Jacobus Arminius (1560 - 1609) - de Spinoza onder de protestantse theologen

Vandaag is het 500 jaar geleden dat de reformator Johannes Calvijn geboren werd. Dat wordt onder meer gevierd met 'De Nacht van Calvijn' en de 'Nationale Herdenking 500 jaar Calvijn' in Dordrecht.

Ik acht het wel fraai dat dagblad Trouw juist vandaag een artikel heeft over de 'tolerante theoloog' Arminius, van wie later dit jaar de 400e sterfdag wordt herdacht. Dat indertijd de strenge-overheersende richting het in Nederland won, moet niet doen vergeten dat een zwakkere en meer twijfelend-tolerante richting eveneens z'n aanzet in Calvijn vond.

Bekijk de afbeelding op ware grootteJacob Hermansz. van Oudewater maakte als kind de slachting mee die door de Spaanse troepen in Oudewater o.a. onder zijn familieleden werd aangericht. Hij ging in 1576 studeren aan de pas een jaar tevoren opgerichte Leidse Universiteit, waarna hij zijn studie voortzette in Genève bij de opvolger van Calvijn. In 1588 werd hij ingezegend in de Oude Kerk in Amsterdam waar hij zich in pastoraal en kerkbestuurlijk werk onderscheidde. In 1603 werd hij verzocht in Leiden te komen doceren. Hij werd er als eerste Noord-Nederlandse theoloog tot hoogleraar benoemd. Zijn naam had hij naar het gebruik in die tijd verlatiniseerd tot 'Jacobus Arminius'. Hij genoot er groot aanzien onder de studenten.

Bekijk de afbeelding op ware grootteAls geestelijke met uitstekende geloofsbrieven - een geloof waaraan hij altijd trouw bleef - werd hij 'gevaarlijk' omdat hij zelf bleef nadenken en vragen begon te stellen bij de leer. Met name bij de kernpunten van 'verlossing' en 'predestinatie'; hij zag ruimte voor mee- (of tegen-)werken van de mens, bepleitte enige speelruimte voor de vrije wil en ontwikkelde het idee van de 'weerstaanbaarheid' tegen Gods genade. Dit deed hij vanuit zijn praktische pastorale ervaring, waarin hij meemaakte hoe goede gelovigen op hun sterfbed worstelden met de vraag of ze wel tot de uitverkorenen van God behoorden. Dit vroeg een theologie die ruimte maakte voor een praktische ethiek. Hij werd gevaarlijk, want te 'rekkelijk' gevonden.

Deze vragen en kritiekpunten kwamen in een tijd waarin het protestantisme nog jong was, nog in opbouw en de bevolking nog niet volledig in z'n greep had. Velen nog herinneringen hadden aan de onafhankelijkheidsstrijd of heimwee naar de Zuidelijke Nederlanden waar die strijd begonnen was en vanwaar ze gevlucht waren. Een periode waarin ze moesten merken dat de Verenigde Zeven Provincieën zich niet tot een gereformeerde theocratie liet omvormen. Dit alles maakte de tegenstanders extra fel in hun strijd tegen Arminius, waarin zijn ultracalvinistische Leidse collega Franciscus Gomarus (1563-1541) voorging. Voor Gomarus lag al van voor het begin van de Schepping onomstotelijk vast wie verkoren of verdoemd was, voor Arminius niet.
Libertijnse intellectuelen steunden Arminius in de overtuiging dat de godsdienst geen ideologisch keurslijf mocht worden. En de regenten verzetten zich tegen pogingen van synoden om de kerk invloed te laten hebben op hun jurisprudentie; wat competentiestrijd opleverde tussen kerkelijke tuchtcolleges en burgerlijke overheden (een strijd die nu tegen invoering van shariarechtspraak wordt gevoerd).

Zijn volgelingen zetten na de dood van Arminius de strijd voort door in 1610 een zogenaamde 'remonstrantie' te publiceren, waarin men ruimte vroeg en waarmee men zich richtte tot de Staten Generaal. Daar men de strijd niet binnenkerkelijk kon oplossen ging de politiek zich ermee bemoeien, waarbij Johan van Oldenbarnevelt, die altijd al tegen de dominantie van dominees was, zich aan de zijde van de remonstranten of Arminianen bevond, hoewel hij geen aanhanger van de theologische gedachten of partijganger van Arminius was.  Maurits van Nassau stelde zich aan de zijde van de strenge calvinisten of contraremonstranten op.

De rest is overbekend: de staatsgreep van Maurits tegen de kring rond Oldenbarnevelt, het bijeenroepen van de Synode in Dordrecht, de veroordeling en vervolging van de remonstranten tijdens en na die Synode en de onthoofding van Oldenbarnevelt.  

De volgelingen van Arminius scheidden zich in 1619 als Remonstrantse Broederschap af van de Gereformeerde Kerk.
Uiteindelijk bleek Arminius zo de wegbereider van een vorm van ('erasmiaans') christendom, waarin rede, vrijheid en verdraagzaamheid bepalende factoren werden. [Zie hier]

Daarom, vanwege zijn zelfstandig blijven nadenken en zijn roep om tolerantie - zijn rationaliteit en zijn redelijkheid - én vanwege de kerkelijke ban tegen de Arminiaanse richting noem ik Arminius de Spinoza onder de calvinistische theologen. Hoewel, gezien Arminius' ruimte voor vrijheid ('vrije wil') van de mens en het enigszins afdingen op de strenge predestinatie, de fundamentalisten (of Gomaristen) onder de Spinozisten eerder overeenkomst zullen zien tussen het determinisme en zelfs necessitarianisme van Spinoza en de strenge uitleg van de predestinatieleer door Gomarus en navolgers.
Daar zijn al diverse Spinozistische studies naar verricht.

Zouden de Arminianen hebben gewonnen... onzin; het lag in de loop der dingen dat alles liep zoals het liep. Spinoza heeft later in zijn Tractatus Theologico-Politicus de strijd aangebonden tegen diezelfde theologen van de strenge richting. Ook daarom zet ik Arminius in de lijn met Spinoza.

De kwestie Arminius' ligt nog altijd gevoelig in de protestantse wereld. Zie dit artikel in het Nederlands Dagblad: 'Spanning rond kwestie-Arminius afgenomen'. Zie ook het al gememoreerde artikel in Trouw.

bronnen

Trouw
DiarmAid MacCulloch: Reformatie. Het Europese Huis gedeeld 1490 - 1700, Spectrum/Standaard, Utrecht/Antwerpen, 2005 (oorspr. 2003)
Website van Onno Boonstra, senior researcher aan de Afdeling Geschiedenis van de Radboud Universiteit
wiki

Reacties

Hoewel ik het heel aardig van je vind, Stan, dat je zo veel aandacht schenkt aan mijn Ouderwaterse compatriot Arminius (in Oudewater werd ik gedoopt en heb ik de lagere school bezocht), moet ik toch bestrijden dat zijn calvinisme meer in de lijn van Spinoza's denken zou liggen dan dat van Gomarus. dit ondanks het feit dat het Arminianisme in Holland door regenten en anderen met een hoge eigendunk werd omarmd. Ik ken ook geen literatuur waarin het remonstrantendom professioneel aan het Spinozisme werd 'gelinkt'. Omgekeerd bestond er in de afgelopen eeuwen wel sympathie voor Spinoza bij de strengere variant van het Calvinisme. Ik heb daarover geschreven in mijn hoofdstuk "De Dordtse Synode en haar gevolgen" in mijn onvolprezen boek EEN NIEUWE SPINOZA (Amsterdam: Wereldbibliotheek 1995, p. 61 e.v.). Ik citeer daarin o.a. de Gomarist Frans Burman sr. in wiens woorden duidelijk Spinoza's tekst doorklinkt: "In feite verkeren al diegenen in dwaling die beweren dat sommige dingen mogelijk zijn, andere onmogelijk, weer andere noodzakelijk krachtens hun eigen natuur, onafhankelijk van gods besluit; alles immers hangt in absolute zin af van gods besluit en HAD NIET ANDERS KUNNEN ZIJN" . Dit werd een jaar na Spinoza's dood geschreven. in een leerboek SYHOPSIS THEOLOGIAE. En vier jaren nadien (1682) schrijft de Calvinistische theoloog Christophorus Wittich: "Het is god die in ons elke bijzondere wilsdaad opwekt, ook die waarmee wij ontsporen en afwijken. En wanneer hij dit doet, geeft hij ons geen enkele kracht die met onze wilsdaad in strijd is. Zo'n tegenkracht voelen we ook helemaal niet. Wij nemen daarentegen onze wilsdaad waar als een akt van onszelf, ook al wordt die in ons door god bewerkstelligd en hebben wij die niet in het minst in onze eigen macht" (EXERCITATIONES THEOLOGICAE). Beter zou ik de hard kern van Spinoza's natuurwetenschap niet kunnen formuleren.

Alles is interessant en lijkt me waar wat je inbrengt. Natuurlijk zijn Gomaristen het met Spinoza eens DAT NIETS ANDERS HAD KUNNEN ZIJN.
Maar mijn argumenten lagen op een ander vlak.
Dus is hiermee "de literatuur waarin het remonstrantendom professioneel aan het Spinozisme wordt 'gelinkt'" met dit blog begonnen.

Dat andere vlak is dan kennelijk het politieke vlak, dat ik inderdaad even uit het oog had verloren ten gunste van de kwestie determinisme vs wilsvrijheid. Je hebt in dat opzicht het grootste gelijk van de wereld. Hoofdstuk 19 van de TTP, inhoudende dat het recht over cultusaangelegenheden ten volle bij de hoogste politieke autoriteiten ligt (IUS CIRCA SACRA PENES SUMMAS POTESTATES OMNINO ESSE), ligt geheel in het verlengde van de politicologische opvattingen van de remonstrantse denktank, waartoe bijvoorbeeld Hugo de Groot behoorde met zijn DE IMPERIO SUMMARUM POTESTATUM CIRCA SACRA COMMENTARIUS (1647) dat niet zonder reden in Spinoza's librije aanwezig was. Daarover bestaat, zoals je opmerkt, wel degelijk literatuur. Ik noem bijvoorbeeld Hans W. Blom, MORALITY AND CAUSALITY IN POLITICS. THE RISE OF NATURALISM IN DUTCH SEVENTEENTH-CENTURY POLITICAL THOUGHT (1995). Het is betreurenswaardig dat populariserende en academische (universitaire) schrijvers over Spinoza's denken daar zo weinig aandacht aan schenken een voorbeeld van "spin in plaats van Spinoza".