Infinita absolute attributa

De bezoeker van dit weblog heeft er geen idee van, hoeveel gevolgen dit weblog nog geeft, door e-mails die mij bereiken, o.a. via het e-mailadres dat het weblog geeft. Zo ontvang ik tips of commentaar op blogs of reacties. Maar ik ontvang ook verzoeken, bijvoorbeeld recent nog waar ik een bepaalde afbeelding vandaan had. Of ik krijg verzoeken om een toelichting. Ik geef altijd antwoord naar vermogen. Nu overweeg ik om, wanneer dat te pas komt, mijn antwoord via een blog te geven. Niet alleen omdat wellicht ook iemand anders iets aan mijn antwoord heeft, maar vooral ook om mij te laten controleren. Wie weet geeft mijn antwoord aanleiding voor iemand om mij aan te vullen of te corrigeren. De naam van de vraagsteller breng ik terug tot initialen.

Vandaag ontving ik deze vraag

Geachte heer Verdult,

In de gespreksgroep waar ik deel van uit maak kwam onlangs de volgende vraag naar voren:

Stelling 11 van de ethica luidt dat God een substantie is die uit oneindige attributen (infinitis attributis) bestaat. In stelling 9 wordt beweerd dat hoe meer werkelijkheid een ding heeft, hoe meer attributen er aan toe komen.

De vraag waar wij niet uit kwamen was:

Bedoelt Spinoza dat de attributen van zichzelf oneindig zijn, dat een substantie een oneindig aantal attributen heeft of beide? Kunt u ons hiermee verder helpen?

Vriendelijke groet,

E. H.

                                       

Beste E.H. en gespreksgroep,

Spinoza bedoelt beide typen van oneindigheid. Dus, de substantie bestaat uit een oneindig aantal ofwel een oneindige hoeveelheid attributen. En die attributen zijn in zichzelf ook weer van een oneindige aard.

Spinoza geeft in de Ethica dit dubbelkarakter van de oneindigheid (het verschil in oneindigheid van de substantie en van de attributen) aan door te spreken bij de substantie over de “absoluut oneindige substantie” (zie in stelling 13, en in het scholium bij stelling 10 en elders) en bij attributen over “oneindig in hun soort”.

Daar attributen ieder “het welbepaalde eeuwige en oneindige wezen van de substantie tot uitdrukking brengen” (zie definitie 4 en het scholium bij stelling 10) zijn ze op zichzelf ook oneindig - maar elk in zijn soort; het ene attribuut kan niet het andere attribuut omvatten.

Kijk bijvoorbeeld ook eens naar wat Spinoza schrijft in het bewijs van stelling 16: “Welnu, omdat de goddelijke natuur volstrekt oneindige attributen heeft [infinita absolute attributa] (volgens def. 6) waarvan ook ieder binnen zijn categorie het oneindig wezen uitdrukt, moeten uit God noodzakelijk oneindig veel dingen op oneindig veel wijzen (dat wil zeggen alles wat een oneindig verstand kan bevatten) noodzakelijk volgen.”

Hier een poging tot een wat informelere toelichting

Het gaat Spinoza er om te benadrukken dat er één werkelijkheid is, waartoe alles behoort; dat daarin onnoemelijk veel dingen en verschijnselen voorkomen, en dat alle kenmerken, eigenschappen of bepalingen of wat we ook maar aan onderscheidingen kunnen maken, tot die ene zelfde werkelijkheid behoren. Er is niet nog iets buiten deze werkelijkheid en binnen deze werkelijkheid hangt alles met alles samen; we zijn afhankelijk van de andere dingen en van het geheel.
In het tweede deel van de Ethica zal Spinoza laten zien dat wij slechts twee attributen kennen (uitgebreidheid en denken), omdat wij die aan ons eigen bestaan ervaren. Hoe kan Spinoza dan weten dat er een oneindig aantal attributen bestaat? Ik proef daarin een manier om uit te drukken dat de werkelijkheid rijker kan en zal zijn dan wij ervaren; en tevens om alvast te claimen dat, mocht iemand ooit nog op het bestaan van een derde attribuut kunnen wijzen, daarmee niet een andere werkelijkheid wordt ontdekt, maar dat ook die tot die ene werkelijkheid of substantie behoort.