Ibn Tufayl [5] en Spinoza

Dan ben ik in dit vijfde blog in een reeks toe aan de vraag of Spinoza kennis heeft gehad van de 12e eeuwse Spaanse moslimfilosoof en natuurwetenschapper Ibn Tufayl en diens allegorische filosofische novelle Hayy Bin Yaqzan over een jongetje dat geheel alleen opgroeit op een onbewoond eiland en op eigen kracht de hoogste filosofische waarheden ontdekt; en zo ja, wat hij ervan vond.

Opmerkelijk vind ik hoe sommige schrijvers ronduit durven beweren dat Spinoza erg enthousiast was over Ibn Tufayl. Ik noem slechts twee voorbeelden uit vele:

Zo schrijft Georg Bossung in Das maurische Spaniën over het boekje:“… es wurde von Spinoza, Leibniz und Lessing hoch geschätzt.” (p. 95)

VoorkantIk verwees al eerder naar de voetnoot in Sami S. Hawi: Islamic naturalism and mysticism: A philosophic study of Ibn Ṭufayl's Ḥayy Yaqṣân, volgens wie Spinoza erdoor gefascineerd was!

 

Zoiets mag je toch eigenlijk alleen maar beweren als er teksten van hemzelf of betrouwbare getuigenissen van anderen over hem zijn overgeleverd waaruit dit blijkt. Maar er is niets! Niets uitgesprokens waaruit zonneklaar Spinoza’s bekendheid met Tufayl blijkt – laat staan ook nog eens zijn enthousiasme.

In feite kan alleen op een indirecte manier, uit inhoudelijke overeenkomst van denkbeelden, worden afgeleid dat Spinoza kennis moet hebben gehad van het werk van Tufayl, terwijl daar overigens ook nog eens andere bronnen tussen kunnen hebben gezeten. Ik kom hier later zeker nog eens terug, als ik heb kennisgenomen van het genoemde boek van Sami S. Hawi dat ik te leen heb opgevraagd en dat, voor zover ik kan nagaan, het meeste werk heeft gemaakt van inhoudelijke vergelijking tussen beide filosofen.

Khwaja Abdul Hamid schreef in 1948 over Hayy Bin Yaqzan

"It is to be noted lastly that the allegory was very popular in the Middle Ages in both Christian and Muslim lands. There were translations in Latin and Hebrew, and in early modern times also in English and Dutch. It won high praise from Leibnitz and there can be no doubt that both he and Spinoza were very greatly influenced by it. Spinoza, whose knowledge of Hebrew philosophy was ipso facto also knowledge of Arabian philosophy, was, without doubt, conversant with the Hebrew translation of Ibn Tufail's great masterpiece. And any lingering doubt on this score is dispelled by the fact that one Dutch Translator of Haiy Ibn Yaqzan, viz., Bouwmeester (Amsterdam - 1672) was a friend of Spinoza's. Now it is chiefly to the work of Spinoza and Leibnitz that the continental school of Rationalism in particular and European Philosophy in general owes its first acquaintance with the concepts of the psychic which is not conscious, the innate and the a priori. And it was in the main these concepts which were ultimately responsible for the collapse of the Empiricism of Locke, Berkeley and Hume. Ibn Tufail's Haiy Ibn Yaqzan, therefore, is not merely a graphically summarized and allegorical statement of the results achieved till then by scientific research and philosophical speculation in the world of Islam; it also proved to be the herald of a new era in philosophy in the Europe of the future. In this respect Ibn Tufail's position in the history of the philosophy is unique". [hier]

Deze keer behandel ik, zoals ik al eerder aankondigde, het intrigerende artikel van Wim Klever Hoe men wijs wordt. Een gespannen doch vruchtbare relatie tussen Spinoza en Bouwmeester in het licht van een nieuw document1 . In grote lijnen komt het op het volgende neer: Johannes Bouwmeester had aan Spinoza de vraag voorgelegd die we in brief 37 door Spinoza als volgt omschreven vinden:

Bestaat er een of andere methode of kan er een methode bestaan zodanig, dat wij daarmee zonder te struikelen en zonder tegenzin vooruit kunnen komen in de kennis van de meest verheven dingen? Of is het zo dat onze zielen, evenals onze lichamen, aan toevallige invloeden onderworpen zijn en dat onze gedachten meer door de fortuin dan door menselijke kunstvaardigheid worden geregisseerd?” (Vertaling Klever)

In de eerste twee delen van de Ethica, die al onder de Amsterdamse vrienden rondgaan, had Spinoza aangegeven dat men dient te vertrekken bij de goddelijke natuur die ontologisch en cognitief aan alles vooraf gaat. Bouwmeester ging het uiteraard om de vraag: maar hoe kom je aan die verheven, die godsidee? Is daar een methode, een weg naartoe?

Volgens Klever maakte Spinoza zich er in zijn antwoord in brief 37 eigenlijk met een Jantje van Leiden vanaf doordat hij nogmaals ernaar verwees: “De ware methode […] bestaat uitsluitend in de kennis van het zuivere verstand en van zijn natuur en wetten.” Men moet zich richten “naar de norm van de gegeven ware idee.”

Van een eventuele opgang daarheen (naar de verheven adequate dus ware ideeën) vanuit de ficties en onware ideeën die in ons bewustzijn opkomen door de dagelijkse ontmoetingen met de uitwendige dingen, die aandoeningen (reacties) in ons lichaam opwekken, welke gepaard gaan met inadequate ideeën… van een ontwikkeling naar een hogere graad van wijsheid die Spinoza notabene al in de Tractatus de intellectus emendatione had geschetst, lijkt hier in de Ethica geen sprake meer. Daar poneert Spinoza in 2/47 dat “de menselijke ziel adequate kennis heeft van het eeuwige en oneindige wezen Gods.” Hoe die kennis daar komt? Ingeboren?

Maar dan, we zijn inmiddels vijf jaar verder, in 1671, vertaalt Bouwmeester Het Leeven van Hai Ebn Yokdan. Dat boekje van Ibn Tufayl ligt geheel in de lijn van Bouwmeester, zoals blijkt uit de ondertitel “Waar in getoond wordt, hoe iemand buiten eenige ommegang met Menschen, ofte onderwyzinge, kan komen tot de kennisse van zich zelven, en van God.” Dat blijkt ook nog eens uit en wordt versterkt door de inleiding van de vertaler - iets dat Klever niet bespreekt.

Wel aardig is misschien tussendoor te vermelden dat ook Fokke Akkerman een relatie legt tussen deze inleiding en de kwestie in brief 37. In een voetnoot in zijn hoofdstuk in Spinoza to the letter waarin hij argumenten geeft dat Bouwmeester, die hij een goede latinist noemt, waarschijnlijk het Latijn van de TTP heeft helpen nazien, schrijft hij over Bouwmeester: Son zèle pour la philosophie et pour traduction des textes philosophiques ressort nettement de la préface du traducteur au lecteur du roman Het leeven van Hai Ebn Yokdan (Ibn Tofayl 1672). Le problème qu'il y entame est très similaire à celui qu'il avait abordé auprès de Spinoza en Ep. 37. 2

En nu komt waar het Klever in zijn genoemde artikel om gaat. Ik sla daarbij over dat hij bij Stolte-Hallmann heeft ontdekt dat er nóg een tekst bij de vrienden in Amsterdam de ronde deed, waarin werd aangetoond dat men zonder logica, metafysica etc. tot kennis van de Schepper en van de mens komt, “sondern solche bloβ durch das eigene Nachdencken auch von einen gemeinen Mann könnte begriffen werden.” Hij komt tot de aanname dat dit een tekst van Van den Enden zou kunnen zijn.

Door de presentatie van zijn materiaal suggereert Klever dat Spinoza mede door kennisneming van het boekje van Ibn Tufayl en misschien de tekst van Van den Enden, geleidelijkaan heeft ingezien dat het nuttig is de voortkoming van de – ook verheven – ideeën uit de ervaringen te beschrijven (zelfs te bewijzen!). In het vijfde deel van de Ethica blijkt Spinoza namelijk van dezelfde mening als Bouwmeester en bewijst hij hoe we tot onze verheven ideeën komen, een weg “die eigenlijk ook zijn eigen diepste gedachte vertolkt”, stelt Klever op blz. 350.

De algemene begrippen, ofwel begrippen van de algemene eigenschappen der dingen, ofwel de eigenschappen die alle dingen gemeenschappelijk hebben, zijn begrippen die zich in ons vastleggen, nestelen, doordat die vaker in ons worden opgewekt. De aspecten die incidenteel of toevallig of ‘wonderbaarlijk’ zijn in de vele ervaringen met de uitwendige wereld worden niet voortdurend herbevestigd en verdwijnen daarom weer uit onze geest. In tegenstelling tot de suggestie die hij in de eerste twee delen wekte alsof hij, net als Descartes, van aangeboren apriori-ideeën uitging waaruit vervolgens via logisch-mathematische deductie alle rest werd uitgewerkt, zou Spinoza in deel V laten zien hoe kennis a posteriori uit de waarnemingen en ervaringen door de geest wordt geordend en naar steeds hogere graden van algemene begrippen wordt opgebouwd - tot en met de meest verheven begrippen.

En hoe zat het nou met Spinoza's connectie met Ibn Tufayl? Daarover zijn we nog niet meer te weten gekomen. Klever zégt het niet met zoveel woorden, maar door de presentatie van zijn materiaal wekt hij de indruk dat Spinoza via kennisneming van Tufayls verhaal overstag ging als het ware. Meer dan een suggestie hebben we nog niet te pakken. We zullen verder moeten speuren.

Dan nog iets. Klever benadrukt op vele plaatsen in zijn artikel het automatische, wetmatige karakter van het 'wijs worden'. Men hoeft er niets voor te doen – het gaat vanzelf. Iedereen wordt vanzelf wijs.

Daarop wil ik in een later stadium terugkomen. Het komt op mij over, alsof Spinoza daarmee een beetje voor gek wordt verklaard. Waarom je druk over dit alles maken ? Waarom beweren dat de weg naar ‘wijs worden’ moeilijk is als 't vanzelf gebeurt?

Ik eindig dit blog met een ingezonden brief in de NRC van Wim Klever, waarin hij dit nog eens in ’t kort samenvat. [Klikken op de afbeelding geeft de brief een leesbare grootte]. 

 

1 Hoe men wijs wordt. Een gespannen doch vruchtbare relatie tussen Spinoza en Bouwmeester in het licht van een nieuw document; in: De zeventiende eeuw, jg. 21 (2005) p.335-353.

2  Fokke Akkerman: Tractatus theologico-politicus: texte latin, traductions néerlandaises et Adnotationes. In: F. Akkerman & P. Steenbakker (eds): Spinoza to the letter; studies in words, texts and books. Leiden; Brille, 2005 p. 210 – 236 – voetnoot 53

Illustratie uit de vertaling van SIMON OCKLEY Revised by A. S. FULTON [bij Gutenberg]

Reacties

Hierbij maak ik toch graag een paar opmerkingen, ook al is het wat laat vanwege vacantie. Ten eerste heb ik behalve de toelichtende ondertitel van het leven van Hayy Ibn Yakzan wel degelijk ook de inleiding (ooit) gegeven. In mijn EEN NIEUWE SPINOZA IN VEERTIG FACEWETTEN (Amsterdam 1995), p. 106, heb ik die tekst in zijn geheel geciteerd.
Ten tweede: Akkermans verwijzing naar die inleiding is niet terzake, althanns niet voor wat hij er mee wil aantonen.
Ten derde heb ik geenszins beweerd dat Spinoza onder invloed van Ibn Tufay, of van Van den Enden is gekomen tot zijn empiristisch-deterministische kennistheorie, wel dat het waarschijnlijk is dat hij deze kennistheorie, waarover Bouwmeester reeds beschikte toen hij Spinoza met zijn vraag voor het blok zette, in dienst geest en onder zijn invloed verder heeft uitgewerkt en toegespitst in het vijrde deel van de Ethica. Daarin blijkt hij de kern van Bouwmeesters kritiek te hebben aanvaard en zelfs bewezen.
Ten vierde. Mijn typering van onze 'opgang' naar hogere kennis als zijnde 'automatisch' is misschien misleidend. Bedoeld is dat wij voor zover wij daarin zelf de hand hebben, dit een gevolg is van wat ons (onzes ondanks) van buitenaf overkomt, evenals dat voor de toevallen van ons lichaam en zijn ontwikkeling (of aftakeling) het geval is. Precies wat Bouwmeester bedoelde. Het is buitengewoon knap zoals Spinoza dit punt in deel 5 neurologisch bewijst.
Ten vijfde: het is bespottelijk dat ik Spinoza voor gek zou verklaren met mijn referentie naar wat hij zelf beweert. En waarom hij zich daarover druk maakt? Druk? Nou ja, hij is een wetenschapper, die precies wil achterhalen hoe het allemaal zit met onze lichamelijke en mentale ontwikkeling en veranderingen. Hij schrijft, net als Mandeville later, voor zijn eigen plezier en maakt zich geen illusies dat het de grote massa ooit zal interesseren. Hij schrijft ook niet voor iedereen. Hij schrijft geen morele handleiding, is geen aanhanger van de beweging voor wereldverbetering. Wel geeft hij een handleiding VOOR ONZE KENNIS van de weg naar het grootste geluk (zie inleiding Ethica 2), maar dat is wat anders dan een preek.
Tenslotte is het jammer dat mijn brief dd 19-2-06 onleesbaar wordt weergegeven.
Ondanks mijn kritiek wil ik Stan Verdult publiekelijk prijzen voor zijn vele interessante en uitermate informatieve blogs over Tufayl.

Wim, die brief van je is te vergroten door er even op te klikken. Dat vergat ik erbij te schrijven (die ik alsnog). Maar men kan je brief prima lezen.

Tot nog toe heb ik geen enkele aanwijzing gevonden, dat spinoza bekend is geweest met het boek van Ibn Tufayl. Het dichtsbij is wellich te komen door inhoudelijke vergelijking van teksten.
Daartoe heb ik het boek van Sami S. Hawi te leen opgevraagd, maar heb het nog niet ontvangen. Ik kom hier hoop ik dus later op terug.

Gisteren las ik het boekje van Tufayl: wat een leuk boekje en hoe een geschikte inleiding op Spinoza's werk! Stan en Wim, misschien hebben jullie hier nog wat aan bij jullie vragen of Spinoza het werk kende. Het werk circuleerde waarschijnlijk al eerste helft 17e eeuw in de kringen van Hartlib, Dury, Oldenburg, Ames, dus ook de kring van de Royal Society. De vader van de vertaler Pocock, de arabist was er al erg enthousiast over en had contact met Hartlib. Deze groep haalde in de jaren 40 pedagoog Comenius naar Engeland. Het boekje past uitstekend in diens pedagogiek. In Nederland (Keizersgracht Amsterdam) was contact met de invloedrijke Louis de Geer, beschermer van Comenius, en zijn internationale kring. (zie mijn webpagina rechts bij De Geer etc. Ik besteed vrij veel aandacht aan diverse kringen waar Spinoza contact mee had). Ook met Menasse ben Israel, ook uitgever. Het is vrij zeker dat Vd Enden deze kring (inmiddels zoon Laurens) bezocht (vlakbij). Van Spinoza is het zeker, gezien zijn latere contacten.

Onwaarschijnlijk is dat Menasse Tufayl, een soort geestelijke vader van Averoës, niet zou kennen. Waarschijnlijker is dat hij het boekje bij zijn lessen voor middelbare scholieren gebruikte. Voor hen is het namelijk heel geschikt. Het is overigens niet uitgesloten, dat het sprookje bij Spinoza thuis aan de kinderen werd voorgelezen of verteld. Misschien heeft Bouwmeester, die kennelijk een erg goede vriend was van Spinoza, zo losjes als die aan hem schrijft, wel eens gevraagd aan Spinoza, hoe hij aan zijn kennis was gekomen. De gemakkelijke wijze waarop Spinoza verwijst naar Bacon in brief 37, komt misschien eruit voort dat beiden precies weten wat is bedoeld. (Bacon was natuurlijk bekend in de kring van de Engelse wetenschappers )

De overeenkomst met de eerste hoofdstukken van de Ethica is verbluffend. Alleen is het veel makkelijker te begrijpen, want veel meer afkomstig uit concrete observaties. Een erg mooi boekje zeg. Leuk dat jullie er veel aandacht aan besteden!

Margreet,
Leuk dat je het zo'n leuk boekje vindt (vind ik ook). Leuk ook dat je weer zo enthousiast van stapel loopt met het opperen van allerlei veronderstelingen en mogelijkheden. Je verzint veel, maar zoek je ook naar snippers van evidentie? Heb je er rekening mee gehouden dat de Latijnse vertaling uit het Arabisch van Pococke verscheen als "Philosophicus Autodidacticus" in 1671. Comenius was het jaar tevoren al overleden. Ja, er wás in de 15e eeuw al door Pico della Mirandola een omzetting in Latijn gemaakt vanuit een Hebreeuwse vertaling en commentaar die Moses van Narbonne in 1349 had gemaakt ("Ketab Ḥai ben Yaḳẓan"), maar blijkt uit iets dat die in handschrift in de Londense kringen die jij noemt bekend was? Of dat Menasseh ben Israel over een handschrift van die 14e eeuwse Hebreeuwse tekst beschikte? Om aannemelijk te maken dát de kinderen Spinoza er thuis uit voorgelezen kregen? Een leuk sprookje, dat is het wat je ons hier vertelt.

Stan, het is een Moors sprookje. Misschien alleen verteld. Zoals je weet is Spinoza's moedertaal Spaans. Ik neem aan dat het in geschreven of mondeling in Spanje werd overgedragen. Inderdaad weet ik niet of het in het spaans is vertaald of in het hebreeuws; het was een periode dat dingen vaak mondeling werden overgedragen: de boekdrukkunst was nog niet uitgevonden. Verder weet ik ook niet goed wat Spinoza precies leerde op zijn school. Dat zou ik wel graag beter willen weten. Ik neem aan wat van wiskunde. Men zegt ook dat hij hier ook over de grote sefardisch-Joodse denkers leerde van o.a. Menasse. De sefardisch-Joodse cultuur (afkomstig uit handelslieden, die veel overzeese gebieden kenden) had al veel eerder dan hier een universaliteit in het denken. Bekend is dat ook het denken uit arabische gebieden hierin is opgenomen. Ook wordt verondersteld dat Spinoza na Menasses dood diens rol (kennis van het hebreeuws en die cultuur) enigszins heeft overgenomen.

Ik vond wel een document waarin de connectie tussen vader Pocock en Hartlib stond. Ook is bekend dat Comenius door deze groep naar Engeland is gehaald. Comenius was een zeer breed gewaardeerde en bekende pedagoog (in Amsterdam kreeg hij nog een prijs). Als je zijn boeken leest (bij voorbeeld 'het moederboek') dan staat erin dat je met de kinderen al op zeer jonge leeftijd worden gestimuleerd naar de sterren te kijken en naar de natuur. Het legt de basis voor denken op basis van empririe.

Stan, ik vind het mooi dat je zo veel mogelijk bewijzen wilt hebben. Zelf baseer ik me ook het liefst daarop. Maar wanneer dat niet kan, dan probeer je toch dichtbij de waarheid te komen, tot zo goed mogelijke waarschijnlijkheden te komen. Er zou hier in Amsterdam heel wat meer historisch onderzoek naar Spinoza etc. gedaan mogen worden! Dat die kring rond de de Geers heeft bestaan, dat kunnen we nog steeds zien in de Bibliotheca Philosophica Hermetica. Misschien weet men daar meer van Tufayl?

Overigens denk ik dat van den Enden er ook kwam (bij de Geer) omdat zij zeer internationaal gericht waren; ook op de hoogte waren kwestie van oorlog en vrede. Iets wat van den Enden ook bezig hield, dat kunnen we uit zijn einde gerust afleiden. Zijn vrouw kwam uit Polen, dezelfde streek waar Comenius uit voortkomt en waar de 30-jarige oorlog had gewoed.

Stan: Laat ik eindigen met een prikkelende opmerking/vraag/oproep: denk jij niet nog steeds cartesiaans (dat je alleen afgaat op zekerheden) en niet-Spinozistisch (liever waarschijnlijkheden dan steeds roepen: dat weten wij niet hoor)? Helaas zal je niet alles weten van deze mensen die alles moesten verbergen, maar je kan er heel wat meer over weten en van BEGRIJPEN. Laten we dat stimuleren!

Stan, overigens vond ik nog de links naar vader Pococke A Translation of Hayy B. Yaqẓān by the Elder Edward Pococke (1604-1691)
Michael Nahas
Journal of Arabic Literature
Vol. 16, (1985), pp. 88-90
Published by: BRILL
Article Stable URL: http://www.jstor.org/stable/4183116
en
http://books.google.nl/books?id=dRoGHSFa1swC&pg=PA98&lpg=PA98&dq=Hartlib+Pocock+Ibn+Tufayl&source=bl&ots=CkMDsAYyFp&sig=U9hH73tYaeiWhRwXyzcsl646TVI&hl=nl&sa=X&ei=cfK7T7TZLdCp0AWYvdCgCA&ved=0CEoQ6AEwAQ#v=onepage&q=Hartlib%20Pocock%20Ibn%20Tufayl&f=false
uit
Islam in Britain, 1558-1685
Door Nabil I. Matar
Pococke de oude vertaalde het boek in het Engels en Latijn. Hierover sprak hij al vanaf de jaren '40. In 1661 is dit zeker gereed. Zijn zoon heeft een uitgebreidere tekst vertaald in het Latijn. Er was belangstelling voor bij de quakers, Rozekruizers, Hartlib, Durie, Comenius, etc. Deze mensen kwamen in Amsterdam in het huis van met de Hoofden aan de Keizersgracht op bezoek bij De Geer en correspondeerden met hem. Spinoza heeft (later) in de periode van Laurens de Geer met verschillende mensen die hier kwamen contact gehad (zie mijn website voor de welingelichte kringen in Amsterdam waarmee Spinoza contact had en zij ook onderling) en gecorrespondeerd, Oldenburg, Boyle. Menasse kwam daar ook.

Deze mensen waren ook geïnteresseerd in het 'Book of Nature'. Toevallig kwam ik info tegen over Constantijn Huygens (Spinoza's buurman) in Voorburg (E. Jorink: 'Geef zicht aan de blinden', Constantijn Huygens, René Descartes en het Boek der Natuur). Daaruit valt af te leiden hoezeer men ook daar bezig was met het 'Boek der Natuur' in die tijd.

Misschien heb je hier wat aan of een andere geïnteresseerde.