Johannes van Vloten: "Spinoza, de blijde boodschapper der mondige menschheid"

Toen ik in het blog van 12 oktober 2014 een PDF bracht van de scriptie voor MO.A. Geschiedenis aan de Haagse Hogeschool die Niek Tom in 1988 schreef, getiteld ‘Een vaan des oproers’, en die handelde over de ontstaans-geschiedenis van het standbeeld van Spinoza op de Paviljoensgracht te Den Haag, was ik van plan om de toespraak die Johannes van Vloten hield bij gelegenheid van de onthulling van het beeld op 14 september 1880 daaraan toe te voegen. Die toespraak, Spinoza, “De blijde boodschapper der mondige menschheid”, is wel in Engelse vertaling op internet te vinden, maar in het Nederlands alleen in het vierde deel van Chronicon Spinozanum, waarin die toespraak mét een vertaling in het Latijn door W.G. van der Tak in 1926 werd opgenomen.

Ik heb die toespraak daaruit overgenomen en breng die hierna met dit blog makkelijker vindbaar op internet. Eerst citeer ik uit die scriptie van Niek Tom de passage op blz. 24 over deze onthulling:

"Van Vloten sprak bij deze gelegenheid zijn rede uit getiteld "Spinoza, de blijde boodschapper der mondige menscheid". Daarin benadrukte hij nogmaals dat Spinoza's veroordeling door tijdgenoten gebaseerd was op een botsing tussen de geest van de wordende toekomst en de geest van het verleden. Van Vloten zag deze onthulling als een voorbeeld, een symbool voor de verandering der tijden. Hij benadrukte Spinoza's hantering van de rede als de hoogste uiting van de menselijke beschaving, de vrede als verzoenende factor. Weliswaar zag Van Vloten Spinoza niet als een optimist, maar hij omschreef hem als een Anti-Pessimist, die vermoedde dat er veel goeds in de wereld tot stand gebracht kon worden. Met Spinoza zag Van Vloten de mogelijkheid dat iedereen uiteindelijk inzicht zou kunnen krijgen in het oneindige verband van alle dingen. Van Vloten zag in dit verband de geloofsverdeeldheid als een belastende factor. Tenslotte trok Van Vloten een lijn van de vrijheidslievende Geuzen-prins Willem van Oranje door naar Spinoza. In hem zag hij het voorbeeld om tot een veredeling van het verstand en het gemoed te komen buiten alle kerkbegrippen om.

Na deze toespraak, tijdens welke het doek van het beeld was verwijderd, werd het standbeeld aan de Gemeente 's-Gravenhage overgedragen. Vervolgens sprak Burgemeester Gevers-Deynoot een dankwoord uit. Als laatste officiële handeling volgde een kranslegging namens de "Kosmophielenclub" uit Leipzig. En hiermee was de plechtigheid ten einde. "Diepe ernst was haar kenmerk" schreef een journalist in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van die avond. Na de onthulling dineerde het gezelschap van genodigden in het Oranjehotel te Scheveningen."  

 

[De vijf delen van Chronicon Spinozanum zijn bij Andrei Maidansky als djvu-bestand te downloaden. Ik had er graag ook een PDF-bestand van gemaakt, maar die faciliteit is bij mijn Word-programma jammer genoeg kapot geraakt – waarschijnlijk door een of ander virus kapot gemaakt].

 

SPINOZA, DE BLIJDE BOODSCHAPPER DER MONDIGE MENSCHHEID

 

TOESPRAAK BIJ DE ONTHULLING VAN ZIJN STANDBEELD

Door J. van VLOTEN.

Spuwt op dat graf; — daar ligt Spinoza! — Aldus, vóór ruim anderhalve eeuw, de meer geloof- dan liefderijke herder en leeraar der toenmaals heerschende hervormde Kristenkerk, te Middelburg, Karel Tuinman1. En thans, op luttel schreden afstands van dat graf, het straks te onthullen beeld van den man, op wien die wellevende uitnoodiging gemunt was, van de banieren omwuifd alle dier landen uit de oude en nieuwe wereld, uit welke, van Moskou tot New-York, van de Argentijnsche Republiek tot Java, ons bijdragen toestroomden, om het te doen verrijzen. En inderdaad het is mij, als zag ik, bij al dien vlaggenpronk en de hier saamgekomen schare, uit die bescheiden woning daarnevens ons, waar hij zijn laatste levensjaren doorbracht, hem zelf zich, in zijn eenvoudig huispak, onder zijn huisgenooten aan 't venster vertoonen, vragende, wat er wel mocht gaande zijn, en zich schuchter terugtrekken bij 't vernemen, dat dat alles op hem zelf en zijne gedachtenis was toegelegd. Niet te zijnen behoeve trouwens heeft dan ook al dit vertoon hier plaats, noch zal zijn beeld hier van heden aan prijken; maar om hunnentwil, die hem vereeren, en om des te levendiger steeds aan ieder in te prenten, wat de man, door dat beeld vertegenwoordigd, in zijne levensvolle bespiegeling, voor de beschaafde menschheid beteekent. Doch van waar dat hemelsbreed verschil in waardeering tusschen toen en nu, den Eerw. Tuinman, die hem verfoeide en verwenschte, en zoovelen onzer tijdgenooten, als hem thans hun hulde brengen; want ik zou er niet voor durven instaan, dat er niet nu ook nog sommigen zijn, die in 's mans bevooroordeelden afschuw deelen. Van waar dat verfschil evenwel? — Uit den aard der zaak, den gewonen loop der dingen zelf; uit den natuurlijken strijd, de onvermijdelijke botsing tusschen den geest der wordende toekomst en dien van 't veroudrend verleden. Dat verleden schuwt en veroordeelt, verdenkt en verwenscht steeds die allengs het vervangende toekomst, en pleegt dan zijn afkeer daarbij naar de mate der beschaving van zijn bevooroordeelde voorstanders uit te drukken, 's Eerwaarden Tuinmans geloofsverwanten werden, een honderd vijftig jaar vroeger, toen zij zelf, in hun Geuzenverzet tegen Rome en Spanje, de toekomst vertegenwoordigden, door de hartstochtelijke aanhangers van het verleden gemarteld en verbrand; en de voorwerpen van 's mans kerkelijken afschuw mogen dus in zeker opzicht nog van geluk spreken, dat hij zelf het maar bij dien onwelvoeglijken aandrang tot bespuwing liet. Thans belooft die door hem, in Spinoza, verfoeide toekomst allengs meer een heden te worden; het de liefde verzakend, de menschheid verdeelend geloof voor een verstandig en liefdevol, de menschen verbroederend inzicht te wijken; en onze aanwezigheid op deze plek, de onthullingstaak, die er ons wacht, is het sprekende blijk dier heugelijke verandering der tijden.

Kenschetsend voorzeker moest juist in dit land der kloeke Geuzen, die in hun doortastenden weerstand tegen kerk- en staats-dwang van Paus en Koning, in hun zelfgenoegzame afzwering van een eigenmachtig Landsheer, Europa het wakkere voorbeeld gaven van een onafhankelijken vrijen volkstaat; — moest juist hier, zij 't van uitheemschen volksstam, de denker geboren worden, die, dat voorrecht steeds op den hoogsten prijs stellende2, door den vrijen dampkring, waarin hij ademde, bezield, zijne wijsbegeerte des levens volwrocht, en daarmede het beschavingswerk der halverwegen postvattende Hervorming voltooide. Want dát vooral is de in onze dagen allengs meer tot haar recht komende beteekenis van den man, wiens nagedachtenis wij heden huldigen.

Wat toch is het eigenlijk beginsel dier Hervorming? Het onvervreemdbare recht van den mensch op zijn zedelijke en verstandelijke ontwikkeling. Handhaving van dat recht tegen dwangzieken Landsheer en Opperkerkvoogd, die hen aan den band hunner baatzieke en bekrompen staats- en kerkbegrippen wilden snoeren, was het, met de schitterendste uitkomst bekroonde, edelaardige streven der Geuzen, die daarbij echter natuurlijk niet verder gingen dan hun eigen kerkelijke gezichtseinder en leer stellige bespiegeling strekte. Aan deze zich intusschen ook voor het vervolg te binden, of dat, bij eigen gemis van hooger verstands- en gemoedsbehoefte, anderen te willen doen, zou van een zelfde miskenning van 's menschen aanleg en roeping blijk geven, als in die gulden Geuzeneeuw, tegenover Rome en Spanje, zoo doeltreffend bestreden was. En in Spinoza, den op Geuzenbodem geboren en getogen, maar door de zijnen uitgeworpen Jodenzoon, uitte zich in de volgende, even krachtig als doortastend, hetzelfde Hervormingsbeginsel, ook waar die Hervorming zelve, in zijn weldadige toepassing, voorloopig was blijven staan, en tegen het kortzichtig getier van haar eigen bevooroordeelde predikers — een Tuinman en soortgelijken — in.

Er wordt, helaas! steeds tal van lieden gevonden, die, ofschoon tot volledigen stoffelijken wasdom en mondigen leeftijd gekomen, op verstandelijk en zedelijk gebied van de noodige zelfstandige kloekheid verftoken of door deerniswaarde gemakzucht gedreven, niet zonder van buiten verstrekte hulp, en hun schijnbaar welmeenend toegereikte krukken, wagen of verlangen te gaan. Anderen zal men dan niet zien schromen, daarvan misbruik te maken, en hun dien bijstand en steun vaak ten duurste te verkoopen. Doch deze man, die 't zich, in zijn nederig maar nuttig maatschappelijk handwerk, tot taak gesteld had, het stoffelijk oog van zijn medemenschen werktuiglijk te verscherpen, zocht, geheel belangeloos en, voor wie zich de aanlokkelijke moeite woû geven hem te volgen, met den besten uitslag, op onstoffelijk gebied elk zonder krukken te leeren loopen en uit eigen ongebrilde oogen rondkijken.

En hoe leî hij het daartoe aan? — Hij wees hen eenvoudig op dat te dikwerf miskende en jammerlijk verwaarloosde waarmerk van den adel der menschelijke natuur in hare hoogste beschaving, 's menschen rede. Hij mocht er zich van overtuigd houden, dat zonder haar onontbeerlijken steun, het gedichtsel van 's menschen harte zich maar al te licht boos toonde. Daartoe had hij slechts zoowel zijn eigen ervaring onder 't hem verschoppende Jodendom te raadplegen, als zich dien berucht en saterdagavond van Augustus '72 voor den geest te roepen, toen eene zich nog wel hervormd wanende Kristenbevolking, na voortdurende opruying door haar evangeliepreêkers, en onder aanhitsende medewerking van enkele leden harer overheid, Hollands Raadpensionaris en zijn broeder zoo gruwzaam vermoord had3. Vanwaar nu die onmiskenbare neiging tot boosheid van 't menschelijk gemoed? Uit de onredelijke inblazingen van 's menschen hartstocht alleen, die hem, van een redelijk en zedelijk, tot eigen en anderer welzijn werkzaam wezen, tot een rede- en zedeloos werktuigen slachtoffer zijner driften, van een edelaardig doener tot een deerniswaardig lijder4 verlaagt. Een lijding mocht men dan ook den juisten naam voor ieder hartstocht of drift achten, door welke de mensch, zich zelf niet langer meester en voor 't beter ik zijner rede verstompt, tot de onredelijkste handelingen gepord en gedreven werd. In die rede daarentegen, als de hoogste uiting der menschelijke beschaving in haar innig natuurverband, mogen zich allen als één rekenen5, en treedt liefde voor haat als maatschappelijke drijfveer en levensspil op. Geen stroeve, geestdoodende afkeer der wereldsche dingen daardoor ook het gevolg harer weldadige werking. Integendeel wist deze denker, die te recht tot leus voerde, dat ware wijsheid geen doods- maar levensbespiegeling is, het menschelijke leven, door de rede bestierd, op zijn vollen prijs te schatten, in zijn hooge waarde te erkennen. In dat schijnbaar zoo eenvoudige, maar, in zijn onafscheidelijk onderling verband, inderdaad zoo veelzeggende tweetal woorden van wel-doen en blij-zijn, en in dit opzicht met die andere, dat werkdadige deugd genot is, te vertolken, sprak hij kort en bondig den kern zijner gansche zedeleer uit6. Verre van hem dus ook die zwartgallige veronwaarding van menschen en dingen, die het ziekelijk kenmerk van sommige vernuften en hun vele nabauwers onzer dagen is, als zij, door valsche redeneering van 't spoor geleid, door eenzijdige verdieping in al 't zorgvuldig opgespoorde kwaad, het oog zich voor 't goed laten benevelen, dat zich, waar men ze niet moedwillig fluit, evenzeer aan ieders blikken opdringt, en tot welks aankweeking en vermeerdering het hun plicht ware, zich mede aan te gorden, in stee van markten en straten met hun ontzenuwend geweeklaag te vervullen. Geen Optimist — als men 't noemt was Spinoza, in dien afkeurenswaarden en verderfelijken zin van 't woord, die met alles, ook het minst lofwaardige, vrede heeft, alles, ook het onaanneemlijkste, verbloemt en vergoelijkt; maar een Anti-Pessimist zeker in dien, die bevroedt, dat er veel goeds en schoons, veel edels en verhevens in de wereld tot stand valt te brengen en van oudsher gebracht is, en dat het ware levensgenot voor ieder mensch dáárin bestaat, om, naar de mate zijner krachten en naar den werkkring, dien hij zich koos of dien 't lot hem toewees, daartoe mee te werken. Verhooging van levensgevoel, levensbesef, levensbehoefte moet daarvan het even welkome als weldadige gevolg zijn, en tot de deelnemendste werkzaamheid leiden. Lust, vreugde, werkdadige deelneming in de dingen als Goethe in Spinosistischen zin eens uitriep, is het eenig wezenlijke, al 't overige beuzelarij en ijdelheid. En wilde men dan ook den zedelijken en maatschappelijken kern van Spinoza's bespiegeling in een korte kenspreuk samenvatten, het zou die eener onverdoofde verstand- en liefdevolle werkkracht zijn.

Zoo ver is het daarbij dus van die onzinnige misvatting af, die er integendeel, maar al te dikwerf, slechts een aanmaning tot de lijdelijkste werkeloosheid in waande te zien. Zulk een averechtsche indruk is echter alleen aan de kortzichtigste oppervlakkigheid te wijten. Hoe ware 't anders mogelijk geweest, den man, die het fijnste gevoel, den scherpsten blik toonde voor de drijfveêren van 's menschen handelingen in al haar schakeeringen, voor een soort van oostersch droomer te gaan verslijten, die alles zonder onderscheid in den nevelsfeer eener alles verzwelgende Godheid deed verzwinden?7 Hoe had men anders — met een Saisset — den wakkeren denker, die, in tegenstelling aller jammerende doodsprofeeten, den mensch tot leven, werkdadig en bezielend leven oproept, hem voorhoudt, dat hij niet suffen en tobben, maar leven en werken moet, voor den apostel eener onvruchtbare en doellooze wijsbegeerte kunnen uitkrijten, die, door al zijn afgetrokken mijmeren, alle gevoel van persoonlijke werking verloren had, wiens gemoed dan ook alle veerkracht miste, en die, in zijn deerniswaardig kluizenaarsleven, hartstocht noch behoef ten kende8? Hoe anders — met een Kuno Fischer zelfs — van hem kunnen zeggen, dat hij wel den samenhang der dingen, maar niet deze zelf in 't oog vatte9, als ware geheel die menschkundige afleiding der menschelijke driften, die keurige schets van 's menschen ijdel en ongelukkig bestaan, wanneer hij zijn werkdadige levensroeping voorbijziet, en zich aan den redeloozen maalstroom zijner hartstochtelijke indrukken lijdelijk overgeeft, ongeschreven! —Neen, voorwaar, opbeurende, levenwekkende werkzaamheid is altijd en overal het onmiskenbaar doelwit van zijn wijsgeerig streven, en hij weet daartoe ieder edeler hartstocht zelfs, mits van lijdend en redeloos, redelijk en werkzaam geworden, als dienstbaar aan te bevelen10. Alle hartstochten toch, luidde zijne leer, bij welke de geest denkend werkzaam is, duiden zedelijke sterkte aan, die, zich in kloekheid en edelaardigheid laat splitsen. Kloekheid bij al wat hoofdzakelijk op ieders eigen best, in den hoogsten zin van 't woord, betrekking heeft; edelaardigheid waar dat van anderen beoogd wordt. Eigenlijk laat zich, in dien zin, het een geensins van 't andere scheiden; en geen averechtscher waan stellig, dan te meenen, dat zijn eigen best op deze wijs te zoeken, de grondslag van allerlei kwaad, in plaats van dien der deugd, zou kunnen zijn. Wat dan ook Spinoza's even scherpzinnige als onbewimpelde blootlegging van 's menschen stoffelijken en zedelijken aard, in zijn onverbrekelijk verband, zoo treffend kenschetst, is juist die doortastende handhaving van een veelal zoo misvatte stelling. Het hoogste goed toch van allen, die, naar den ingeschapen aandrang hunner menschelijke natuur, tot ontwikkeling van hun redelijken aanleg onverdroten werkzaam zijn, is een gemeenschappelijk goed, waarin zij zich allen gelijkelijk verblijden kunnen. Het daardoor allengs te erlangen inzicht in 't oneindig verband aller dingen, en het besef van ieders noodwendigen samenhang daarmee, is allen gemeen, kan, door allen verworven worden. De weldadige gemoedsstemming, daaruit geboren, en die slechts de van alle onverstand gelouterde, voor de rede gewettigde vorm is van wat men, in zijn ongelouterden, kerkdijken staat, godsdienst noemt11, leidt tot die tegen allen bekrompen geloofshaat gewaarborgde liefde, het zoo gewenschte maatschappelijk cement der toekomst12. Wie, in dezen geeft, naar de uitspraak der rede zoekt te leven, zal, wel verre van anderen te haten, hun haat, toorn, minachting, en dergelijke door edelaardige liefde trachtende vervangen. Haat wekt slechts haat, liefde daarentegen zal haat doven. Hij, die den hoon, hem aangedaan, met een weêrkeerigen haat wil wreken, leidt een ellendig leven; wie er zich daarentegen op toelegt, haat door liefde te verdrijven, strijdt veilig en blij, weêrstaat even gemakkelijk een als meer lieden, en heeft zoo min mogelijk hulp van buiten noodig. Zij, die hij overwint, laten hem hunnerzijds blijmoedig het veld, niet uit tekortkoming, maar juist door aanwas van hun krachten. Hartstochten verdeelen de menschen, de rede brengt ze samen; niets den mensch nutter dan een mensch, die zich door haar laat leiden.

Dat wist de gemoedelijke dichter dan ook wel, die alle menschen wijs wenschte, om ze deze aarde in een Paradijs te zien hervormen. Wat die dichter echter te vergeefs verzuchtend wenschte, daartoe wees deze denker den weg aan, en men heeft, dat schoone doel met hem beoogende, op zijn voetspoor dien weg maar in te slaan, om de wenschelijke verwezenlijking er van te bevorderen. Men vange daartoe slechts aan, met voor zich zelf er ernstig naar te streven, tot die liefdevolle stemming en daarmee gepaarde blijde werkkracht te geraken, die uit het levendig besef van 't door allen gedeelde, oneindig natuurleven voortvloeit, en waardoor men, van zich zelf te beginnen, alles steeds in verband daarmee beschouwen zal. Door vrees voor den dood zal men daarbij niet gekweld worden, daar men zich in zijn doen en denken gewennen zal, zich niet aan zijn persoonlijk en tijdelijk bestaan te binden, zijn kortstondig persoonlijk leven en werkzaamheid niet van 't oneindige, waarin men deelt, zal leeren scheiden, en niet zijn hartstochtelijken persoonlijken indrukken, maar alleen het beter inzicht gehoor geven, door de veredelende ontwikkeling van zijn redelijken en zedelijken aanleg verschaft. De gewone meening, de onbeschaafde, niet door de rede verlichte, maar door 't geloof benevelde volkswaan luidt —als Spinoza gaarne erkent — anders. Zij acht ieder slechts in zooverre vrij als hij zijn onberedeneerde lusten mag volgen, en dienstbaar als hij zich naar de uitspraak der heilzame redewet richt. Zij houdt rechtschapenheid en deugd voor een last, die men na den dood afleggen, en, in plaats daarvan, het loon voor zijn Havendienst, in 't dragen van dien last, erlangen zal. Zij meent, dat buiten de hoop op dat loon, slechts vrees voor gruwzame straf na den dood, er toe noopen kan, om, zooveel zwakte en onmacht van geest; meebrengen, naar de redewet te leven ; en dat men zonder dat, slechts zijn redeloozen lusten gehoor geven en zijn beter ik geheel verwaarloozen zou. Een zaak niet minder ongerijmd, als Spinoza verklaarde, dan dat iemand, meenende, zijn lichaam niet voor eeuwig met deugdelijke spijs te kunnen voeden, zich nu maar liever aan venijnige zou vergasten, of, omdat hij zijn geeft niet voor onsterfelijk hield, geesten redeloos leven zou. Neen, riep hij in edele verontwaardiging uit, niet een loondienst is 's menschen leven, en wat men zijn geluk noemt, niet het loon der deugd, maar die deugd zelf. Wij genieten dat geluk of die deugd niet, omdat wij onze hartstochten weten te beflieren; maar wij vermogen integendeel die hartstochten te beteugelen, omdat wij die deugd en dat geluk rijk zijn. Schijnt de weg, om daartoe te geraken, velen moeilijk en zwaar; hoe kon, lage dat geluk zoo voor de hand, en ware 't zonder inspanning te erlangen, het door bijna allen zoo verwaarloosd worden? Alles wat vortreffelijk is, is even moeilijk als zeldzaam.

Het is intusschen het voorrecht van den mensch, om het, naar den aanleg zijner natuur, tot die voortreffelijkheid te kunnen brengen. Geen zonderlinger misverstand daarom ook, dan dat van een averechts opgevat Darwinisme, dat, van 's menschen verwantschap met de dieren uitgaande, hem binnen hunne grenzen bannen woû. Niet van waar men oorspronkelijk herkomt, maar waartoe men het vermogen heeft zich te verheffen, maakt de waardij der wezens uit; en deze dalen des te lager in rang, naarmate zij zich meer beneden het hun bestemde peil houden, en, tot hun eigen ongeluk, van den hoogeren aanleg ontaarden, door de natuur in hen gelegd. De mensch, als lid van het dierenrijk beschouwd, is voor de hoogste veredeling vatbaar, en geroepen dat doelwit nimmer uit het oog te verliezen, er zich en anderen steeds nader toe te brengen. Den weg daartoe baande hem de denker, wiens standbeeld wij nu gaan onthullen, en die, in zijn even kloek en edelaardig als eenvoudig en verholen leven, zelf het aantrekkelijkste voorbeeld der weldadige praktijk zijner lessen gaf. Verzaking aller hartstochten die uit haat en wrevel voorspruiten; verbanning aller naargeestigheid, die een verstandig mensch onwaardig is. Een slecht Jood en geen beter Kristen noemde hem de Zwitsersche overste in Franschen dienst, Stoppa13, die hem te Utrecht even gesproken had, en vermoedde niet, dat hij hem daarmee juist de grootste lof toekende, als dien van boven beider geloofsverdeeldheid verre verheven mensch. Zoo mogen dan ook, van heden aan, Joden en Kristenen, hun wederzijdsche stam- en geloofsvooroordeelen en wanbegrippen afschuddende, zich, in zijn geest en naar zijne beginselen, tot menschen, beschaafde en mondige menschen veredelen, van hun redelijken aanleg en zedelijke roeping doordrongen, en met de blijmoedigste werkkracht bezield!

En ontsluiere zich thans voor ons het te zijner nagedachtenis opgerichte beeld, door Hexamers kunstvaardige hand gewrocht, en ons zijn lichamelijke gestalte zijner waardig voor den geeft roepend. Van 't verstandige beginsel uitgaande, dat een slordig en verwaarloosd uiterlijk minder voor dan tegen hem, die er meê pronkt, getuigt, was hij gewoon zich, als hij uitging, met zorg te kleeden, en komt zich dan zoo ook aan den nazaat vertoonen. Wel kan er daarbij van dien boeyenden kout niet meer sprake zijn, die den innemenden indruk van zijn persoon, bij zijn leven, nog aanmerkelijk plag te verhoogen14; doch de kunstenaar heeft gezorgd, dat, wie zijn bronzen beeld aanschouwt, zich ontegenzeggelijk in dat beeld, den mensch vertegenwoordigd ziet, die in zijn bescheiden woonvertrek aan deze stille gracht zulke levenwekkende gedachten te boek stelde. Zij hem ons aller dank daarvoor  gebracht! — En naarmate hij zich voortreffelijker van de hem toevertrouwde taak kweet, mag ik mij met te grooter gerustheid tot u wenden, Edelachtbaar Hoofd dezer gemeente, om het u in vollen en vrijen eigendom voor haar over te dragen. Aanvaard het als dat van den Goeden Geest uwer stad, den Geest der liefdevolste wijsheid en werkdadigste levenslust! —Gelukkige gemeente, die reeds elders binnen uwe muren, te voet en te paard het beeld van dien edelaardigen Geuzenprins en opstandeling ziet prijken, dat niet ophoudt u van zelfstandigen volkszin en eendrachtige vaderlandsliefde te spreken, en die er thans dat van den wijze aan ziet toegevoegd, die u menschelijke beschaving en veredeling boven alle bekrompen geloofsverdeeldheid en maatschappelijke vooroordeelen predikt. De middeneeuwsche steden hadden hare waarmerken, haar zoogenoemde roelandszuilen en dergelijke;  doch wat zijn ze tegenover gedenkteekenen als deze? Gelukkig land en volk dan ook, dat van uit die gemeente deze beelden voortdurend tot u spreken ziet! Met dien Prins is het kleine Nederland, vóór drie eeuwen, Europa ten voorbeeld geweest, het vooruitschrijdende op den weg der volksvrijheid in staat en kerk; moge 't met dezen wijze thans het niet minder ten voorbeeld wezen op dien der Verstands- en gemoedsveredeling buiten alle kerkbegrippen om! —Zoo kan het op nieuw het sprekend bewijs leveren, dat ook voor landen en volken zedelijke kracht en grootheid niet aan den omvang van Stoffelijke grenzen gebonden, er in zijn blijde werking niet van afhankelijk is.

 

Aanteekeningen bij den Hollandschen text.

1 Grafschrift op B. D. S., in het Bijvoegsel van eenige Gedichten achter zijn Rijmlust (1729):

 

Spouw op dit graf! Hier ligt Spinoza; was zijn leer
Daar ook bedolven, wrocht die stank geen zielpest meer.

 

Hij stelde dergelijke poezy onder de staaltjens van meer verheven trant.

2 Men  herinnere zich de woorden uit zijn Godg. Staatk. Vertoog: in dit bloeyend gemeenebest, in deze voortreffelijke stad (Amsterdam) leven alle menschen en alle volken en gezinten in de hoogste eendracht, enz.

3 Men kent zijn eigen houding bij die gelegenheid, toen zijn huisbaas hem met moeite weerhouden kon, op de ultimi barbarorum los te gaan.

4 Naar Kinkers uitdrukking in zijn Eigenbaat:

Wordt ge voor u zelf niet wijder,
Maar verengt ge u meer en meer,
Van een
doener wordt ge en lijder.

5 Wat Spinoza daaromtrent leerde, werd dezer dagen door Spir op nieuw betoogd: die Einheit und Allgemeinheit unferes Bewußtseins documentiert unfere Verwandt!chaft mit dem allgemeinen wirkenden Princip der Natur, welches jeinerseits nichts anderes als das innere Band selbst ist, das die bewußten Subjecte unter einander verbindet und den Grund der Gefetzmäßigkeit ihrer Wahrnehmungen und ihrer inneren Zustände enthält. Von der Natur und der Einheit des Ich in zijn Drei Grundfragen des Idealismus (Vierteljahrschrift für Wiss. Philosophie, IV S. 387).

6 Ethika IV: Wel te doen en blij te zijn — alleen een droef en benepen bijgeloof zou ons daarvan weerhouden kunnen; of past het ons mindert alle droef geestigheid te bannen, dan onzen honger en dorst te lesschen? Dit is mijne zienswijs en zoo heb ik 't mij aangewend. Hoe blijder wij van gemoed zijn, tot hoe grooter volkomenheid wij geraken. De dingen dus te gebruiken, en er ons zooveel doenlijk in te verblijden — niet tot walgens toe, want dat ware geen genot meer — is het doen van een wijze. Hem past het, zich dor een matig en zoet genot van spijs en drank te verkwikken en te versterken, den geur en’t liefelijk schoon van 't groenend en bloeyend kruid te genieten, en in smaakvollen tooi, in muziek en tooneelspel, in lichaamsbeweging, enz,, waaraan ieder zich zonder nadeel van anderen wijden kan, behagen te scheppen.

7 Zie het aangehaalde in mijn Benedictus de Spinoza, 2e druk, bl. 225.

8 Ald.

9 Ald. bl. 226.

10 Ieder hartstocht is in zoo verre schadelijk, als zij onze denk-, d. i. werkkracht stremt of belet, de werkzame leiding van ons verstand verhindert (Ald. bl. 210).

11 Verg. het daaromtrent aangeteekende, ald. bl. 219, en het bl. 100, aant. 1 opgemerkte, dat de naam God, als persoonsverbeelding van 't oneindige, zich moeilijk — eigentlijk in 't geheel niet — van een persoonlijke voor stelling scheiden laat, en dat het dus beter is, hem niet langer voor het oneindige natuurverband te bezigen. Spir begaat (in zijn anders zoo lezenswaard betoog S. 389) juist omgekeerd de fout, voor dien Band en dat Prinzip der natuur juist weer dien Godsnaam, als het — naar zijn meening — passendste Wort te gebruiken. Het telkens op nieuw tegen Spinoza ingebrachte bezwaar, daß aus dem Einen das Viele niemals begriffen werden kann (Windelband, Die Geschichte der neueren Philosophie usw., Leipzig, 1878, I S. 209), hangt mede met dit naamsgebruik samen, en vervalt zoodra men den Godsnaam door dien van 't oneindige, onuitputtelijke leven vervangt. Verg. daaromtrent nog Levensbode I. bl. 106.

12 Te recht maakt Höffding, in zijn lezenswaard geschrift over Die Grundlage der humanen Ethik (S. 49), de opmerking, dat Spinoza der erste ist, der die Consequenzen des Liebesgebotes gezogen und den Satz praktisch durchgeführt hat, daß die Liebe größer als der Glaube, en hoe daardoor das humane Element des Christenthums von den dasselbe hemmenden Schranken befreit worden.

13  In zijn bekende Brieven over den Godsdienst der Hollanders aangehaald in mijn Bened. de Spinoza, bl. 120.

14 Zie de aangehaalde mededeelingen van een tijdgenoot, ald. bl. 122.

 

Reacties

Heden enige verbeteringen aangebracht en de tekst als PDF op internet gebracht (lukte gelukkig wel weer]

http://blogimages.seniorennet.be/bds/attach/101191.pdf