Inutilis scientia Spinozana [119] Spinoza’s intenties in "een waarlijk rabelaisiaanse opsomming" vervat

Op haar voortreffelijke website over Rabelais heeft de maakster, Monique Bullinga, een rubriek “Bric-à-brac” die mij erg doet denken aan mijn rubriek hier Inutilis scientia Spinozana. Zij omschrijft die verzamelrubriek als: “Rabelais op een servies, korte nieuwsberichten, cadeaus, minder ter zake doende feiten, luchtige overpeinzingen, en uitwisseling van gegevens: in deze uitdragerij wordt alles in de etalage gezet wat de andere pagina’s weigerden.” Ik houd wel van dit speelse, creatieve taalgebruik.

Een plaatje dat Google.images aanbood bracht mij naar die rubriek en zo ontdekte ik die site.  In "Bric-à-brac” tref ik een citaat aan uit Spinoza’s achtbaan waarin Erik Bindervoet als, zoals zij omschrijft, ‘woordkunstenaar’, namens Spinoza eens even exorbitant uit de band springt met, zoals zij het noemt:  “een waarlijk rabelaisiaanse opsomming.” Ik neem hem hieronder graag over, waarbij ik de elementen in de opsomming onder elkaar zet. Het is een mooie gelegenheid om nog eens op dat boek te wijzen, waarover ik op de dag van uitkomen een blog had.  

‘Maar om daar nu over te gaan jammeren en klagen, over de hufterige randdebiel die wil doorgaan voor mijn medemens, wat ik eigenlijk van plan was — dat is niet goed, zegt Spinoza.
Hij wil wat mensen doen,
wat ze elkaar aandoen,
hun aandoeningen,
hun gebreken en hun idioterieën,
hun kinderachtige stompzinnigheid en
hun ingewortelde achterlijkheid,
hun aangeboren wreedheid en
hun afstotelijke ijdeltuiterij,
hun asociale lompheid en
hun meelijwekkende sentimentaliteit,
hun zelfopgelegde zwaarmoedigheid en
hun ziekelijke zwaarlijvigheid,
hun kruiperige nederigheid en
hun grenzeloze zelfoverschatting,
hun deprimerende humorloosheid en
hun bloedeloze ernst,
hun goddeloze gezanik en
hun oeverloze gezever,
hun vermoeiende kuddegedrag en
hun hemeltergende egoïsme,
hun pathologische kleptomanie en
hun onstuitbare gegraai,
hun onoplettende achteloosheid en
hun dwangmatige vernielzucht,
hun gepronk met luxe en
hun krenterige zuinigheid,
hun zelfvoldane platvloersheid en
hun elitaire arrogantie,
hun scholastische scherpslijperijen en
hun hysterische haarkloverijen,
hun gekmakende jaloezie en
hun onnozele onverschilligheid,
hun hypocriete gluiperigheid en
hun achterbakse gedraai,
hun krankzinnige redeloosheid en
hun zielige radeloosheid,
hun koppige onredelijkheid en
hun kinderlijke danwel aangeleerde hulpeloosheid,
hun tomeloze agressie en
hun voortwoekerende hatelijkheid,
hun misdadige moordlust en
hun misselijkmakende vraatzucht,
hun onverzadigbare dorst en
hun oversekste geilheid, kortom, heel
hun lachwekkend treurig stemmende onmenselijke menselijkheid,
liever begrijpen dan verfoeien en belachelijk maken.
Of belachelijker maken dan het al is.
Dat is hem veel te makkelijk.’

Een waarlijk rabelaisiaanse opsomming, bij elkaar verzonnen door de woordkunstenaar / vertaler Erik Bindervoet, in zijn samen met Saskia Pfaeltzer gemaakte Spinoza’s achtbaan (2015), pp. 124-125. Een aanrader trouwens, deze ‘Spinoza voor dummies’.

© Monique Bullinga | m [at] rabelais [punt] nl