John Morrison over identiteit en onderscheidbaarheid van lichaam en geest bij Spinoza

Twee maanden terug had ik een blog waarin ik voorstelde: “Let op John Morrison over Spinoza en identiteit”. Hij zou namelijk in Parijs lezingen geven over het Spinoza-onderzoek waar hij momenteel mee bezig is en die lezingen zouden gaan over: "The Status of Essences in Spinoza's Metaphysics" en "Spinoza on Mind, Body, and Numerical Identity." Ik hoopte dat hij, zoals in eerdere gevallen, zijn tekst(en) op zijn website zou publiceren. En zie, gisteren ging ik er weer eens kijken en zag dat hij er aankondigde dat in de komende door Yitzhak Melamed geredigeerde Cambridge Critical Guide to Spinoza’s Ethics [cf. ook dit blog] van zijn hand zou bevatten het hoofdstuk:

"Two puzzles about Thought and Identity in Spinoza"

Die tekst staat er nog niet, maar wel zette hij een PDF online van een draft over "Spinoza on Mind, Body, and Numerical Identity." [Cf. PDF]

Het is een erg lang stuk (54 pagina’s), maar het is een zeer intrigerend stuk over een onderwerp dat mij vaak bezighield en waarover ik recent weer eens een blog had: “De riskante identiteitsthese.”

Hij heeft een volstrekt andere benadering dan ik, maar één ding is duidelijk: hij zoekt helderheid te krijgen in een kwestie die in de Angelsaksische filosofische omgeving kennelijk nogal als paradoxaal wordt ervaren, n.l. dat iets één ding (numeriek identiek) is en tóch nog onderscheidbare kenmerken zou hebben (zoals uiteraard bij Spinoza in 2/7s het geval is). Kennelijk heeft men, zoals ik het in het vorige blog omschreef, een nogal absolute opvatting aangaande de ‘wet’ van de Indiscernibility of Identicals die samen met het omgekeerde ervan, Identity of Indiscernibles, bekend staat als de Wet van Leibniz (cf. Stanford Encyclopedia of Philosophy).

Morisson schrijft in een voetnoot op blz 29: “In the French tradition, scholars often seem to take it for granted that the body and mind are simultaneously different and identical, and they don't seem to regard this as paradoxical. This suggests that they take for granted that Spinoza would reject the Indiscernibility of Identicals.”

Morisson tracht dus greep op de kwestie te krijgen door a) aannemelijk te maken dat voor Spinoza de Indiscernibility of Identicals niet gold daar b) voor hem (net als bij Descartes en in de scholastieke filosofie) de verklaring van de identiteit van iets (gedurende het verloop van tijd met name) gezocht moet worden in de blijvende essentie van dat iets. Voor de scholastici was dat de substantiële vorm (de vorm of de ziel), die het voor Descartes en Spinoza niet meer kon geven. Maar essentie hoe in hun geval dan opgevat?

Een centraal onderwerp is vervolgens de behandeling door Morisson van zijn lezing van Spinoza dat de essentie (anders dan duaal zoals bij Descartes, resp. denken en uitgebreidheid) bij Spinoza één is: het patroon van activiteit (kracht/potentia). Die éne activiteit actualiseert zich, ofwel drukt zich uit op lichamelijk niveau als: beweging (of rust); en op het niveau van de geest als: denken.

En zo, via dit essentiebegrip, is er één identiek ‘zichzelf blijvend’ ding, n.l. één activiteit, die op verschillende wijzen wordt uitgedrukt of geactualiseerd, lichamelijk resp. geestelijk.

Het lezen van het artikel is een hele klus, vraagt een lange adem, maar biedt een interessant uitzicht op nader begrip van Spinoza. En het helpt mogelijk enigszins verklaren, hoewel Morisson daarop niet ingaat, waarom de Spinoza-duiding in de Angelsaksische omgeving op dit punt zo vaak uitglijdt.

________ 

P.S. Hij ontving van de National Endowment for the Humanities, 2012, $50,400 [Funds for a sabbatical in 2014-5. to write a series of connected papers on Spinoza's metaphysics [cf. PDF

 

Reacties

Je stevige reeks De merkwaardige "identiteitsthese" uit 2011 krijgt blijkbaar navolging met aandacht voor John Morrison, boeiend.

De ‘formele distinctie’ was toen je mooie instap en het herlezen deed me deugd. Daarom herhaal ik even het volgende:
“Deze ‘tussen-distinctie’ (tussen de reële en de conceptuele) slaagt alleen maar als er in de realiteit enige basis is voor conceptueel onafhankelijke dingen die in de werkelijkheid niet (numeriek) gescheiden dingen betreffen. Dus als ik onderscheid maak tussen een A-aspect en een B-aspect in een ding, dan is dat alleen maar correct als er in de realiteit een (van het intellect onafhankelijke) reden voor is en waarvan dus de geest of het intellect niet de oorzaak is.”
Zoals je al aangaf zat Deleuze op dit spoor, hij noemt dit het ‘Orgaanloze lichaam’ of de ‘abstracte-machine’ en werkt dit uit in ‘Logique du sens’ waar deze ‘sens’ of ‘zin’ de draaischijf wordt van zijn denken. En een adequaat verstaan van die ‘sens’ of ‘zin’ als een ervaren van die zinservaring is, volgens de fransoos, de opdracht bij Spinoza.

Stan, ‘The Radical Spinoza’ is me door de post gebracht (met een absurde douanetoeslag) en Paul Wienpahl heeft het op blz 59 en 60 ook over de ‘principle of the identity of indiscernibles’. Misschien een idee om samen met Morrison te vergelijken.

Ik heb moeite met deze redenering van Morrison. Essenties van hetzelfde ding beschouwd onder verschillende attributen zijn wel degelijk onderscheidbaar: zie brief 66, waar Spinoza stelt dat de ideeën van een ding in het Oneindig Verstand even veelvuldig zijn als de attributen.

Maar, Mark, waar lees je dat Morrison beweert dat de uitdrukkingen van een essentie van een particulier ding beschouwd onder verschillende attributen niet onderscheidbaar zijn? Hij spreekt dus niet over allemaal 'essenties' van een en hetzelfde ding beschouwd onder verschillende attributen, maar van uitdrukkingen, resp. actualiseringen van de ene essentie van dat particuliere ding.
Het sterke van Morrison vind ik dat hij benadrukt dat het bij individuele eindige dingen om één essentie gaat, nl. een 'eigen' kracht of 'patroon van activiteit' die zich uitdrukt als uitgebreidheid resp. denken van het ding (en dat je het dus niet moet hebben over de essentie van de geest resp. van het lichaam van dat individu - alsof er van twee [resp. oneindig veel] essenties sprake zou zijn). Hij is dus duidelijk geen volgeling van Gueroult en dat vind ik heel aantrekkelijk aan zijn benadering.

@Ed, ik ga zeker eens naar de passage in Wienpahl die je noemt. Ben nieuwsgierig, maar heb eerst nog andere dingen voor de boeg.

Douanetoeslag? Op een tweedehands boek? In wat voor land leef jij? Of in wat voor tijd verkeert jouw land?

Stan,
50 dollar voor het boek, 23 dollar verzendingskosten van Amerika en een extra toeslag van douaneformaliteiten 21 euro.
Dus ik lees elke regel drie keer!

Behoorlijk prijzig, Ed, maar het boek is het volgens mij waard.

Een verhelderend artikel dat voor mij vooral interessant is vanaf par. 3, "Identity Across Attributes". Vooral verhelderend omdat hij duidelijk maakt hoe dingen identiek en toch verschillend kunnen zijn, tenminste als je 'identiek' niet opvat als 'indiscernable'. Hij noemt dingen 'numeriek identiek' als ze dezelfde essentie hebben. Lichaam en geest zijn 'numeriek identiek' omdat ze dezelfde essentie uitdrukken of actualiseren. Ze zijn dus dezelfde essentie. In die zin zijn lichaam en geest hetzelfde of identiek (en waarschijnlijk mag je 'ding' zelfs weglaten, zoals veel auteurs doen. Daar zouden Stan en ik het eerder niet mee eens zijn geweest). Ze zijn hetzelfde in WAT ze uitdrukken en verschillend in HOE ze het uitdrukken. In 'essentiële' zin zijn ze hetzelfde. De verschijningsvorm, de uitdrukkingsvorm, het 'hoe' is verschillend. Er is dus bij Spinoza geen 'indiscernability of identicals'. Mooi ook hoe hij laat zien dat verschillende relevante passages in Spinoza zich laten voegen naar deze interpretatie.

Onderdeel is ook dat lichaam en geest geen 'eigen essentie' hebben, dat alleen de mens een essentie heeft (zoals in 2/10). Dat moet ik nog verzoenen met Spinoza's uitspraak over 'God, voor zover hij de essentie (of, zoals hij ook zegt, de natuur) van de menselijke geest constitueert' (2/11c).

Eens met wat je er als interessant uithaalt, Henk. En naast dat deze uitleg nog wel in het reine moet komen met wat jij citeert uit 2/11c, is dat ook het geval met 5/22: "In God bestaat er echter noodzakelijk een idee dat het wezen van een individueel menselijk lichaam onder het aspect van eeuwigheid tot uitdrukking brengt."

Het is denk ik de moeite waard om eens precies na te gaan wat hij over 'essentie' schrijft, het is de hoeksteen van zijn interpretatie.

Dat kwam ook bij mij op. Misschien wordt dezelfde John Morrison daar behulpzaam bij. Hij heeft 'in progress': "The Status of Essences in Spinoza's Metaphysics". Hopelijk zet hij dat t.z.t. ook op zijn website. Het zou mij niks verbazen als je bij Spinoza een 'essentie' in strikte of eigenlijke zin en één in ruimere of afgeleide zin zou kunnen ontwaren. Onder die laatste zou dan ook hetgeen hij lijkt te stellen over 'soort essentie' kunnen vallen.