Is de imaginatio (verbeelding) een virtus (deugd)?

Hierbij kom ik, zoals ik al enige malen aankondigde, nog eens terug op het blog van 19 januari 2016: “De verbeelding zien als kracht, ja zelfs als deugd bij Spinoza.” Ik heb m’n best gedaan om na te gaan of en zo ja waar, Spinoza het over een virtus imaginandi heeft. En als hij die term niet letterlijk gebruikt, of de notie hem dan terecht kan worden toegeschreven.

Via de blogs over Spinoza’s droom, die uitliepen op het laatste blog over Spinoza over de droom, kwam ik al dichter in de buurt van zijn ‘imaginatio’. Intussen bleef ik zoeken, in de Ethica zelf en op internet (naar secundaire Spinozaliteratuur) en kom tot de slotsom dat het onzin is om Spinoza de virtus imaginandi in de mond te leggen, maar geef ik nogmaals toe dat het vermogen tot waarnemen en verbeelden (tezamen leidend tot de eerste kensoort van de imaginatio), hoewel Spinoza kritisch op een teveel ervan is, uiteindelijk een positieve rol speelt.

Paola Grassi heeft het in “Adam and the Serpent. Everyman and the Imagination," [in: Moira Gatens (Ed.), Feminist Interpretations of Benedict Spinoza. Penn State Press, 2009, p. 145-153] nogal schaamteloos over “The Spinozistic notion of virtus imaginandi (the virtue of imagining).” Ik noem dat schaamteloos daar ze geen verwijsplaats geeft en Spinoza een erg positieve waardering voor die virtus imaginandi geeft. Hier de hele alinea uit haar tekst:

The Spinozistic notion of virtue imaginandi (the virtue of imagining) both signals and involves a clear and significant rethinking of the role of the imagination as a cognitive tool with positive and productive connota-tions, and Spinoza proceeds by a two-pronged attack. On the one hand, the faculty of the soul as an organ of the human body—in the Cartesian lexicon the vis irnaginativa (the drive to imagine)—becomes for Spinoza a vis imaginandi (the drive to use the imagination), a dynamic power of the mind. On the other hand, in the framework of an anthropology that sees emotional expressions as properties of human nature, the "function of the imagination" is seen as a virtue. [p. 146]

Voor wie maar enigszins vertrouwd is met de Ethica weet dat, m.n. in het vierde deel, Spinoza de term ‘virtus’ gebruikt voor kracht of sterkte in positieve zin (terecht als deugd vertaald). Zo lezen we in 4/20d “naarmate iemand dus meer naar zelfbehoud streeft en daar beter toe in staat is, is hij deugdzamer (magis virtute). En nog eens: Virtus (deugd) is: streven naar zelfbehoud [4/22] Daarvoor is voor Spinoza overigens alleen het proberen volgens de rede te leven en dingen te begrijpen het meest geschikt.

Uiteraard is de geschiktheid om goed waar te nemen (door Spinoza onder de imaginatio gebracht), de dingen die daadwerkelijk aanwezig zijn zien en kunnen thuisbrengen, waarvoor het geheugen een belangrijke functie vervult en het vormen van mentale constructies (‘beelden’), zeer belangrijk om ons dagelijkse leven te kunnen leiden. “Op deze manier weet ik bijna alle dingen die nuttig zijn in het leven”, zegt hij in de Tractatus de Intellectus Emendatione [TIE 22]. De TIE is de enige plaats waar Spinoza dit zegt. In de Ethica gaat het allemaal snel in de richting van: tot rationele kennis zien te komen en de hoogste deugd zien te bereiken: “Est igitur Mentis absolute virtus intelligere” [dé deugd bij uitstek is dus begrijpen], [4/28d]. [Tussen haakjes: Henri Krop vertaalt daar veel te zwak met: “Het kennen is dus zonder meer een deugd van de geest” – daar kom ik later nog eens op terug]. Maar ook voor de TIE geldt dat we de imaginatio zo spoedig mogelijk dienen te doorzien: dat helpt ons het beste, ook in het dagelijkse leven. Geen wonder dat De Dijn in zijn boek over de TIE aan een paragraaf de titel kan meegeven (en zie hier de aansluiting op het vorige blog): Getting out of the dream [cf. books.google]

 

Wenden we ons nu tot de Ethica.

Eén keer slechts vinden we de term virtus cogitandi, n.l. in 2/1s waar we lezen over de “necessario virtute cogitandi infinitum”: het noodzakelijk oneindig denkvermogen [van het oneindige zijnde]. Voor de  rest gaat het telkens over de cogitandi potentia [2/21s, 3/11, 3/12d, 3/15d, 359d en 3/Affectum Generale Definitio].

Slechts op één plaats gaat het over de verbeeldingskracht van de geest, potentia imaginandi [2/17 slotalinea], maar dan in kritische zin, opgevat in de contrafactische situatie dat de geest een vrij vermogen om te verbeelden zou zijn  – Mentis imaginandi facultas libera esse.

In 2/40s spreekt Spinoza over de vis imaginandi, maar ook daar in de betekenis dat de kracht om zich dingen voor te stellen beperkt is, zodat we algemene begrippen moeten vormen.

En aan het slot van 3/11s heeft hij het eénmaal over de potentia imaginandi, n.l. om aan te geven dat het vermogen van de geest om waar te nemen en zich dingen te verbeelden ophoudt, zodra de geest ophoudt het huidige bestaan van het lichaam te bevestigen.

De sterkste benadrukking van de imaginatio vinden we in 3/12: “Mens, quantum potest, ea imaginari conatur, quae corporis agendi potentiam augent vel juvant”: De geest streeft ernaar zich zo veel mogelijk dingen vor te stellen, die het handelingsvermogen [potentia agendi] van het lichaam vergroten of ondersteunen.” {Vert. Krop] In de daarop volgende artikelen gaat hij na wat de effecten van die verbeeldingen zijn: groei van handelingsvermogen (geeft blijdschap), vermindering ervan (geeft droefheid). Telkens heeft hij het over de potentia agendi en over de werking (effecten) van de verbeelding daarop, nergens over de potentia imaginandi, laat staan de virtus imaginandi.

In het vierde en vijfde deel komt de imaginatio nog vele malen voor, maar over de potentia, laat staan de virtus ervan hoor je Spinoza nergens. Daar geeft Spinoza in 4/Def8 aan: Per virtutem et potentiam idem intelligo, hoc est (per 3/7), virtus, quatenus ad hominem refertur, est ipsa hominis existentia seu natura quatenus potestatem habet, quaedam efficiendi, quae solas per ipsius naturae leges possum intelligi. In Van Suchtelen’s vertaling: “Onder "deugd" [kracht] en "vermogen" [macht] versta ik hetzelfde. D.w.z. (vlg. St. VIII D. III) Deugd [kracht] is, voorzoover zij betrekking heeft op den mensch, 's menschen wezen of aard zelf, voorzoover dit het vermogen [de macht] bezit dingen tot stand te brengen, welke uit de wetten van dien aard alleen reeds verklaarbaar zijn.”

En meer en meer geeft Spinoza de effecten van de imaginatio die we maar het beste kunnen zien te overwinnen; aangezien we opvattingen over goed en kwaad bijvoorbeeld ons meer verbeelden dan dat ze gestoeld zijn op de werkelijkheid [o.a. 4/62s].

Maar als ik – tot mijn verrassing, want het is nu de eerste keer dat ik hier zo uitdrukkelijk op let – naga hoeveel Spinoza nog naar de imaginatio verwijst tot in het vijfde deel, met name b.v. hoe hij  in positieve zin gebruik ervan maakt bij het voorstel tot inoefenen van de leefregels en het ons richten op een ‘humanae vitae exemplar’ (die wij ons voorstellen; 4/Praefatio) en van  bijvoorbeeld wanneer wij ons voorstellen (imaginamus in de zin van waarnemen) dat ook andere mensen “door dezelfde liefdesband met God verbonden zijn” [5/20] dan moet ik toch concluderen (sterker dan ik eerder in de gaten had) hoe tot ver in de Ethica ook de verbeelding een positieve, nuttige rol speelt.

In letterlijke zin heeft Spinoza het nooit en nergens over de virtus imaginandi, maar in hoe hij aantoont dat we nooit zonder de imaginatio kunnen, hoe we die in ons leven nodig hebben, ook als we naar een verstandig leven volgens de rede streven, toont hij duidelijk aan dat we altijd van ons waarnemings- en verbeeldingsvermogen gebruik moeten maken - we kunnen niet zonder.

Kortom, ik moet me minder gelegen laten liggen aan analyses als b.v. die van Louis Althuser, die van mening was dat de imaginatio goed beschouwd eigenlijk geen kennis is, maar slechts een manier om ons in onze Lebenswelt te oriënteren. Dat kan maar beter minder peioratief opgevat worden. [Louis Althusser in “The Only Materialist Tradition. Part i: Spinoza” in: Warren Montag &, Ted Stolze (Ed.), The New Spinoza. U of Minnesota Press, 1997 – books.google]

Een anekdote tot slot (althans zo beschouw ik het)

Ilaria Gaspari heeft een artikel over Spinoza’s metafoor over het wormpje in het bloed die hij in zijn brief aan Oldenburg [Brief 32] beschreef. Uit het feit dat Spinoza het daarin niet over de verbeeldingskracht van het wormpje had, ontleent zij (per absurdum) dat Spinoza op de zwakheid van het wormpje zou hebben willen wijzen en zo indirect had willen wijzen op de kracht van mensen die maar mooi wel over verbeeldingskracht beschikken. Ja de secundaire literatuur leert ons veel.

Ilaria GASPARI, THE CURIOUS CASE OF THE VERMICULUS. SOME REMARKS ON SPINOZA’S LETTER 32 AND SPINOZA’S VIEWS ON IMAGINATION AND REASON
Abstract. Moving from an example created by Spinoza in letter 32 to Oldenburg (that of a little worm living in the blood in full unawareness of the constrictive tightness of its environment), the paper aims at formulating some more general remarks about Spinoza’s views on imagination and reason. Evidence against the interpretation of the little worm as a metaphorical counterpart of man is drawn from Spinoza’s silence about the vermiculus’s productive imaginative skills. In deficiency of imagination, the little worm’s "reason” (ratio) is by no means similar to human reason    if not for mere homonymy. Thus, rather than a metaphor for human knowledge, the case of the little worm proves to be a representation per absurdum of the consequences arising from a lack of imaginative power. [Cf.
academia.edu]

 

 

Reacties

“In deficiency of imagination, the little worm’s "reason” (ratio) is by no means similar to human reason.”

Kan je deze zin zo opvatten dat het wormpje in zijn handelen imaginatio en ratio verbindt naar eenheid en zo instinctief in actie komt telkens dit nodig is. Instinct is dan intuïtief automatisch in dierlijke ratio handelen. Zoals vogels op een gegeven ogenblik hun vlucht van het koude noorden aanvangen naar het zuiden. Dan kan je, met een beetje overdrijving, zeggen dat de dieren meer (Spinozistisch) intuïtief handelen vanuit hun eigen aanzet dan de mens. En ‘eigen aanzet’ (tussen haakjes) is dan de volledige aansluiting met hun natuur. (Substantie, attribuut en modus in één.) Dan is het wormpje eigenlijk meer Spinozistisch dan de mens in wiens bloed het vertoeft! Grappig als je het zo bekijkt.

Maar, Ed, Ilaria Gaspari wijst er juist op dat er van imaginatio helemaal geen sprake is in het wormpje-voorbeeld. En wil je werkelijk zo Spinoza's intuitio reduceren tot dierlijk instinct? Zo meteen ga je nog beweren dat de wormpjes en vogels zich instinctief/intuïtief begrijpen als bestaand in God en zo de amor Dei intellectus ervaren...

Zijn die wormpjes en vogels niet ook modi van/in de substantie? Hoe kunnen ze dan "Substantie, attribuut en modus in één" zijn? OK, "Grappig als je het zo bekijkt", maar maak je er niet teveel een spelletje van? Is dit nog serieuze Spinoza-studie?
[Maar je ziet, hoewel ik twijfel heb, heb ik geen enkele behoefte je reactie te wissen. Een grapje moet kunnen op z'n tijd]

“Zo meteen ga je nog beweren dat de wormpjes en vogels zich instinctief/intuïtief begrijpen als bestaand in God en zo de amor Dei intellectus ervaren...”

Eugh…, hoe moet ik dat beamen zonder direct als onnozel beschouwd te worden. Tja, ik zie dat echt een beetje zo, als aansluiten bij je natuur. En ik weet wel dat dit de natura naturata is maar die zie ik dan samenvallend met de natura naturans. Niet direct lachen, maar wat is het verschil tussen dit dier dat intuïtief handelt en de mens die in aansluiting met zijn Spinozistische intuïtie handelt? Doen zij dan niet hetzelfde, samenvallen met zichzelf? Het is een gewaagde denkoefening maar ik zie het derde weten als een direct aansluiten bij ‘dat wat moet gebeuren’. Daarom kan je er ook een ethiek op bouwen, op dit ‘direct doen wat je conatus je verplicht’. Dit verbindt Spinoza met het Zen-boeddhisme en dit maakt het tot een serieuze overdenking. Zen gaat ook buiten een God om.
Stan, niet direct afschieten deze gedachte en ze is niet ‘puur’ Spinozistisch, dat weet ik ook. Hoewel? Weet jij van teksten die Spinoza en Zen verbinden?

Type maar Zen in het zoekvenster.

Ja, dit lees ik graag, dat enthousiasme. Ik heb, veel te duur maar wat maakt het uit, Paul Wienpahl, The Radical Spinoza (New York University Press, 1979) net besteld op Abebooks.
“Hoe meer we onszelf en onze affecties begrijpen, hoe meer we God (=Zijn) liefhebben. Dan speelt het beeld van de verbeelding van God geen rol, maar zijn we God. ‘Reason’ in de zin van ‘begrijpen’ is dan zelf een Affectie onder de affecties, niet over deze.” In deze bewoordingen schrijft Gilles Deleuze ook.
Bedankt.

Ach, ik zie nu als de tekst zo verschijnt dat mijn opmerking over het enthousiasme kan slaan op wat je hierboven schreef.
Nee, het is het enthousiasme waarmee je over dit boek schreef op je blog. Laat er weer geen misverstanden ontstaan.

Wat grappig, Ed, dat mijn bespreking heeft geleid tot jouw bestellen van dat boek. Je bracht mij ertoe die bespreking weer eens te herlezen en het enthousiasme dat ik toen over dat boek van Wienpahl had, komt nog steeds over (ook op mij weer). Ik wens je veel leesplezier met dat boek en hoop dat je er net zo van kunt genieten als ik deed - zes jaar geleden alweer.
[Dat we eerst zo'n botsing hadden en nu hierover una veluti mente zijn!]