H.P. Bremmer (1871 – 1956) Kunstpaus – maar ook Spinozist? [1]

H.P. Bremmer, Hendricus PetrusAl langer geleden wilde ik een blog maken vanaf toen ik voor het eerst vernam van de invloed die de kunstpedagoog H.P. [Hendricus Petrus] Bremmer had op de kunstontwikkeling in de eerste helft van de 20e eeuw en daarbij vernam dat hij aan zijn kunstleerlingen aanbeval de Ethica te lezen. Hij zou zich in zijn esthetica hebben laten inspireren door Spinoza. Dat wekte mijn interesse vooral daar Spinoza zelf de kunst niet erg behulpzaam is: hij bood immers geen esthetica. Wie net als de Tachtigers en later de kunstenaars van De Stijl zich door Spinoza wilden laten inspireren, moesten de vertaling van Spinoza’s metafysica, ethica en politica naar hun kunst zelf maken.

Ik ben blij dat blog niet al een jaar geleden gemaakt te hebben, maar eerst mij meer in hem te verdiepen, o.a. door kennis te nemen van het boek van Hildelies Balk, De Kunstpaus H.P. Bremmer (1871-1956) [Thoth, Bussum, 2006] en de artikelen van H.J. Vink, waarover in een volgend blog. En nu zal de insteek van mijn blog worden dat ik niet zo geïmponeerd ben door het zgn. Spinozistische van Bremmer. Ik denk dat daarover een mythe is ontstaan, waaraan Brouwer zelf meewerkte, zoals zijn hele kunstimperium mythische proporties had aangenomen.

Bremmer werd een evangelist van de kunst, van de moderne kunst van vóór de volstrekt non-figuratieve kunststijlen. Hij was één van de ontdekkers en propagandisten van Vincent van Gogh. Hij werd na zijn opleiding aan de academie in de vroege jaren ‘90 schilder in pointillistische stijl, maar had wel in de gaten dat hij niet tot de grootsten zou behoren. Wat hij wel goed kon en graag deed was spreken over kunst – kunst uitleggen – helpen leren te kijken naar kunst. Dat deed hij graag en kennelijk overtuigend; kortom, zijn kwaliteiten lagen meer in de didactische hoek. De pionier van de sociologie, Rudolf Steinmetz, had hem op dat spoor gezet van het geven van kunstlessen aan gegoede dames. Bremmer had zich van een aantal kunstbeschouwingpincipes voorzien en wist die met veel overtuigingskracht over te brengen. Binnen de kortste keren had hij, verspreid over heel Nederland, tientallen cursusgroepen van voornamelijk dames uit de ‘hogere’ burgerij en de adel. Door mond tot mondreclame en ballotage bleven deze groepen uitdijen en tientallen jaren standhouden. Veertig jaar lang trok de kunstpedagoog bepakt en bezakt met plaatjes, tekeningen, kleine schilderijen, beeldjes en ceramiek door het land om in de huiskamers van de welgestelden met enthousiasme over kunst te vertellen (en te verkopen). Hij gaf ook teken en schilderles en begeleidde velen die zelf hun schreden wilden zetten op het pad der beeldende kunst. Maar vooral ook beïnvloedde hij hun kopen en verzamelen van kunst. Hij had zo’n overwicht dat zijn cursisten niet of nauwelijks van zijn adviezen afweken. En zo ontstonden er meerdere kunstverzamelingen met een herkenbaar Bremmer-stempel. Hij ondersteunde kunstenaars als Floris Verster, Bart van der Leck en Charley Toorop met voorschotten en door hun werk bij zijn cursisten onder de aandacht te brengen. Sommige cursisten lieten Bremmer voor zich bij kunstenaars zelf, de kunsthandel of op veilingen voor hen daadwerkelijk kunstwerken kopen. De grootste en bekendste onder deze verzamelaars is Helene Kröller-Müller, die hem zelfs lange tijd als haar kunstadviseur in dienst nam. In feite is de verzameling van het Kröller-Müller Museum een Bremmeriaanse voorbeeldverzameling. Hij drukte op die manier een bepalend stempel op het verzamelen van kunst in de eerste helft van de 20e eeuw.

De grote kring van ‘Bremmerianen’ vormde een soort sekte of gemeente met aan het hoofd een geadoreerde leider die niet twijfelde en altijd overtuigd was van zijn gelijk en die navolging afdwong. De ‘kunstdominé’ (165) had een overheersend charisma. “De Ethica van Spinoza en de Brieven van Van Gogh stonden vanzelfsprekend bij zijn hele kring in de kast, evenals zijn eigen boeken.” (305) Naast deze cursussen gaf Bremmer lezingen, publiceerde hij leerboeken en reproducties en gaf de tijdschriften uit die hij in zijn eentje volschreef (want hij duldde niemand naast zich): Moderne Kunstwerken (1903-1910) en Beeldende Kunst (1913-1938).

 

En zijn Spinozisme?

Zijn irritante dominantie bleek o.a. ook uit de manier waarop hij omging met de nerveuze schrijver Johan Labberton die zich tot hem om steun had gewend. Die wilde graag een filosofiestudie beginnen. Aan Helene Kröller bij wie hij daarna financiële steun hoopte te krijgen schreef hij: “Br. vindt, vooreerst, dat het volmaakt overbodig is na Spinoza nog verder aan wijsbegeerte te doen en heeft, ten tweede, niet het minste begrip of gevoel voor alles wat buiten diens – Spinoza’s – gezichtskring valt.” (165)

“Bremmer maakte waarschijnlijk omstreeks 1895 kennis met het werk van Spinoza in de kring van Floris Vester [1861-1927], met wie hij na zijn huwelijk in nauwer contact kwam. Daar ontmoette hij Albert Verwey, een goede vriend van Vester. Deze ried Vester en Bremmer aan om Spinoza’s Ethica te lezen, die in 1895 opnieuw vertaald was door Gorter. Bij de Tachtigers, en ook bij Bremmer, overheerste de mystieke, pantheïstische beleving van Spinoza’s filosofie. De kern van Spinoza’s leer, het zoeken van God – ook aangeduid als ‘het Al-Ene, ‘het Absolute’ of ‘Eeuwige’- in al het aardse, sloot naadloos aan bij de heersende behoefte aan een nieuwe, de bestaande godsdiensten overstijgende, spiritualiteit.
Het Spinozisme bood Bremmer een leidraad. […] [G]een filosoof wordt zo consequent door hem geciteerd als Spinoza. Een [onbekende]  cursist noteert in 1907 ‘van alle levensleer lijkt Spinoza aan Br. Het rationeelste, meest frissche, op realiteit gegronde echte inzicht te hebben.’ Begrippen als harmonie, gemoedsrust, verklaardheid* en blijheid, waar Bremmers beschouwingen zo van doortrokken zijn, komen uit het spinozistische gedachtegoed. […] Het lijkt Bremmer dan ook dat ‘in de hele kunst van de 17e eeuw geen schilder deze innerlijke verklaardheid* van Spinoza in zijn werk zoo representeert, als wij het in Vermeer vinden.”(p. 112-13).

En dan krijg je zulke ‘zeg-maar-wat’-zinnen als over Van Gogh bijvoorbeeld: “De zin van Spinoza dat realiteit en volmaaktheid elkaar dekkende begrippen zijn, vindt men bij Vincent in aesthetischen zin omgezet.” (133) Alsof dit bij Spinoza niet voor alle dingen en toestanden geldt en niet alleen slaat op schilderijen. Dit is wat mij betreft koketteren en imponeren met Spinoza, geen Spinozisme.

Eén van Bremmers centrale stelregels was: “Schoonheid is geen eigenschap van de dingen.” Dit lijkt een adagium à la datgene wat Spinoza over ‘het goede’ schreef: we streven niet naar iets, omdat het goed is, maar we noemen iets goed, omdat we er naar streven. Bremmer verwees bij zijn stelregel nooit naar Spinoza. In zijn invloedrijke boek Een inleiding tot het zien van beeldende kunst (1906) noemt hij slechts éénmaal de naam van Spinoza in een overigens twijfelachtig citaat, waarvan je je afvraagt of iemand die zich diepgaand met Spinoza heeft bezig gehouden dat zó gezegd zou hebben: “Zooals Spinoza dat al geleerd heeft: niet dweepen en niet haten, maar begrijpen. Zich rustig laten gaan op de stemming van zoo'n kunstenaar, en als men voelt die goed te vatten dan is 't pas tijd en gepast om met de eindconclusie van ons gemoed te komen en te zeggen of wij 't mooi of leelijk vinden. Maar dan zal men de betrekkelijke en persoonlijke waarde van deze woorden ook begrepen hebben en zullen zij geen domme vooroordeelen meer kunnen zijn, die ons vaak van het beste en schoonste afhouden.” (p.91)

Zijn kunstbeleving was als een geloofsbeleving, een zeer mystieke dan. Hij vond, en dat was een andere stelregel van hem dat “de voorstelling de grootste hinderpaal voor ’t zien van kunst vormt.” Veel mensen (‘leken’ in Bremmers ogen) zien iets als grote kunst als een werkelijkheid goed is nagebootst. Hij vond dat je in je kijken aan die voorstelling moest voorbij zien en contact moest zien te krijgen met de emotie die de kunstenaar heeft willen overbrengen, waarbij het hem of haar er ook uitdrukkelijk om ging óm die emotie over te dragen. Ook wilde hij via het kunstwerk voorbij het voorgestelde iets van de eeuwigheid zien. Hij beval z’n leerlingen aan in het werk de aanwezigheid van het eeuwige te ontwaren. (275) Dat lijkt iets weg te hebben van een Spinozistische geïnspireerdheid, maar zelf wijdde hij daar nooit een beschouwing aan. Verbanden naar Spinoza’s filosofie legde hij niet, hooguit noemde hij af en toe diens naam. De mystiek op welks spoor hij al zat, schrijft Hildelies Balk, "was een opmaat voor zijn latere liefde voor de ideeën van Spinoza." (p. 34) Iemand zei: “Zijn katholicisme had hij ingeruild voor ’t meer ‘salonfähige spinozisme’."

Maar zeer onspinozistisch is dan weer zijn macabere preoccupatie met doodsvoorstellingen: stillevens met doodshoofd die hij verzamelde en waar hij opdrachten voor verschafte en minstens één keer een tentoonstelling over organiseerde.

Wegens Bremmers opdracht is in een reeks bronzen beeldjes van Joseph Mendes da Costa diens Spinoza-beeldje in 1909 ontstaan (naast een Jan Steen, 1911, Franciscus van Assisi, 1911, en Vincent van Gogh, 1915). "Voor elke figuur verdiepte hij zich uitgebreid in de achtergrond en de persoonlijkheid van de afgebeelde. (297)

Behalve deze is er geen opdracht voor een Spinoza-schilderij of tekening bekend. Wat toch weer opmerkelijk is voor een groepering die zo op ’t spoor naar Spinoza zou zijn gezet en waarbij iedereen de Ethica zou hebben aangeschaft. Als die echt zou zijn bestudeerd zou er toch nóg wel iemand uit die ruime Bremmer-kring iets artistieks met Spinoza hebben willen doen, zou je aannemen?

_________________

* Zo’n woord als ‘verklaardheid’ kennen en gebruiken wij niet meer. Het is aardig om het in Google in te geven en dan te zien hoe het vooral in kunstbeschouwingen werd gebruikt.

Reacties

Volgens jou, Stan, bood Spinoza geen esthetica. Mij dunkt, dat dit een onjuiste constatering is. Hij was zelfs zeer expliciet over wat en waarom iets 'schoon' genoemd wordt. Het is een 'modus imaginandi'. "Als de bewegingen die de zenuwen ontvangen van de objecten die ons door de ogen worden voorgesteld, BIJDRAGEN TOT DE GEZONDHEID, worden zij schoon genoemd...". Zie de uitgebreide verantwoording in Ethica 1/app., dat je misschcien is ontgaan. Bremmers geliefde thema, dat 'schoonheid geen eigenschap der dingen is' is daarom hoger te waarderen dan jij schijnbaar doet. En zijn stelling dat het 'na Spinoza volstrekt overbodig is om nog iets aan wijsbegeerte te deon' (volgens Labberton) verdient ook een prijs, omdat de postspinozistische filosofie niets bijdraagt aan de fundamentele,onweerlegbare en nog steeds niet overtroffen wetenschap van Spinoza.

Ik reageer in omgekeerde volgorde. Precies komt uit wat ik verwachtte, want jij, Wim, ben net zo'n 'potentaat' als Bremmer. Jij vind ook niet alleen dat er na Spinoza niets meer deugt en dus geef jij Bremmer (en jezelf) een prijs, maar je vindt ook dat anderen niet anders mogen denken.
Uiteraard is mij de vaak gelezen Appendix bij deel I niet ontgaan. Uiteraard is mij bekend hoe Spinoza daar in zijn strijd tegen het doelgerichte denken het waardengerichte denken en spreken bekritiseert. Hoe hij de zaak omdraait heb ik in 't blog al vermeld. Daarmee heeft hij wel een nutsleer en een gezondheidsleer, maar nog geen esthetica. Daar verschillen we dan van mening. Over hoe Bremmer omgaat met z'n eigen stelregel dat 'schoonheid geen eigenschap der dingen is' was ik van plan in een volgend blog in te gaan.