Hoe ik mezelf een schriftelijke cursus van Tammy Nyden-Bullock aanbood [4] - de raadselachtige relatie tussen de 'Idea Dei' en de 'Idea Universi'

Voor ik het boek waarmee ik nu al een poos bezig ben weg kan leggen, wil ik het nog over één ding hebben. Daar het een wat apart onderwerp betreft, leek het me wel een apart blogje waard. Het betreft iets dat velen niet zal opvallen, vermoed ik; in ieder geval de recensenten die ik onder ogen kreeg, hadden het er niet over. Het gaat om het volgende

Zij geeft veel aandacht aan de (parallelle) tegenhanger van de facies totius universi, die Spinoza in brief 64 aan Schuller noemt als voorbeeld van de middellijke oneindige modus in het attribuut van uitgebreidheid. Schuller had in zijn brief van 25 juli 1665 'ten vierde' aan Spinoza gevraagd; "ik zou graag voorbeelden hebben van de dingen die onmiddellijk door God, en van die welke door tussenkomst van een of andere oneindige modificatie zijn voortgebracht. Tot de eerste soort behoren naar het mij toeschijnt denken en uitgebreidheid, tot de laatste het verstand in het denken, de beweging in de uitgebreidheid enz."

Spinoza geeft een gedeeltelijk antwoord, waarin hij Schuller tegelijk (zij het impliciet) corrigeert: de attributen zijn niet zaken die door God worden voortgebracht. Spinoza's antwoord luidt:
"De voorbeelden tenslotte die gij vraagt, zijn, van de eerste soort: in het denken het volstrekt oneindige verstand, in de uitgebreidheid beweging en rust; van de tweede soort: de gedaante van het universum als geheel (facies totius universi), die, hoewel zij op oneindig vele wijzen wisselt, toch altijd dezelfde blijft; zie hierover deel II, de opmerking bij hulpstelling (lemma) 7, voorafgaande aan stelling 14.

Er is al heel wat secundaire literatuur gewijd aan deze erge beknoptheid van Spinoza. Om goed te weten waarover we het hebben is er in die literatuur onderscheid in benaming gemaakt, waarover wel consensus bestaat, n.l. om te spreken over de onmiddellijke oneindige modi en de middellijke oneindige modi. Van die laatste gaf Spinoza alleen het voorbeeld van het facies totius universi. Sommigen menen dat met het universum zowel de uitgebreide dingen, als de ideeën bedoeld zou kunnen zijn. Maar door de verwijzing naar het 7e lemma in de zgn. 'kleine fysica' is voor Tammy Nyden-Bullock duidelijk dat onder 'de gehele natuur' die in het scholium bij het 7e lemma als een individu wordt gezien, het enkel gaat over de uitgebreidheid. In een knappe analyse laat zij zien dat hoewel Spinoza nooit de middellijke oneindige modus van het denken aanduidde, die er toch op grond van zijn parallellisme wel moet zijn en aangeduid zou kunnen worden als: het 'idee van de hele natuur' of als het 'idee van het aangezicht van de hele universum', samengesteld uit het oneindige aantal eindige ideeën.

Alleen, en daar komt mijn punt van kritiek, zij 'vergeet' te behandelen wat het verschil dan is van dát idee met het oneindige intellect (intellectus infinitus), de onmiddellijke oneindige modus die ook wel gelijk gesteld wordt met de 'Idea Dei' (ik verwijs hier kortheidshalve naar publicaties van Den Dijn). Naar de intellectus infinitus verwijst Spinoza in 5/40s: "dat onze geest, als hij kent, een eeuwige modus van denken is, die door een andere eeuwige modus tot denken is aangezet en deze op zijn beurt weer door een andere en zo tot in het oneindige, zodat alle samen het eeuwige en oneindige verstand van God vormen."

Maar zij, Tammy Nyden-Bullock, behandelt het 'idee van de gehele natuur' waarnaar zij meerdere malen verwijst, alsof het 'intellectus infinitus' ofwel de 'Idea Dei' en de 'Idea Universi' hetzelfde zijn. Zie deze tekst op blz. 131:


In ieder geval behandelt ze het mogelijke verschil tussen de 'Idea Dei' en de 'Idea Universi' nergens, waardoor zij tot de hier gesignaleerde verwarring aanleiding geeft. Of zou de verzameling van alle (eeuwige, want ware) ideeën van eindige dingen, door Spinoza toch als hetzelfde worden gezien als het denken van ideeën in God, hetgeen door hem in 5/40s wordt geïdentificeerd als het intellectus infinitus? Zou dat de reden zijn waarom hij geen voorbeeld gaf van de middellijke oneindige modus in het attribuut denken? Als dat zo was, had hij ons dat via Schuller wel mogen meedelen. Het lijkt er nu op in de manier waarop zij die materie behandelt, dat Tammy Nyden-Bullock impliciet van die gelijkheid uitgaat. Maar net als Spinoza, vertelt ook zij ons dat niet. Er blijft dus een sfeer van mysterie en raadselachtigheid hangen om de verhouding tussen of eventuele identiteit van de 'Idea Dei' en de 'Idea Universi'. 

 

Reacties

Benader het eens anders, Stan: wat zou het verschil KUNNEN zijn?
Ik moge je verder verwijzen naar p. 219 van mijn MANNAN ROND SPINOZA, waar je de eenvoudige en zeer begrijpelijke toelichting van Spinoza's vriend De Volder zult vinden.

Wim, jij mag zelf uitleggen hoe de tekst van De Volder die je daar citeert op de kwestie van dit blog slaat. Die gaat hier m.i. in het geheel niet over. Maar, zoals steeds, zal dat antwoord wel weer niet komen, want al lange tijd leg jij hier een eitje en kijkt er vervolgens niet meer naar om...

Stan, een interessante maar verdomd moeilijke kwestie die je aan de orde stelt. Ik kan het antwoord niet vinden op basis van Spinoza’s teksten, maar het einde van je citaat van Tammy Nyden-Bullock, lijkt me niet te kloppen met wat we eerder op dit blog uit Di Poppa afgeleid hebben: de causale ketting vanuit God stopt bij de oneindige middellijke mode. Dus: een idee volgt NIET causaal uit de oneindige middellijke modus (de verzameling van alle ideeën); het behoort daar wel toe maar volgt causaal uit de oneindige onmiddellijke modus (intellectus infinitus). Dat lijkt uit te sluiten dat de oneindige middellijke en onmiddellijke modus dezelfde zouden zijn. Vraag blijft hoe we 5/40s moeten begrijpen. Spinoza lijkt te zeggen dat de intellectus infinitus gevormd wordt door een oneindige verzameling van eindige “eeuwige modi”. Zoiets bestaat niet in de uitgebreidheid, maar is dit niet logisch, gezien daar geen EEUWIGE eindige modi bestaan? (Een eeuwige eindige modus onder het Denken attribuut volgt uit het feit dat Spinoza in deel V het verschil maakt tussen het idee van het wezen van iets (eeuwig idee) en een idee van bestaan van iets, wat onder het attribuut uitgebreidheid niet kan (?) ) We komen dan tot volgend beeld van de verticale ketting onder het attribuut Denken bekeken: God –> intellectus infinitus bestaande uit een oneindig aantal eindige eeuwige ideeën -> idee van de facies totius universi of een oneindig aantal tijdelijke ideeën. Of ben ik nu te hard aan het speculeren?

Klinkt het overwegen waard, Mark, ik doe mijn best.
Maar wat kun je je bij "eindige eeuwige ideeën" voorstellen? Ik neem aan "eeuwige ideeën" van "eindige-particuliere-singuliere" dingen? die, of ze nu wel of niet bestaan (ofwel duur hebben) volgens 2/8 en 2/8c in de intellectus infinitus vervat zijn. En die dan voor zover ze bestaan (ofwel duur hebben) als dingen deelhebben aan de facies totius universi en de bijbehorende ideeën aan de idea totius universi. Zo behoud je inderdaad een onderscheid tussen onmiddellijke en de middellijke oneindige modi - een verschil waar ik bij Tammy Nyden-Bullock dus niets over vond.

Bij het wat verder broeden op mijn “speculatie” hierboven, kwam ik op stelling E1/21, die op het eerste gezicht mijn these onderuithaalde: “Al wat uit de aard-op-zichzelf van een of ander attribuut van God voortvloeit, moet altijd en oneindig hebben bestaan, met andere woorden: krachtens dit attribuut zelf is het eeuwig en oneindig.”
Dit betekent dat de onmiddellijke modus niet alleen eeuwig moet zijn, maar ook oneindig. Hoe zou de onmiddellijke modus intellectus infinitus dan kunnen bestaan uit eindige eeuwige ideeën (die elk de essentie van de menselijke geest vormen)? Maar bij Di Poppa vond ik het antwoord: “modes are not individual entities, separable in any real way” (pag. 297). Dus de eindige eeuwige ideeën zijn niet te zien als eindige “dingen” (al gebruikt Spinoza vaak dit woord) maar als niet-afscheidbare activiteiten binnen de oneindige modus. In die zin spreekt E1/21 mijn idee niet tegen: uit het attribuut Denken volgt onmiddellijk de oneindige en eeuwige intellectus infinitus, waarbinnen de eeuwige ideeën actief zijn die de essentie van de menselijke geest vormen.
Met deze inspiratie van Di Poppa lees ik nu ook E5/40s anders: “…zodanig dat al deze openbaringen samen Gods eeuwig en oneindig verstand uitmaken”. Tot nu toe las ik hier (met tegenzin) dat het Intellectus Infinitus gevormd werd door alle menselijke geesten (voor zover deze begrijpen). Maar dat is natuurlijk onzin. De correcte interpretatie is: de causale pijl gaat van Gods eeuwig en oneindig verstand naar de menselijke geest, en voor zover deze “begrijpt” (i.e. adequate ideeën vormt) is deze een activiteit binnen Gods eeuwig en oneindig verstand.
Hiermee lijken al wat bezwaren tegen mijn interpretatie van de Intellectus Infinitus opgeruimd, maar ik geef grif toe dat ik graag ook nog meer positieve argumenten zou willen vinden.

Ik moet zeggen dat ik over de oneindige modi in het attribuut van het denken de weg een beetje kwijt ben. Ik kan verschillende zaken niet met elkaar rijmen.
1) Zoals op grond van monisme en parallellisme de tegenhanger van de facies totius universi de idee van de hele natuur zou zijn (Nyden-Bullock), zo zou het oneindige verstand/de oneindige idee van God de tegenhanger van 'rust en beweging' zijn, ofwel 'de idee van rust en beweging'.
2) Ideeën van (nog) niet bestaande dingen 'zijn begrepen' in de oneindige idee van God (het oneindige verstand) zonder individueel bestaan (zie Stan over 2/8 en 2/8c). Als de dingen tot bestaan in de tijd komen, dan ook hun ideeën. Behoren ze dan als individueel bestaande ideeën tot het oneindige verstand? Spinoza lijkt dit te zeggen als hij in 2/11c op grond van het feit dat de menselijke geest de idee is van een feitelijk bestaand individueel ding (verder onbepaald) concludeert dat de menselijke geest een deel is van het oneindige verstand. Dan zouden alle 'zielen' van de dingen, de ideeën die verenigd zijn met lichamen, tot het oneindige verstand behoren. Maar ook Stan lijkt gelijk te hebben als hij zegt dat deze ideeën deel uitmaken van 'de idee van de hele natuur’.
3) En dan hebben we het alleen nog maar over de ‘zielen’ van de dingen, de ideeën die verenigd zijn met hun lichamen. Er is nog een andere categorie, de ideeën die we vormen over de dingen (de idee die Paul vormt van het lichaam van Piet) waar we spreken over adequate en niet adequate ideeën. In deel V lijkt Spinoza te zeggen dat alleen de adequate ideeën tot het oneindige verstand behoren.
4) Hoe is dit allemaal met elkaar te verenigen? (dan laat ik de punten van Mark nog maar rusten)

Henk, dank voor je reactie, die heeft me dankzij je verwijzing naar 2/11c nog onderbouwing voor mijn interpretatie gegeven. Als je 2/11c helemaal doorleest, zal je vaststellen dat Spinoza hier niet zegt dat de menselijke geest in zijn geheel een deel is van het Intellectus Infinitus, maar alleen voor zover "de menselijke geest dit of dat begrijpt", dwz alleen voor zover de menselijke geest adequate ideeën heeft. Het gaat hier dus in 2/11c om wat in deel 5 het eeuwig deel van de menselijke geest genoemd wordt.
Dus: alleen het eeuwig deel van de geest (of, wat hetzelfde is, het wezen van de geest) "behoort" tot het Intellectus Infinitus. De "rest" van de geest "behoort", voor zover deze bestaat als eindige en tijdelijke modus tot de oneindige middellijke moduus, of de idea totius universi. 2/11c en 5/40 zijn volledig coherent! Zoals je me vroeger zei: denk niet te snel dat bij Spinoza zaken niet goed in mekaar steken.