Neurocalvinist Dick Swaab maakt claim niet waar

Wij zijn ons breinEen jaar lang heb ik de neiging om de bestseller van Dick Swaab aan te schaffen weten te weerstaan. Maar eind september liet ik mij overhalen door Bert Keizer. In de video van zijn toespraak over “neurologisch reductionisme en vrije wil” die ik in een blog opnam, raadde hij zijn toehoorders aan: “Lees het; het is een interessant boek, ook al ben ik het er niet mee eens.” Toen ik het dan eindelijk ging kopen bleek het na een jaar al de zeventiende druk – veel meer dan 100 000 exemplaren (!). Vanwaar zo’n succes?

Ja, je kunt uit het boek veel interessants over de werking van onze hersenen opdoen. Je leert hoe de wetenschappers allerlei stukjes van de hersenen benoemden  (nou ja). En je leest veel over allerlei ziekten en disfunctioneren. Het blijkt – maar dat wisten we al van Oliver Sacks - dat neurologen het meest over het gezonde en normale leren aan de hand van het zieke en abnormale. Maar om het nou ‘hét standaardwerk over het brein” te noemen, zoals Trouw deed, gaat me toch wat te ver. Ik kreeg tijdens het lezen almaar meer de indruk dat het een verzameling columns betrof en die indruk was juist, zo bleek aan het eind van het boek. Het is begonnen als een reeks columns in de NRC. Het gaat zoals gezegd wel erg veel over ziekten en afwijkingen en het zou me niets verbazen als het slechts gedeeltelijk gelezen in vele boekenkasten terecht kwam.

Wat mij vreselijk stoort, en wat ik een gigantisch groot minpunt van het boek vind, is dat Swaab geen enkele beschouwing wijdt aan zijn nogal prikkelende titel. Hij stelt eenvoudigweg: Wij zijn ons brein. Een rijmende variant van de titel die hij tien jaar eerder al gaf aan een artikel in Trouw: Wij zijn onze hersenen. En  klaar is Kees, eh… Dick? Maar de hersenen van Swaab hebben nog nooit een boek gelezen, een conferentie toegesproken of plakjes bevroren hersenen uit zijn Hersenbank onder de microscoop bestudeerd, laat staan dit boek geschreven. Hoe haalt hij het in z’n hoofd: zo’n titel! Wellicht om extra duidelijk te maken dat hij een mechanicist en reductionist is? Swaab noemt als een betere metafoor voor onze hersenen het ondergrondse commandocentrum, een complex van vele kamers vol met apparatuur. Hij beschrijft die hardware maar veronachtzaamt de rol van de mensen erin die aan de knoppen en de beeldschermen zitten, conclusies trekken en beslissingen nemen. Zo vergeet hij wel aan meer aandacht te geven om maar te kunnen suggereren: wij zijn ons brein.

Over bewustzijn en zelfbewustzijn spreekt hij simpel alsof dat al volledig door neurologen verklaarde verschijnselen zijn. Hij heeft ook geen enkele moeite te spreken over ´beslissingen´ die de hersenen nemen, zonder dat hij zich van een categoriefout bewust is. Zo bijvoorbeeld: “Maar ons brein kan niet anders dan voor het grootste deel werken als een efficiënte onbewuste automaat, die toch op een rationele manier beslist. Onbewuste, ´impliciete’ associaties stellen ons in staat snel en effectief een enorm aantal complexe beslissingen te nemen, iets wat onmogelijk zou zijn als er voor alles een zorgvuldige, bewuste, maar trage afweging van alle voors en tegens noodzakelijk zou zijn.” (p. 385) Het is duidelijk wat hij bedoelt: onze hersenen werken als een automaat en wij zijn ons - gelukkig maar - niet bewust van wat zich allemaal in dat apparaat afspeelt. Maar waarom daarbij de verwarring scheppende termen ´rationeel´ en ´beslissing´ gebruikt?

Van het definiëren van bewustzijn of ‘geest’ maakt hij zich met een jantje van leiden af en zegt: “Ik heb nog geen goed argument gehoord tegen mijn simpele conclusie dat de ‘geest’ het resultaat is van het functioneren van onze 100 miljard hersencellen.”(p. 357) (Waar hij nog aan toevoegt: “en de ‘ziel’ een misverstand.”) Zeer simplistisch is het inderdaad en vooral een gigantische reductie. Meent hij nu echt het ‘hard problem of consciousness” te hebben opgelost door het simpelweg te negeren? Het zijn niet zijn hersenen, het is echt Dick Swaab zelf die deze onzin uitkraamt.

Opvallend vind ik het dat hij over veel zaken (religie bijvoorbeeld) spreekt over het “evolutionaire voordeel” ervan, hoewel evolutiewetenschap zijn discipline niet is. Maar de vraag wat het “evolutionaire voordeel” van het (zelf)bewustzijn is hoor je hem niet stellen, alsof de hersenen ook wel alles uit zichzelf konden doen en (zelf)bewustzijn eigenlijk iets overbodigs is. Zo praat hij erover (op onderstaande video's bijvoorbeeld).

Uiteraard mag hij als elke burger allerlei meningen over van alles hebben (daar zal je een Spinozist niet over horen klagen), meningen over religie of over de al dan niet maakbaarheid van de samenleving en veel meer. Maar opvallend is dat de columns over religie, die als hoofdstuktitel de belachelijke term ‘neurotheologie’ dragen, nauwelijks over hersenonderzoek gaan; behalve dan de vermelding over neuro-onderzoek naar mediterende nonnen en monniken en de belachelijke benaming van het God-gen dat iemand gevonden meende te hebben. Maar in de overgrote rest schetst hij zijn (atheïstische) opvattingen die ten onrechte het sausje overgegoten krijgen van de neurodeskundige. Dat is misleiding.

Over de zgn. ‘vrije wil’ is hij dubbelzinnig. Hij lijkt hem in overwegende mate te ontkennen, maar schrijft ook over een vrije wil, “die in ieder geval voor een belangrijk deel van ons handelen niet bestaat.”(p. 385) Voor een deel dus wel?
Wat hij vooral op meerdere plaatsen in het boek benadrukt is dat wij niet kunnen willen anders te zijn dan de karakterpatronen en eigenschappen die door de ontwikkeling (door genen en omgevingsinvloeden in de baarmoeder en tijdens en kort na de geboorte) in onze hersenen is vastgelegd. Je kunt niet je genderbewustzijn of seksuele geaardheid door ‘t anders te willen, veranderen. Maar dat is nogal duidelijk en daarover gaat het dan ook niet in de vrije-wil-discussie.

Opvallend is hoe vaak hij in allerlei stukjes terugkomt op de jaren ’60 – ’70 waarin het politiek correct was om uit te gaan van cultureel-maatschappelijke invloeden op gedrag: bij agressie, criminaliteit en geestesziekten hadden de ouders – de moeder vooral – het gedaan. Hij benadrukt dat naast het dna, het de chemische en voedings-omgeving in de baarmoeder is die van invloed is op persoonlijkheid, karakter en dergelijke. Nogmaals, dit benadrukt hij zo vaak, dat het wel om een posttraumatische aandoening bij hem lijkt te gaan. De kans op omslaan naar de andere kant is dan levensgroot aanwezig. Zoals hij het zelf op blz. 381 omschrijft, kan je hem zien als een neurocalvinist. Al met al ben ik niet tevreden over dit boek. Ik had mijn eerste intuïtie moeten volgen en het beter ongelezen gelaten. Doordat Swaab zich geen bal interesseert voor de filosofische implicaties van neurologische bevindingen, zeker sinds de neurowetenschappers over onder meer neuro-imaging-technieken beschikken, maar op dat terrein wel botte uitspraken doet, is het boek niet interessant voor mensen die meer willen begrijpen.

Voor wie behoefte heeft aan een nog fellere recensie van Swaabs boek leze de recensie van 28 juli 2011, Swaab: luchtfietserij en vervlogen faam, van wetenschapsjournaliste Asha ten Broeke.

Hoor hem.... op deze opname uit 2009

  

Of op deze uit 2006 (RVU "God bestaat niet")