Louis Hoyack (1893-1967) schreef 'Spinoza als uitgangspunt' [3]

Na de introductie van mijn "ontdekking" van Hoyacks Spinoza-boek (in blog 1), beschrijving van Hoyacks biografie en werk, voor zover ik daarover gegevens kon vinden (blog 2), wordt het nu tijd om van mijn leeservaring met dit boekje te vertellen. Ik hoop dat ik enigszins geloofwaardig mijn enthousiasme over kan brengen voor een boekje over Spinoza's filosofie, waar tegelijk zoveel in staat waar ik het niet mee eens kan zijn. Maar om een of andere reden deert dat hier niet.

Dat heeft denk ik vooral met twee dingen te maken. Bovenaan staat dat uit alles blijkt dat we hier een schrijver hebben die zich intensief, langdurig, serieus en met liefde met Spinoza heeft bezig gehouden. Hoyack ziet Spinoza als een filosoof die hij als fundamenteel en ook voor heden nog als bruikbaar erkent, zeker als je zijn leer wat bijstelt en 'doorontwikkelt'- daar kom ik nog op.
De tweede verklaring zit in de manier waarop de auteur over Spinoza's werkelijkheidsbenadering schrijft: heel nuchter en rationeel. Zijn bevlogenheid is er, maar hij dringt zijn eigen oosters geïnspireerde, esoterische benadering niet op - geeft alleen hier en daar aan dat zij die kunnen geloven in het bestaan van 'ijlstoffige', 'astrale' lichamen, het makkelijker hebben om dat toe te passen en zo bepaalde zaken bij Spinoza beter begrijpen. Ik sta verbaasd van mezelf dat ik, die niets moet hebben van alles wat naar 'esoterie' zweemt, die dat alles als gezwam en gezweef afdoe, in dit geval geen enkele moeite ermee heb deze auteur tot het eind toe te lezen, geboeid te blijven lezen. En dat heeft alles te maken met de vreugde en blijdschap die ik ervaar hier een schrijver mee te maken die zó "in Spinoza" is - zo thuis is in het werk van onze filosoof, en daar met kennelijk groot gemak over schrijft.

Het lijkt mij geen boekje dat je een beginneling meteen zou aanraden. Iemand die zelf nog nooit iets van Spinoza gelezen heeft, wordt hier misschien overweldigd en zou wellicht moeite hebben meteen te begrijpen waar dit allemaal over gaat. Want Hoyack begint meteen met zich met Spinoza te verstaan en diens leer op zijn manier bij te stellen, te vervolmaken als het ware. Eigenlijk schrijft hij voor Spinozisten.

De opzet van zijn boekje is om te laten zien hoe de filosofie van Spinoza de basis, het fundament vormt van zijn eigen denken: een manier van filosoferen die onderbouwing én eenheid brengt aan zijn werk. Die had hij uit zichzelf niet en ook niet gevonden bij Inayat Khan met wie hij zich ook veel heeft bezig gehouden. Vandaar deze titel: Spinoza als uitgangspunt. Hij blijft niet bij Spinoza en de 17e eeuw staan, maar bouwt op Spinoza's inzichten verder. En niet alleen op de rijpe Spinoza! Soms komt hem het werk van de jonge Spinoza, de KV en de PPC, beter uit - de Spinoza die nog dichter bij Descartes staat.

Hier en daar betrapt hij Spinoza op wat hij ziet als een inconsequentie, maar vaak komt het hem dan goed uit om de weg wat te verleggen. Enige malen lees je dat hij "Spinoza's inconsequenties tot het vruchtbaarste van zijn systeem ziet" (o.a. p. 40, p, 104 en meer). Zo schrijft hij op pagina 133: "Spinoza's systeem is niet de rok zonder naad, waarvoor het door velen gehouden is. En ik zou eraan willen toevoegen: tant mieux voor het nageslacht." Hij ziet diverse "rudimentair gebleven ideeën van de meester." (p. 55) Of "wij constateren opnieuw dat Spinoza zelf niet alles uit zijn eigen systeem gehaald heeft wat er impliciet nog in zit." (p. 64) Bijvoorbeeld 'leven' dat Hoyack als 'derde attribuut' voorstelt. "Want even onvermijdelijk als het is om eerst terug te keren tot en weer uit te gaan van Spinoza, even noodlottig zou het zijn - en dat geldt over de hele linie - om bij hem te blijven stilstaan." (p. 71) Ik denk dat dat juist een van de aantrekkelijkheden van dit boekje is, dat hier een auteur aan het werk is die dat probeert. Dat zou een derde motief zijn, waardoor dit boekje zo aantrekkelijk is. En ook al kun je hem niet in alles volgen: hoe hij dat 'verbeteren' probeert, is aantrekkelijk en hier en daar aanstekelijk. Want zijn analyse van 'open plaatsen' of van nadere, verdere ontwikkelingsmogelijk-heden bij Spinoza is boeiend.

God de Conatus (met een hoofdletter 'C')
Laat ik na dit alles eens wat inhoudelijker worden. Door heel het boekje heen staat bij Hoyack de conatus (sese perseverandi) centraal. Daarop valt hij telkens terug als op een belangrijke kern bij Spinoza. Hij heeft heel goed begrepen dat de macht om te bestaan en om in z'n bestaan te volharden van alle dingen, uiteraard ook de mens, stamt van God als ene Substantie. 1/34, Gods essentie is zijn macht, en het actu zijn, de actuosa essendi, vat hij dan samen in het poneren van de Conatus van God, die oorsprong en permanente voorziening is van alle conatus der eindige zaken. En hoewel je Spinoza dat nooit hoort zeggen, want God of de ene Substantie kent geen streven, want ontbeert niets, verandert niet; maar is wél dynamisch, handelend, één en al activiteit. En als je dat eigen-aardige maar blijft beseffen, en ook Hoyack maakt dat duidelijk, is er eigenlijk niets op tegen om met die typering van de grote Conatus mee te gaan, waarvan de afhankelijkheid van alle zijnden en hun conatus, goed mee over het voetlicht komt. "Wie ernst maakt met de gedachte, dat 's mensen conatus is Dei ipsissimus Conatus... etc (p. 103/104) het helpt hem zeer sterk spinozistische dingen duidelijk te maken.

Hiermee sterk samenhangend is het goede gebruik dat hij weet te maken van het onderscheid tussen de causale verhouding tussen de dingen (de horizontale causaliteit) en de verticale causaliteit "die feitelijk voor ons een mysterie blijft." (p. 10).

Idea Dei ("Gods bewustzijn")
Maar soms gaat hij in mijn ogen wel enigszins over de spinozistische schreef. Bijvoorbeeld waar hij de Idea Dei aan het verkeerde niveau toekent: als het begeleidende bewustzijn van de Substantie God. Ik kan hem heel goed volgen waar hij na vele argumenten die God boven de natura naturata doet uitstijgen, stelt dat Spinoza's God niet restloos opgaat in de 'geschapen' dingen en dat hij schrijft: "dat de God van Spinoza theïstischer te denken is, dan velen gemeend hebben dat het geval was." (p. 9) Maar hij gaat daarin soms wel te ver, wanneer er zekere antropomorfe suggesties meekomen, bijvoorbeeld waar hij op p. 106 schrijft: "We mogen ons de God van Spinoza dus als een ziend zijn denken, d.w.z. een existens en agens, dat ook voortdurend weet in te grijpen en te reguleren, ter meerdere handhaving van zichzelf." Daar heeft hij, via zijn derde attribuut (leven) zich God toch teveel als een kosmisch levend wezen gedacht, menend daar nog steeds binnen het spinozisme te verblijven. Met het grootste gemak kent hij God of de Substantie bewustzijn toe en hij ziet dat Idea Dei als dat zelfbewustzijn van de Substantie en kennelijk niet als de onmiddellijke oneindige modus van het attribuut cogitatio. Zo heeft hij zichzelf ertoe verleid om op p. 104 niet op te pakken dat "Quare Dei intellectus, quatenus Dei essentiam constituere concipitur, est revera causa rerum etc." [1/17s] dat Spinoza daar juist ingaat tegen de opvatting dat Gods intellect tot zijn wezen behoort. Hij let niet op het 'revera' en verschuift de Idea Dei als het ware naar een te hoog niveau.

'Theomaterialisme'
Maar sterk vind ik hem dan weer wel, door heel het boekje heen, dat hij benadrukt hoe bij Spinoza het mentale, geestelijke altijd, zoals hij het noemt 'concomittant' is: eerst is er het lichamelijke, het materiële (in bredere zin) en het kennen of het bewustzijn (de ideeën) zijn daarbij het begeleidend verschijnsel. Om dat uit te drukken muntte hij de term 'theomaterialisme'. Met die term  geeft hij te kennen, dat het attribuut 'uitgebreidheid' of materialiteit het ontologische accent draagt en rechtstreekser dan het attribuut 'denken' of  'bewustzijn', God uitdrukt.
Het attribuut 'cogitatio' speelt naar zijn mening in het spinozisme een 'secondantenrol'.
Zonder lichaam nooit geest. Alleen kan het lichamelijke bij hem een tot aan een bijna onstoffelijke verdunning toe gedacht worden.

Hylisch pluralisme
Door heel het boekje heen speelt de notie van het 'hylisch pluralisme' en daarbinnen een bestaan van 'ijlere stof' dan de gewone 'grove' materie zoals we die dagelijks ervaren. Hoyack acht het bestaan mogelijk en passen binnen Spinoza's extensie-attribuut van een ijle stofsoort, een 'astraal lichaam' of ochêma. Dat heeft hij van Poortman.

J.J. PoortmanPoortman keerde zich tegen de vooral in de 19e eeuw wijd verbreide opvatting dat er maar één soort materie zou bestaan. Hij wees erop dat in de oudheid én in vele culturen geloofd werd en wordt in een meervoudige materialiteit (hylisch pluralisme) volgens welke er subtielere soorten materie bestaan naast de 'grove' materie zoals we die in onze dagelijkse ervaring tegenkomen. Volgens die leer beschikt de mens naast zijn voor iedereen waarneembare lichaam ook over fijner stoffelijke lichamen, die als 'voertuigen' van de menselijke ziel fungeren (ochêma: 't Griekse woord voor voertuig) en na diens lichamelijke dood de ziel ten dienste blijven staan. De ziel heeft niet alleen de grove materie als vehikel, maar ook de fijnere materie, waarmee het kan overleven. Die term, ochêma, komt op vele plaatsen in het boek voor, maar nergens drammerig - meer als een mogelijkheid, een hypothese of een "realiteit [die] we postuleerden als een consequentie van het spinozisme." (p. 37). Ik ervoer dat nergens als storend, vooral ook niet daar Hoyack beseft en dat ook uit, dat niet iedereen in het bestaan daarvan kan meegaan. Maar voor hem zou het kunnen passen binnen Spinoza's filosofie en zo beter doen begrijpen dat de menselijke geest de dood van het stoffelijk lichaam kan overleven, waardoor de parallellie beter gehandhaafd blijft.

Nu heb ik dan toch, meer dan eigenlijk mijn bedoeling was, de nadruk gelegd op enige van het gebruikelijke afwijkende gezichtspungten. Maar er is veel wonderschoons in dit boekje aan te treffen. Een van de aantrekkelijkheden is dat het om vele kleinere teksten gaat, 94 'fragmenten' zoals hij ze zelf noemt, die te denken geven. Om van te genieten - echt.

Samenvattend oordeel
Louis Johan August HoyackAls ik samen met anderen in een Spinozistisch klooster zou leven, met een Spinozistische kapel, dan zou ik dit boekje op mijn plaats in de kapelbank bewaren om er af en toe mee te mediteren. Zoals ik bij de Zusters Onder de Bogen in wier kapel ik soms een concert bijwoon, gebeds- en meditatieboeken, zoals de
Navolging van Christus, zie liggen. Ja, dit is een soort Navolging van Spinoza! Dit is een fraai en rijk Spinozistisch overwegingenboekje van een auteur die dit niet zomaar even kon opschrijven, maar die dat deed aan het eind van een lang leven, waarin hij vele boeken schreef, maar voor zichzelf ook veel studie maakte van Spinoza en daarvan in deze zwanenzang getuigenis aflegde. Waar de auteur je zoveel fraais en interessants heeft voorgezet, kun je ook wel hebben dat hij zich wel eens stoort aan het nuchtere van Spinoza. Zo kan hij Spinoza's sceptische houding over spookverschijnselen tegenover Hugo Boxel niet goed hebben. Daar beschuldigt hij hem van een "dageraadsmentaliteit" en schrijft hij: "Zijn [Spinoza's] argumenten in dezen zijn niet intelligenter dan die van de eerste de beste zogenaamde vrijdenker." (p. 133) Daar hoor je de knorrige conservatief. Nee, Hoyack is bepaald niet van degenen die Spinoza zien als de voorloper van alle vrijdenkers, laat staan als zelf iemand van die soort. Het zij de ook enigszins reactionair aangelegde auteur vergeven. Omdat hij hier ons zijn diepgaande Spinoza-studie voorzet.

Ook vergelijkt hij Spinoza veel met Schopenhauer; voegt hij hen waar maar mogelijk samen. Een kleinigheidje nog voor de liefhebber: Hoyack wijst op Hume als degene "bij wie het zaad van Spinoza's theorie der affectuum imitatio is opgekomen." (p. 46, voetnoot)

Ik ben echt blij dat ik het (zo verborgen en blijkbaar genegeerde) boekje heb mogen ontdekken - blij dat iemand mij erop attendeerde. Én dat ik een fraai ongelezen exemplaar op de kop kon tikken. Hierna laat ik nog enige blogs volgen met een paar teksten ter illustratie uit dit kostbare boekje.

Stan Verdult