Overweging bij een voetnoot in de TIE

Gisteravond bespraken we, zoals ik in het vorige blog al meldde, bij de SKL een deel van de TIE. Bij het lezen van de vertaling van dat werk door Theo Verbeek viel mij de bij hetgeen in de laatste zin van paragraaf 76 staat horende noot z in de kantlijn (in de OP is het een voetnoot):

“Dit [enig en oneindig] zijn geen attributen van God die zijn essentie laten zien, zoals ik in de Filosofie zal aantonen.”

En meteen vroeg ik mij af: waarom gebruikte Spinoza in de Ethica niet deze heldere omschrijving? Ik haal het Latijn erbij:

"Haec non sunt attributa Dei, quae ostendunt ipsius essentiam, ut in Philosophia ostendam."

De attributendefinitie in de Ethica 1/4Def werd:

“Per attributum intelligo id, quod intellectus de substantia percipit, tanquam ejusdem essentiam constituens“

En over hoe wij die definitie moeten lezen en begrijpen ontstonden dus én vertaalproblemen én een gigantische hoeveelheid secundaire literatuur, met zeer uiteenlopende interpretaties.

Spinoza wilde in de Ethica kennelijk niet zo simpel als in de TIE zeggen dat de attributen de essentie laten zien (want de zintuigen zien die immers niet) en daarom de functie van het intellect erbij betrekken: het is een kwestie van verstandelijk begrijpen. Maar als hij daarvan dan had gemaakt…

Per attributum intelligo id, quod intellecto de substantia essentiam ostendit.

Onder attribuut versta ik dat, wat aan het intellect van de substantie het wezen laat zien.

… dan was dat meteen voor iedereen duidelijk geweest. En wat zou dan gemist zijn in zijn filosofie? Het zou een hoop verwarring hebben gescheeld.  

Hij zou met ‘constituere’ de rol van het begrijpen, de actieve epistemologische (constituerende) rol van het intellect hebben willen benadrukken? Hij heeft er in ieder geval het denken van vele filosofen en quasi filosofen mee uitgedaagd, dat zeker.