Kropís Spinoza-boek niet genoeg te prijzen

Voor ik zelf toe was aan mijn bespreking van het gigantische boek van Henri Krop, Spinoza. Een paradoxale icoon van Nederland (Bert Bakker, Amsterdam 2014), vroeg ik een aantal bezoekers van dit blog of ook zij hun leeservaring zouden willen geven. Dat deed tot nu toe alleen Siebe Thissen van wie ik op 3 mei 2014 “Het raadsel Spinoza” kon plaatsen.

Na geruime tijd bracht ik eind juni en begin juli mijn leeservaring in vier blogs [I, II, III, IV]. Waarom ik daarvoor wat tijd nodig had, heb ik in het eerste blog toegelicht.
Ik had echter om ook andere leeservaringen gevraagd, niet alleen om andere invalshoeken te krijgen, maar vooral ook om gedurende een langere periode de aandacht op dat boek gevestigd te houden. Ik vond dat het boek veel aandacht waard is. Tot mijn spijt moet ik constateren dat die andere besprekingen niet meer gekomen zijn (maar misschien zit er ergens nog iets in het vat). Ik vraag me af of het intussen al ergens in een wetenschappelijk blad besproken is. Zou het kunnen zijn dat tijdschriften als De Zeventiende Eeuw, De Achttiende Eeuw, De Negentiende Eeuw misschien vinden dat het boek teveel eeuwen beslaat en te weinig alleen over “hun eigen eeuw” gaat?

Inmiddels ben ik weer aan herlezing begonnen en heb ik de eerste drie hoofdstukken, bijna een derde deel van het boek, weer verslonden. Weer ervaar ik grote bewondering voor de grote specialistische deskundigheid, gepaard aan brede eruditie waarmee het boek geschreven is. Een genot om mee te maken: zoveel informatie en breed inzicht draagt Krop aan.
Zijn behandeling van Reinier van Mansvelt, Pierre Bayle en Christoph Wittich (Wittichius) is werkelijk fenomenaal. Je leert er, door de begrippen en kaders van waaruit deze personen Spinoza behandelden (vanuit cartesianisme, of laatscholastiek) veel over de context die het velen moeilijk maakte het scheppen van nieuwe inhoud in oude begrippen door Spinoza te doorzien, laat staan te accepteren.

Nog eens wil ik ingaan op een veelzeggende zin, die ik in een eerdere bespreking al aanhaalde om vast te stellen dat Krop zich niet als spinozist, maar als historicus wilde profileren. Nadat hij op p. 208 enige kritiek op Bayle’s kritiek op Spinoza’s substantieleer had vermeld (zoals ‘oppervlakkig’ en ‘getuigend van een totaal onbegrip van zijn filosofie’) schrijft hij: “Zo’n hard vonnis mag misschien een spinozist vellen, maar niet de historicus, die liever zoekt te begrijpen dan dat hij wil veroordelen.”

Is dit niet een indirecte beschuldiging dat spinozisten (soms?) weinig gemeen hebben met Spinoza zelf, die immers juist op meerdere plaatsen aangaf dat hij liever wilde begrijpen dan veroordelen? Het meest pregnant in het Politiek traktaat, Hfst. I, § 4: “Sedulo curavi humanas actiones non ridere non lugere neque detestari sed intelligere” [Ik heb er altijd met zorg naar gestreefd de menselijke handelingen niet te bespotten, niet te betreuren noch te verachten, maar te begrijpen.].

Kortom, Krop doet in zijn boek à la de grote Spinoza zelf. Waarvan akte.