Op weg naar de cursus over de PPC [17] over de Cogitata Metaphysica

Met het oog op de laatste bijeenkomst van de VHS-voorjaarscursus over Spinoza’s René Descartes, De beginselen van de wijsbegeerte in meetkundige trant uiteengezet en de Metafysische gedachten van zaterdag 9 mei a.s. [cf.], waarin Han van Ruler de Cogitata Metaphysica zal toelichten, dit blog ter mogelijke voorbereiding.

Al eerder wees ik in een blog van 3 maart 2012 op het hoofdstuk van Theo Verbeek: “«Zijn» en « Niet-Zijn» in Spinoza’s Cogitata Metaphysica,” in: Gunther Coppens (red.), Spinoza en de scholastiek [Acco, leuven/Leusden, 2003]. Een inspirerend-geleerd artikel dat toen ik het las mijn gevoelen dat er méér eigen filosofie van Spinoza in steekt, zeer versterkte (zie ook het citaat hieronder).

Ik eindigde dat blog met: "Kortom, alle aanleiding om er eens een zomercursus aan te wijden. En daar dan zeker Theo Verbeek bij in te schakelen." Het werd drie jaar later een lentecursus, waarbij niet Verbeek, maar Han van Ruler werd ingeschakeld.

Als u dat boekje al bezit, in de bibliotheek kan vinden of antiquarisch kan aanschaffen, zou ik zeker aanraden dat hoofdstuk te lezen, waarin Theo Verbeek duidelijk laat zien hoe het Spinoza daar gaat om uit te leggen wat entioa rationis zijn - en hoe belangrijk die zijn. Van Han van Ruler is het laatste hoofdstuk in dat boek, "Substantie en individu," en ook dat is een goede hulp om Spinoza beter te verstaan. De andere hoofdstukken zijn in het algemeen ook zeer lezenswaard en nuttig; u zult er zeker geen spijt van krijgen als u het op de kop weet te tikken.

Hierna citeer ik de slotalinea's, waarmee Verbeek zijn hoofdstuk eindigt:

"Van alle teksten van Spinoza is Cogitata metaphysica de meest raadselachtige en de minst bestudeerde. Vaak gezien als een typisch 'scholastiek' werk draagt het het odium mee dat het niet 'echt spinozistisch' zou zijn, een oordeel dat de meesten alleen daarom al makkelijk valt omdat zij menen dat alles wat erin staat, even goed of zelfs beter te vinden is in de Ethica. Dat beide interpretaties — 'scholastiek' en `niet spinozistisch' — berusten op vooroordelen die niet alleen onhoudbaar zijn, maar bovendien de interpretatie van Spinoza's filosofie in het algemeen belasten, hoop ik in het bovenstaande te hebben aangetoond. Er is geen sprake van dat Spinoza zich bezighoudt met een typisch scholastieke problematiek integendeel zijn de belangrijkste thema's van zijn filosofie hier volop aanwezig.

De Cogitata zijn in 1663 gepubliceerd als een 'appendix' bij Spinoza's 'geometrische' bewerking van Descartes' Principia (1644). Het ligt dus voor de hand de Cogitata te interpreteren als een werk dat zich, evenals de Verhandeling over de verbetering van het verstand — die me op sommige punten overigens minder primitief voorkomt en die daarom van na 1663 zou kunnen zijn — richt tot liefhebbers, studenten en kenners van de cartesiaanse filosofie. Aangezien in Spinoza's bewerking ook Descartes' metafysica aan de orde komt, zou Cogitata een overbodige toevoeging zijn als het zich beperkte tot een weergave van wat in Principia I al te vinden is. De meest voor de hand liggende formule zou dus zijn dat het de Cartesianen in hun eigen taal een alternatief biedt voor hun metafysica, dan wel, gebruik makend van cartesiaanse stellingen, de Cartesianen dwingt een filosofie te omhelzen die hun onwelkom is. Wat ik voorstel is kortom een 'dialectische' lezing van de Cogitata: uitgaande van een geherformuleerde stelling van zijn tegenstander komt hij tot een dilemma dat de tegenstander dwingt om de positie van Spinoza te omhelzen. Dat zou dan ook meteen het enige verband met de scholastieke traditie zijn, zij het dat het scholastieke begrippenapparaat natuurlijk bij uitstek geschikt is om deze methode te gebruiken. "[p. 99]