Lodewijk Meijer (1629 - 1681) - belangrijk vriend van Spinoza (schreef zijn naam 'Meijer', niet 'Meyer')

Lodewijk Meijer was arts te Amsterdam, wijsgeer, lexicograaf, toneelschrijver, toneelcriticus, regent van de Amsterdamse schouwburg en een der oprichters van het kunstgenootschap Nil volentibus arduum (niets is onmogelijk voor wie willen).

Waarschijnlijk, volgens Israel, was hij de schrijver van het anoniem gepubliceerde De jure ecclesiasticorum (1665), een scherpe aanval op de status en macht van de kerk. Hij publiceerde in 1666 anoniem een Latijns werk over de wijsbegeerte als vertolker der H. Schrift (Philosophia S. Scripturae interpres) dat hij uit voorzichtigheid enige jaren op de plank had laten liggen. Hij was een rationalist: de rede moest heersen over het geloof, maar ook over de dichtkunst. In 1669 werd hij, zoals gezegd, medeoprichter van het dichtgenootschap Nil Volentibus Arduum, dat het verstandelijke element in de poëzie vooropstelde. Hij ging tot deze oprichting over nadat zijn tegenstander M. Joan Blasius, vertegenwoordiger van de romantische richting, in plaats van hem tot regent van de Amsterdamse schouwburg benoemd was.

Toneelstukken die Meijer schreef: De loogenaar (1658, een vertaling van Corneilles Menteur uit 1644, zie hier), Het Ghulde Vlies (1667), treurspel naar Corneille en het 'stuk met met kunst- en vliegwerk' De Verloofde Koninksbruidt (1668, zie hier), dat van verschillende kanten aangevallen werd en Meijer tot een verdediging noopte. Bij de heroprichting in 1677 (er was sinds 1672 niet meer gespeeld) werd Meijer weer regent van de Amsterdamse Schouwburg. In 1654 gaf Lodewijk Meijer het woordenboek Woordenschat uit (met bastaard-, kunst- en verouderde woorden). Deze Woordenschat van Meijer was een bewerking van een dergelijk boek uit 1650. Hij voegde er vele woorden en woordverklaringen aan toe; het werk is vele malen herdrukt. De 9e druk uit 1731 is in z’n geheel op books.google te raadplegen en te downloaden.

Hij redigeerde voor Spinoza de publicatie van zijn Renati Des Cartes principiorum philosophiae & Cogitata metaphysica (1663), waarvoor hij het belangrijke voorwoord schreef. De brief waarin Spinoza aan Lodewijk Meijer aanwijzingen geeft voor het gereed maken van de tekst van dat boek, bevindt zich in de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.

      Spinoza, Brief 12A aan Lodewijk Meyer (facsimile), Voorburg, 26 juli 1663 [uitgegeven door A.K. Offenberg. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, 1975] 

En voor spinozisten is waarschijnlijk wel het belangrijkste: in 1677 gaf hij samen met Jarig Jelles het nagelaten werk van Spinoza uit. Als vooral Jelles en Meijer zich daarvoor niet hadden ingespannen, hadden we misschien niet over de Ethica kunnen beschikken.

Er is veel over Lodewijk Meijer geschreven. Het hoofdstuk over hem in het boek van Wim Klever, Mannen rond Spinoza (1650-1700), vind ik een van de mooiste teksten in dat boek. De bewondering voor Meijers rationele hermeneutiek en de door hem ontwikkelde taalkunde spat er vanaf. Hij, Klever die 'Meyer' spelt, is “mateloos  onder de indruk van deze geniale Meyeriaanse taalkunde, die ik zo schitterend, zo helder en zo onaantastbaar en onweerlegbaar acht, dat ik er eigenlijk niets aan toe te lichten of toe te voegen heb”.

Veel over Meijer en zijn relatie met de vrienden van de Spinoza-kring is te vinden in het proefschrift van Ike van Hardeveld, Lodewijk Meijer (1629 - 1681) als lexicograaf (Proefschrift Universiteit Leiden, 2000) dat integraal als pdf-bestand op internet te vinden is.

Ik heb daar in dit blog niets aan toe te voegen. Blijft voor mij nog één aandachtspuntje dat ik niet onbelangrijk acht:

Hoe zijn naam te spellen?

Je ziet door elkaar Meijer en Meyer. Dat luisterde in de XVIIe eeuw niet nauw. Maar voor taalpurist Meijer zelf waarschijnlijk wel. Paul Wienpahl, over wie ik onlangs dit en dit blog had, schrijft in The Radical Spinoza: "Orthography and lexicography were his specialties. (Copies of his signature show that he always insisted that his name was spelled "Meijer," when in Holland "ij" and "y" were used indiscriminately.)" [p. 53] Ik vind het opmerkelijk dat een Amerikaan, die zich kennelijk ook aan studie van het Nederlands heeft gewaagd, zich hier zo zorgvuldig in toont.

Deze notitie van deze Amerikaan uit 1979 ondervindt steun bij Ike van Hardeveld. Zij verklaart in een voetnoot (9) op bladzijde 18 van haar dissertatie:

“Dat in deze studie de naam 'Meijer' steeds is gespeld met 'ij', is een bewuste keuze voor de vorm waarmee Meijer in 1655 eigenhandig élk exemplaar zou signeren van De christlijke ghódt-ghe-leertheidt, Kóks vertaling die hij voltooide. Ook zijn ondertrouwakte ondertekende hij in 1661 met 'Luidewijk Meijer'. De spelling lag in zijn tijd niet vast en de keuze voor wel of geen puntjes op de 'ij' was meer persoonlijk dan belangrijk.”

Als bekend is hoe de betrokkene er zelf tegenover stond dan vind ik dat wij ons daaraan uit respect dienen te houden. Zeker bij een taalpurist als Meijer was. Hij heeft in zijn Woordenschat vele voorstellen gedaan voor Nederlandse equivalenten van vreemde woorden.

Ik stel dus voor dat we de naam van de hoofdpersoon van dit blog voortaan altijd zo spellen: Lodewijk Meijer.

Dat geldt voor mij ook voor hoe we Spinoza noemen. Joden die over hem schrijven en de meeste auteurs uit de Angelsaksische wereld noemen hem 'harnekkig' Baruch, Maar na zijn ban ondertekende Spinoza zijn brieven Benedictus (of B.) de Spinoza.

 

 

Bronnen

Ike van Hardeveld, Lodewijk Meijer (1629 - 1681) als lexicograaf. Proefschrift Universiteit Leiden, 2000.  [naar PDF]

Hardeveld, Ike van: Het WNT en Meijers Woorden-Schat (2002, novembernr). In: het lexicografische tijdschrift Trefwoord, eerder uitgegeven door Sdu Uitgevers / Standaard Uitgeverij. PDF

Lodewijk Meijers toneelstuk Verloofde koninksbruidt bij DBNL

Over L. Meijers toneelactiviteiten uitgebreid in: Johannes W. H. Konst, Fortuna, Fatum en Providentia Dei in de Nederlandse tragedie, 1600-1720. Uitgeverij Verloren, 2003 [zie books.google)

Op de site van Frank Mertens over Franciscus van den Enden is het sonnet te vinden van Lodewijk Meijer: “Op het spelen van MEDEA, vertoont door de Jonkheidt, staande onder ’t beleidt van den Heer Franciscus van den Enden, der Medicynen Doctor, waar in zyn Dochterkens, Adriana Clementia voor Medea, en Maria Anna voor Creüsa speelden, in Grasmaandt 1664”, Amsterdam. PDF

Auteurspagina bij DBNL over Lodewijk Meijer (daar als Meyer), maar op een andere pagina (geschreven door Ike van Hardeveld in het Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek )
uiteraard weer: Meijer
 

Wiki spelt Meyer. Er is waarschijnlijk niets aan te doen...

W. Meijer: DR. SCHULLER EN B. DE SPINOZA. In: De Navorscher, 1897: 605-608 PDF

 

Voorkant 

 

Wim Klever, Mannen rond Spinoza (1650-1700) is in te zien bij books.google. Het hoofdstuk over Meijer wordt voor een groot deel getoond:

 

 

 

 

 

Reacties

Nu je, Stan, zo'n informatieve en sympathieke, ook uitgebreide blog wijdt aan Lodewijk Meijer [aan mijn spelling kun je zien dat ik mij heb laten overtuigen], kan ik niet nalaten om een belangrijke aanvulling te geven op je bibliografie. Dat betreft de twee kapitale delen van Roberto Bordoli's studie over Meijer. Dit is waarlijk een standaardwerk over Meijer en de vele heftige polemieken rondom zijn hoofdwerk PHILOSOPHIA S. SCRIPTURAE INTERPRES, dat alle andere studies overtreft en overbodig maakt. Het eerste deel heet: "Ragione e Scrittura tra Descartes e Spinoza. Saggio sulla 'Philosophia S. Scripturae Interpres' di Lodewijk Meyer e sulla sua recezione" en verscheen in 1997 bij Franco Angeli in Milaan. Het tweede deel heet "Etica Arte Scienza tra Descartes e Spinoza. Lodewijk Meyer (1629-1681) e l'associazione Nil Volentibus Arduum" en verscheen bij dezelfde uitgever in 2001. Tesamen 584 pagina's, ons vriendelijk aangereikt door een voortreffelijke Italiaanse onderzoeker. - Ik hecht er aan om de aandacht op deze twee boeken te vestigen, waar juist in Nederland (Van Bunge) in naieve na/aping van Frankrijk (Lagree en Moreau) Meijer ten onrechte tegenover Spinoza wordt gesteld en als gevolg daarvan ten zeerste ondergewaardeerd wordt.

Wim, dat ik je heb mogen overtuigen wat de spelling van Meijers naam betreft, doet me deugd. De kwestie die jij zelf aan de orde stelt, de grote mate van overeenkomst in benadering en interpretatie van de Schrift, is uiteraard inhoudelijker en belangrijker. Bedankt dus voor je aanvulling van literatuur die vanwege het Italiaans voor velen (waaronder ik) ontoegankelijk is.

De auteur van De jure ecclesiasticorum is Lucius Antistius Constans (pseudoniem van Pieter de La Court). Dit is al jaren (eeuwen?) bekend. De fout komt uit de oude alfabetische kaartcatalogus van de UB Amsterdam, waar het pseudoniem Constans ten onrechte werd toegeschreven aan Lodewijk Meijer (ja, met ij; ook ik heb mij aan de y bezondigd). De fout is in de online catalogus inmiddels hersteld met de zuinige toevoeging: "ook wel toegeschreven aan Benedictus Spinoza en Lodewijk Meyer [sic]". Israel heeft dus de oude catalogus gebruikt.

@ Anton Bossers. Bedankt voor deze informatie. Googlen op Lucius Antistius Constans leert dat de Koninklijke Bibliotheek (nog?) vermeldt: Lucius Antistius Constans is pseud. - Toegeschreven aan zowel Spinoza als Pieter de la Court.
Willem Frijhoff en Marijke Spies houden zich in '1650. Bevochten eendracht' [Sdu Uitgevers, Den Haag, 2e dr. 2000] op de vlakte en spreken over de auteur die zich schuilhield onder Constans, Lucius Antistius, [De Iure Ecclesiasticorum liber singularis. Amsterdam (?) 1665] en behandelen dit tussen werk van de De la Courts.
Ik ben benieuwd wie definitief heeft aangetoond dat het pseudoniem van Pieter de la Court is.

De toeschrijving komt via Van der Linde (1871), noot bij nr 54, van Leibniz, die suggereert het zelf gehoord te hebben toen hij zowel De La Court als Spinoza op zijn reis door Holland had ontmoet. Thijssen-Schoute en Gebhardt geloven er op hun beurt weer niet in. Waar het echter in deze context (Lodewijk Meijer) om gaat, zie: "Lucii Antistii Constantis De Jure Ecclesiasticorum Liber Singularis (1665) ten onrechte toegeschreven aan Lodewijk Meyer en aan Spinoza" (C.L. Thijssen-Schoute, Nederlands Cartesianisme, 1954, pp. 393-394, par. 230)