolutie: een boeiend stuk ideeëngeschiedenis dat zich goed zelfstandig laat lezen. Voor het eerst wordt geformuleerd dat de vorst niet boven de wetten staat, maar de wetten boven de vorst (Van der Muelen).

Hoofdstuk 14 gaat uitvoerig in op het anglicanisme en zelfs de anglomanie en – nog eens – over het ‘Britse staatsmodel’. Overal weeft hij de navolgers of bestrijders van Spinoza in. En passant behandelt hij de vijf kenmerkende verschillen van de Britse resp. de continentale filosofie, waarbij hij de lezer overigens bepaald niet behulpzaam is met het goed structureren van de doorlopende tekst, zodat het maar moeizaam (of niet) lukt om die vijf punten te ontdekken. Hier ook behandelt hij het anglicanisme van Voltaire die i.t.t. het Hollandse bestel (‘la liberté de la canaille’) weg was van het Britse. Uiteraard riep al dat overvloedige anglicanisme ook reactie op in anti-anglicanisme in het midden van de 18e eeuw van de groep die Diderot typeerde als ‘Nouveaux Spinozistes’: Diderot, Helvétius, Boulanger, La Mettrie en d’Alembert die zich afkeerden van de kennisleer en ethiek van Locke en vooral van de Newtoniaanse fysicotheologie.

Maar, we zijn dan in hoofdstuk 15, het was toch vooral de gematigde Verlichting die in de Verenigde Provincies triomfeerde en de radicale Verlichting die het onderspit delfde. Het verzet van b.v. de Zeeuwse predikant Cornelis Tuinman die Van Hattem net als Van Leenhof verweet ‘volksspinozisme’ te verbergen onder christelijke fraseologie. De snelle economische achteruitgang en demografische, sociale en economische en culturele veranderingen na 1720 mede tengevolge van oorlogsuitgaven tegen de Fransen leidde tot terugval van allerlei separatische bewegingen waaronder het spinozisme. ‘Volksrevoluties’ van 1747-48 en de orangistische restauratie van 1747-1751. Het is een hoofdstuk vol economische en politieke ontwikkelingen met tussendoor informatie over de ontwikkeling van de debatten tussen de Hugenoten.

Het is al met al heel veel, imponerend veel, dat de lezer over zich uitgestort krijgt. Indrukwekkend hoe één auteur al die zaken heeft weten te bestuderen en verwerken. Voordeel is dat je er als in een encyclopedie veel in kunt opzoeken waarbij je dan zelden met lege handen blijft.

Oefenen ideeën invloed uit op maatschappelijk zijn?
Tenslotte, welk antwoord geeft dit derde deel op de vraag die ik n.a.v. het eerste deel oppakte “Oefenen ideeën invloed uit op maatschappelijk zijn?” waar Israel zich in het eerste deel sterk over uit. Ik bekeek ook naar de bijdrage tot beantwoording van het tweede deel die m.i. nihil was.

Ook in dit derde deel brengt Jonathan Israel geen materiaal aan voor zijn stelling dat ideeën invloed uitoefenen op maatschappelijk Peter de Grote, van 1682 - 1725 tsaar van Ruslandzijn. De nogal despotische van bovenaf opgelegde veranderingen die Tsaar Peter de Grote doorvoerde en die hij in het 12e hoofdstuk behandelt, kun je toch niet als de invloed van ideeën zien.

Israel nam voor zijn recentste boek als titel de typering over het toenmalige gebeuren in Rusland over van Voltaire die sprak van een ‘revolutie des geestes’, maar hij geeft in hoofdstuk 12 zelf aan dat Voltaire er een ‘Verlichtingsmythe’ mee schiep. In het laatste hoofdstuk van dit deel (15) komt hij juist met uitvoerige informatie hoe de economische teruggang en de sociale problemen in het tweede kwart van de 18e eeuw maakte dat de belangstelling voor de nieuwe ideeën (waaronder het Spinozisme) sterk verflauwde – toch ook niet een duidelijke bewijsplaats voor de invloed van ideeën op maatschappelijke ontwikkelingen, maar eerder het omgekeerde.