Liber viginti quattuor philosophorum

Vorige week was ik in Aken en schafte me daar dit boekje aan – wat ik nooit gedaan zou hebben als ik niet zo met Spinoza bezig was.

Was ist Gott? Das Buch der 24 Philosophen. [Übersetzt und kommentiert von Kurt Flasch. Beck, 2011] is een vertaling van en toelichting op een Middeleeuws manuscript dat gedateerd wordt tussen 1150 en 1200, maar dat vroeger wel toegeschreven werd aan Hermes Trismegistos. Het was een tijd van heropleving van metafysica; filosofen en theologen gingen zich weer erg bezighouden met het Ene en het vele. Zo ook deze onbekende auteur. Hij stelt het voor alsof Gods-definities van 24 filosofen verzameld werden, maar waarschijnlijk is de tekst van één hand of hebben er hooguit enigen aan meegewerkt.  

Het zijn 24 enigmatische, gemengd poëtische en filosofische omschrijvingen, die in de loop der tijd velen hebben geïntrigeerd, filosofen zoals Alexandre Koyré en literatoren zoals Jorge Luis Borges, die zich vooral door de IIe definitie aangesproken voelde: “God is de oneindige bol waarvan het middelpunt overal en de omtrek nergens is.” Waarschijnlijk door de oorspronkelijke auteur, maar mogelijk door een latere commentator zijn er aan de Godsdefiniëringen korte toelichtingen toegevoegd. Die laat ik hier buiten beschouwing.

Hieronder geef ik de 24 omschrijvingen, definities of stellingen (hoe men het noemen wil) met een vertaling:

 

Liber viginti quattuor philosophorum Het boek van de vierentwintig filosofen
I

 

DEUS EST MONAS MONADEM GIGNENS IN SE UNUM REFLECTENS ARDOREM.

God is de eenheid die een eenheid voortbrengt in één naar zich terugbuigend liefdesvuur.

 

II

 

DEUS EST SPHAERA INFINITA CUIUS CENTRUM EST UBIQUE, CIRCUMFERENTIA NUSQUAM.

God is de oneindige bol waarvan het middelpunt overal en de omtrek nergens is.

 

III

 

DEUS EST TOTUS IN QUOLIBET SUI.

God is helemaal in al wat van hem is.

 

IV

 

DEUS EST MENS ORATIONEM GENERANS, CONTINUATIONEM PERSEVERANS.

God is geest die een woord voortbrengt en daarbij de continuïteit bewaart.

 

V

 

DEUS EST QUO NIHIL MELIUS EXCOGITARI POTEST.

God is dat waarboven niets beters gedacht kan worden.

 

VI

 

DEUS EST CUIUS COMPARATIONE SUBSTANTIA EST ACCIDENS, ET ACCIDENS NIHIL

God is dat, in vergelijking waarmee ieder ding slechts een eigenschap en een eigenschap niets is.

 

VII

 

DEUS EST PRINCIPIUM SINE PRINCIPIO, PROCESSUS SINE VARIATIONE, FINIS SINE FINE.

God is oorzaak zonder oorzaak, proces zonder verandering, doel zonder doel.

 

VIII

 

DEUS EST AMOR QUI PLUS HABITUS MAGIS LATET.

God is de liefde die hoe meer hij eigenschap is, des te meer verborgen blijft

 

IX

 

DEUS EST CUI SOLI PRAESENS EST QUICQUID CUIUS TEMPORIS EST.

God is voor wie alleen alles tegenwoordig is wat aan tijd onderhevig is.

 

X

 

DEUS EST CUIUS POSSE NON NUMERATUR, CUIUS ESSE NON CLAUDITUR, CUIUS BONITAS NON TERMINATUR.  

God is wiens kunnen niet geteld, wiens zijn niet ingesloten, wiens goedheid niet begrensd wordt.

 

XI

 

DEUS EST SUPER ENS, NECESSE, SOLUS SIBI ABUNDANTER, SUFFICIENTER

God is boven het zijn, noodzakelijk, als enige in overvloedige mate zichzelf genoeg.

 

XII

 

DEUS EST CUIUS VOLUNTAS DEIFICAE ET POTENTIAE ET SAPIENTIAE ADAEQUATUR.

God is wiens wil aan zijn godgemaaktheid, macht en wijsheid gelijk is.

 

XIII

 

DEUS EST SEMPITERNITAS AGENS IN SE, SINE DIVISIONE ET HABITU.

God is de in zichzelf werkzame eeuwigheid, zonder opdeling of eigenschap.

 

XIV

 

DEUS EST OPPOSITIO NIHIL MEDIATIONE ENTIS.

God is het tegenovergestelde van het niets door middel van het zijn.

 

XV

 

DEUS EST VITA CUIUS VIA IN FORMAM EST VERITAS, IN UNITATEM BONITAS.

God is het leven waarvan de weg naar vorm waarheid en naar eenheid goedheid is.

 

XVI

 

DEUS EST QUOD SOLUM VOCES NON SIGNIFICANT PROPTER EXCELLENTIAM, NEC MENTES INTELLIGUNT PROPTER DISSIMILITUDINEM.

God is het enige dat vanwege zijn uitmuntendheid niet met woorden omschreven kan worden en dat vanwege zijn onvergelijkbaarheid ook geestwezens niet herkennen

 

XVII

 

DEUS EST INTELLECTUS SUI SOLUM, PRAEDICATIONEM NON RECIPIENS.

God is het enige zelfbegrip dat geen predicaat toelaat.

 

XVIII

 

DEUS EST SPHAERA CUIUS TOT SUNT CIRCUMFERENTIAE QUOT PUNCTA.

God is de bol die evenveel omtrekken als punten heeft.

 

XIX

 

DEUS EST SEMPER MOVENS IMMOBILIS.

God is het altijd bewegende onbeweeglijke.

 

XX

 

DEUS EST QUI SOLUS SUI INTELLECTU VIVIT.

God is de enige die zelfbegrepen leeft.

 

XXI

 

DEUS EST TENEBRA IN ANIMA POST OMNEM LUCEM RELICTA.

God is de na al het licht in de ziel achtergebleven duisternis.

 

XXII

 

DEUS EST EX QUO EST QUICQUID EST NON PARTITIONE, PER QUEM EST NON VARIATIONE, IN QUO EST QUOD EST NON COMMIXTIONE.

God is waaruit alles is wat er is, zonder dat hij opgedeeld wordt, door wie het is, zonder dat hij verandert, in wie is wat er is, zonder dat hij ermee vermengd wordt.

 

XXIII

 

DEUS EST QUI SOLA IGNORANTIA MENTE COGNOSCITUR.

God is die door de geest alleen in niet-weten wordt gekend.

 

XXIV

 

DEUS EST LUX QUAE FRACTIONE NON CLARESCIT, TRANSIT, SED SOLA DEIFORMITAS IN RE.

God is licht dat ongebroken schijnt, doorkomt, maar alleen als godvormigheid in de dingen verschijnt.

 

Vertaald met gebruikmaking van vertalingen van Kurt Flash (Duits), Christiane Schima (Nederlands) en een Spaanse vertaling

De tekst vangt aan met deze korte proloog:

Prologus
Congregatis viginti quatuor philosophis, solum eis in quaestione remansit: quid est Deus? Qui communi consilio datis indutiis et tempore iterum conveniendi statuto, singuli de Deo proprias proponerent proponerent propositiones sub definitione, ut ex propriis definitionibus excerptum certum aliquid de Deo communi assensu statuerent.

Vierentwintig filosofen waren eens bijeen, waarbij één vraag hen bezighield: Wat is God? Ze besloten na gemeen overleg om zich wat bedenktijd te gunnen en stelden een datum vast waarop ze nog eenmaal bij elkaar zouden komen. Dan zou ieder zijn eigen verklaring over God voorleggen en wel in de vorm van een definitie, om dan uit de verschillende definities iets met zekerheid over God met algemene overeenstemming te kunnen vaststellen.

Het is in deze tekst alleen gebleven bij de opsomming van de verschillende definities. Van dat laatste, het bereiken van één in gezamenlijke consensus overeengekomen slotdefinitie is het niet meer gekomen.

Spinoza
Het is niet waarschijnlijk dat Spinoza deze tekst gekend heeft, maar aangetoond is wel dat hij een brede en eeuwenlange werking had. Er zitten duidelijk Spinozistische elementen in: ik wijs op de VIe omschrijving die vooruit lijkt te lopen op Spinoza’s enige Substantie. Maar ook op III en VII (cf de Causa sui). Het bijna pantheïstische van III, God is in elk punt ondeelbaar aanwezig. En niet te vergeten de docta ignorantia van XVI, XVII en XXIII, die bij Spinoza hun uitdrukking vinden in het feit dat we niet alle attributen en nooit alle oorzaken kennen, ook al geldt wel dat hoe meer we dingen zullen kennen, des te meer we God kunnen kennen.

Ik stel mij voor dat Spinoza, precies een half millennium later, in 1675 tot die ene definitie kwam (waarbij ik definitie 6 en stelling 11 ineenschuif; alleen wat bestaat kun je definiëren).

 

Deus est ens absolute infinitum, hoc est, substantia, necessario existens, constantem infinitis attributis, quorum unumquodque aeternam, et infinitam essentiam exprimit.

God is het volstrekt oneindige zijnde, dat wil zeggen, de noodzakelijk bestaande substantie die uit oneindige attributen bestaat, waarvan elk een eeuwige en oneindige essentie tot uitdrukking brengt.

 

Deze definitie wordt verder uitgewerkt in o.a.:

 

Praeter Deum nulla dari, neque concipi potest substantia (I propositie 14)
Buiten God kan er geen substantie bestaan of gedacht worden.

 

Quidquid est, in Deo est, et nihil sine Deo esse, neque concipi potest. (I propositie 15)
Alles wat is, is in God, en niets kan zonder God bestaan of gedacht worden.

 

Dei potentia est ipsa ipsius essentia (I propositie 34)
Gods macht is zijn eigenste wezen.

 

Deus est actuosa essentia (II , propositie 3, scholium)
God is het werkende wezen.